Taboe op effectiviteit leraar slijt maar langzaam

De rekenboeken en schriften zijn dezelfde, het rooster is gelijk, maar toch kan Christa op basisschool De Heideroos honderd sommen maken, terwijl Nico op De Pinksterbloem er tweehonderd verwerkt in dezelfde tijd. En in de tijd dat Christa zestig bladzijden leest, neemt Nico er zesentachtig tot zich.

Het verschil tussen de beide leerlingen zit 'm in de leerkracht voor hun klas. De ene juf weet een lesuur rekenen veel effectiever te besteden dan de andere. Die van Christa vermorst kostbare leertijd door een klungelige organisatie en slechte orde. Als Christa pech heeft, zet dit verschil zich de hele basisschooltijd door, zodat haar achterstand op Nico almaar groter wordt. En dit terwijl zij over gelijke mogelijkheden beschikken. Geen haan die ernaar kraait, want het verschil treedt op achter de gesloten deur van het lokaal.

Door observaties in de klas kwamen onderzoekers er achter dat er grote variaties bestaan in klassen waar je juist gelijkvormigheid zou verwachten. Bij taal- en leeslessen varieert de taakgerichte leertijd van leerlingen tussen zestig en zesentachtig procent. Bij de rekenlessen halen sommige leerkrachten slechts vijfenveertig procent, terwijl collega's negenentachtig procent scoren.

"Dergelijke grote verschillen hebben uiteraard gevolgen voor de resultaten van de leerlingen. Bekend is dat kinderen in achterstandssituaties meer leertijd nodig hebben. Wil je hun prestaties verbeteren, dan zul je naar de leerkracht moeten kijken. De leraar is de spil van alles, " zegt dr. Kees Vernooy van het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum (CPS) in Hoevelaken. Hij heeft de onderzoeksgegevens opgediept ten behoeve van een congres morgen in Rotterdam over de effectiviteit van het onderwijs.

De cijfers over de effectiviteit van taal- en rekenles zijn sinds 1987 bekend. Vernooy heeft echter tot zijn teleurstelling gemerkt dat de wetenschap nauwelijks benut wordt. Een hausse aan nascholingscursussen om bedreven te raken in het benutten van leertijd bij voorbeeld is er niet gekomen. "Het is typisch Nederlands om niet over kwaliteitsverschillen te willen praten. Er rust een taboe op, dat maar langzaam verdwijnt."

De motor van de taboe-aantasting bestaat volgens Vernooy uit de ouders. De middengroepen en de hoger opgeleiden bemoeien zich meer en meer met de kwaliteit van het onderwijs. Zij eisen van de school dat die hun kinderen tot hoge prestaties brengt. En zo halen ouders de school uit het isolement.

Het taboe is er schuldig aan dat Nederlandse onderzoekers nog niet zo vreselijk veel hebben uitgevonden over de effectiviteit van het lesgeven. Het is een bescheiden lijstje dat Vernooy heeft samengesteld ten behoeve van het congres. Er staat ook op dat leerkrachten die onzorgvuldig gebruik maken van de handleiding van Veilig leren lezen (de veelgebruikte methode 'boom, roos, vis'), veel leeszwakke leerlingen produceren. Hun collega's die de handleiding wel nauwlettend volgen leveren beter lezende kinderen af. Vernooy: "Combineer dat nou eens met de wetenschap dat tachtig procent van de verwijzingen naar het speciaal onderwijs voortkomt uit lees- en spellingsmoeilijkheden." Bekend is ook dat nog niet een procent van de leestijd besteed wordt aan 'begrijpend lezen'.

Op het gebied van rekenen kent Vernooy soortgelijk onderzoek. Zo is gebleken dat leerkrachten 'eclectisch' te werk gaan. Met andere woorden: zij pikken uit een methode wat hen bevalt, maar maken eigen aanpassingen voor andere onderdelen. De structuur - de logische volgorde is bij het leren rekenen van bijzonder belang voor de zwakkere leerlingen - kan zo volledig verdwijnen. Zonder dat iemand zich ervan bewust is. De leerkracht nog het minst.

Hoe zou een meester of juf het ook kunnen weten? Als die lesgeeft zijn er alleen leerlingen present. Op enkele basisscholen is het inmiddels wel gebruik dat de schoolleider eens een dagje in het lokaal van de klasseleerkrachten doorbrengt. Maar dat kan nooit een grondige beoordeling opleveren. Vernooy: "In Amerika en Engeland, waar men al veel verder is op dit gebied, zijn inmiddels evaluatielijsten op de markt. Daarmee kunnen leerkrachten heel praktisch hun eigen handelen beoordelen."

Hij schat dat het nog een jaar of vijf zal duren voordat in Nederland een educatieve uitgever het klimaat rijp acht om iets dergelijks hier uit te brengen. Niet dat er wonderen van kwaliteitsverhoging te verwachten zijn van individuele acties van goedwillende leraren. Het hele onderwijsbeleid zou erop gericht moeten zijn en zover is het nog lang niet.

Vernooy: "Wij doen bij het CPS wel wat projectjes, maar die zijn kleinschalig. Als je echt iets wilt bereiken moet je alle topwetenschappers optrommelen en grootschalige experimenten doen die dicht bij de dagelijke praktijk van de leerkracht staan. Je moet ook niet de school als instituut benaderen, want dan zijn er nog zoveel barrieres voordat je bij de man of vrouw voor de klas bent."

Het beste voorbeeld dat Nederland hier nog niets voor voelt ziet Vernooy in Weer samen naar school, de operatie waarbij basis- en speciaal onderwijs samenwerkingsverbanden moeten vormen teneinde de verwijzing naar Lom en MLK-scholen te remmen. Hij is erg somber over het succes van die operatie en kent in de wetenschappelijke wereld veel deskundigen die zijn mening delen. "Zelfs als de scholen enthousiast meedoen, kan ik me slecht voorstellen dat het werkt. Het lukt alleen als de leerkrachten van de basisschool zo deskundig worden dat zij kinderen met vooral leesproblemen zelf kunnen helpen."

Volgens Vernooy zullen de leraren basisschool daartoe alleen in staat blijken als ze en de goede leermiddelen krijgen en de juiste training. "Dat betekent dat zij uitstekend geschoold moeten worden, maar 'Weer samen naar school' laat de deskundigheidsbevordering over aan de leerkrachten van het speciaal onderwijs." Zij mogen heel wel in staat zijn om probleemkinderen les te geven, die kundigheid maakt hen nog niet geschikt om de leraren basisschool bij te scholen. "Om te beginnen moeten ze er zin in hebben en daar ziet het niet naar uit. Hun eigen positie staat op het spel en zij twijfelen aan het effect, want zelf in het speciaal onderwijs werken, vereist een heel ander type vaardigheid dan collega's opleiden."

Het gekste van alles vindt Vernooy echter dat alle scholen meteen aan de operatie moeten meedoen. Een experiment op een aantal scholen, waarbij wetenschappers kijken of de gekozen aanpak werkt, zou hij normaal vinden. "Mocht blijken dat het niet werkt, dan moet je iets anders proberen. Dat gaat langzamer, maar je voorkomt ernstige miskleunen en teleurstelling onder alle betrokkenen."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden