Tabé B.

Het raarste baantje dat ik ooit had, deelde ik met Martin Bril. Begin jaren negentig begon uitgeverij Audax een Nederlandse editie van Esquire. Gijs van de Westelaken had de leiding, vroeg mij om redacteur te worden en ik opperde Bril erbij te vragen, die ik onder andere kende als medewerker van HP. Zonder dat we het van elkaar wisten meldden wij ons kort daarna aan om naar de VS te worden uitgezonden als ’writer in residence’. Bizar genoeg werden beide aanvragen gehonoreerd, zodat tweederde van de Esquire-redcatie zich even later aan de overkant van de Oceaan bevond, Martin in Ann Arbor Michigan, ikzelf in Minneapolis Minnesota. Email bestond nog nauwelijks, dus al het redactionele verkeer verliep via fax en telefoon. Eindeloze stroken kopij rolden ’s nachts over de vloer van ons appartement, die ik voorzien van commentaar weer terugstuurde. Een krankzinnige manier van werken, vandaar dat wij Gijs voortdurend opriepen om in het kader van de efficiency ook naar de VS te verhuizen.

De arme bureauredacteur die onze faxen moest zien te ontcijferen heeft daar nog steeds nachtmerries van.

Het was gebruik dat writers-in-residence elkaar uitnodigden voor voorleesavonden. Direct na aankomst schaften mijn vriendin en ik een gigantische Amerikaanse gasguzzler aan, 8 cilinders, 4.7 liter, waarin we naar Ann Arbor togen. Toen Bril bij het café arriveerde voor de voorzit, bleek hij hetzelfde te hebben gedaan. Daar stonden we met onze pre-ecologische praalwagens. ’You Dutch don’t mess around’, sprak onze gastheer hoofdschuddend, een tweedy literatuurprofessor die zelf in een zuinig Toyota’tje reed. Ook de door ons beiden bewonderde Bert Schierbeek deed die avond mee, hij was op bezoek bij vrienden die hij maakte toen hij als een van de eerste Nederlandse schrijvers in Ann Arbor gestationeerd was, lang daarvoor. Achteraf zou blijken dat Bril, Niemöller en ik de laatste auteurs waren die op die manier werden uitgezonden.

„Jij moet een dagelijkse columnist hebben die de straat slijpt”, zei ik altijd tegen Sytze van der Zee, toen hij midden jaren negentig Het Parool probeerde te reanimeren. Niet dat ik die taak zelf ambieerde, ik had een wekelijkse column in die krant en wilde tijd overhouden voor andere dingen. Op een gegeven moment was Van der Zee overtuigd en stelde Ischa Meijer aan, een keus die ik minder gelukkig vond. Ischa Meijer een dagelijkse column laten schrijven is Paul de Leeuw alleen nog maar laten zingen. Ischa schreef, maar een schrijver was hij niet. Dat was Martin Bril nu juist wel. In zijn eentje was hij meer schrijver dan menige AKO-shortlist bij elkaar.

Na een zwaar alcoholisch weekend in de bossen met het Esquire-team reden we terug naar Amsterdam. We wilden iets eten, maar er was niets. Ergens bij Zevenhuizen, als ik me goed herinner, passeerden we een schimmig café-restaurant. „Ja!”, riep Bril, „dit is hem! Hier gaan we lunchen.” Niemand had er vertrouwen in, behalve Martin. Terwijl we het grindpad opliepen, zei hij: „Dit wordt een succes. Ik voel het.” Een gewone journalist weet zoiets pas na afloop. Bril zag het stukje al voor er iets gebeurd was.

Dat was de gebeurtenis die hij telkens opnieuw beschreef: het besluit om een stukje te schrijven. Tabé, collega.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden