Taart gooien naar het kruis

Tot diep in de jaren negentig verscheen in Nederland geen literaire roman of orthodoxe christenen werden erin weggezet als kleinburgerlijke, fundamentalistische lieden. Hoe anders is ’Het lam’ van de Amerikaans-Nederlandse schrijver Peter de Vries – een vergeten roman uit 1961 die onlangs opnieuw is vertaald. Volgens Willem Jan Otten is het een van die zeldzame boeken die je doen begrijpen „waarom het de wereld maar niet lukt om zonder geloof te zijn”.

Als een schrijver De Vries heet, en zijn boek begint met een tranentrekkend komische beschrijving van een ruzie binnen een steil gereformeerd gezin omdat de oudste zoon des huizes niet meer gelooft dat de Heere het universum letterlijk in zes dagen heeft geschapen, – dan meen je te weten hoe laat het is. Je vergewist je van het jaartal van verschijnen – 1961. Je rekent uit wanneer deze openingsscène zich ongeveer af moet spelen – halverwege de jaren dertig. En je denkt: hier gaat van het geloof gevallen worden; de kloof der generaties zal steeds hilarischer gapen; wetenschap en vooruitgang zullen zegevieren; de verteller zal uiteindelijk de kleinerende en vrijheidvijandige godsdienst achter zich laten. Eindelijk volwassen, eindelijk de krukken des geloofs van zich afgeworpen. Eindelijk vrijheid en scepsis.

Peter de Vries, de schrijver over wiens meesterwerk ik het heb, is evenwel geen Nederlander. Hoewel hij in 1993 gestorven is, op 82-jarige leeftijd, heeft hij geen Ter Braak gelezen, geen Vestdijk, geen Wolkers, geen Kuitert, geen ’t Hart. Hij is geboren in 1910, in Chicago, waar hij ook is opgegroeid. Zijn Nederlands is vergelijkbaar met wat het Turks is voor tweedegeneratie-Turken in Nederland; zijn carrière heeft hij in zijn tweede taal moeten maken – het Amerikaans.

Toch is het geloof waarmee hij zijn plaats in de schepping heeft leren bepalen, niet alleen een typische immigrantenaffaire. Er wordt op echt Hollandse wijze hevig en fanatiek gepoogd om de God der Wrake deemoedig onder ogen te komen – wat vooral wil zeggen: om niet aan zijn voorzienigheid te twijfelen.

Men baadt in een echt Hollands zondebesef – ieder spoor van twijfel is zondig en wordt hardop bediscussieerd, maar eigenlijk is alleen al vragen waarom de Heere het gezin met ongeluk slaat, het begin van het einde. De wegen zijn ondoorgrondelijk, de genade komt loodrecht van boven en altijd onverdiend, maar de tijden zijn rationeel en wetenschappelijk en beslist ook materialistisch en hedonistisch. Het uitgangspunt van dit boek is dezelfde speciale calvinistische klem, die ook in Nederland (zij het pas echt na 1945) een literatuur heeft opgeleverd van schrijvers die met hun boeken begonnen te bewijzen dat je van deze erfzondige God kunt vallen zonder in enige aantoonbare hel te branden.

Sterker nog: na de oorlog is er tot halverwege de jaren negentig geen enkele literaire roman die zich op religieus terrein waagt verschenen waarin God, Zonde en Oordeel niet werden afgeschaft, en waarin het leven van orthodoxe christenen niet werd weggezet als op zijn best kleinburgerlijk, en in de kern fundamentalistisch.

Waarom zouden we dit boek dan nu nog lezen?

Omdat het iets fundamenteel anders doet dan dat waaraan we met onze god-is-dood-en-nu-durf-ik-pas-echt-te-levenliteratuur gewend zijn geraakt. Peter de Vries beschrijft in deze gefictionaliseerde autobiografie weliswaar nauwkeurig (en onweerstaanbaar geestig) hoe een jonge, door en door calvinistische man van zijn geloof valt – maar tegelijkertijd volhardt hij in iets vreemds en aangrijpends: hij blijft God ter verantwoording roepen. Dat wil zeggen: telkens wanneer hij in een existentiële crisis verkeert (omdat zijn negentienjarige broer sterft, omdat het meisje van wie hij houdt bezwijkt aan tbc, omdat zijn vrouw zelfmoord pleegt, omdat zijn vader voor altijd in een psychiatrische kliniek wordt opgesloten, omdat zijn elfjarige dochtertje leukemie krijgt en een gruweldood sterft) vraagt hij zich af of er wel een God is.

Dit is heel vreemd, want hij slaagt er tussen de crises door nogal goed in om deze vraag buiten de deur te houden. Maar juist als hij, als rationele afvallige wérkelijk met gemak zou kunnen zeggen: als dit – zo’n zinloze dood, zulk lukraak en blind lijden bestaat, dan kan er geen God bestaan –, juist dán start er in zijn hoofd, of in zijn hart, een interne twist. Asof hij nu eindelijk van God wil weten hoe die het in zijn hoofd haalt om de schepping zó sadistisch, zinledig en absurd te laten zijn.

Dit is geen boek van een man op zoek naar troostsmoezen. Ik denk dat alleen iemand met een groot komisch talent zo’n grimmig boek kan schrijven. Een Amerikaanse criticus had het over de ’sense of dread’, de ervaring van dreigend gevaar, die de hoofdstukken doortrekt. Maar het is niet alleen de dood die op zoveel pagina’s loert, en dikwijls ook daadwerkelijk toeslaat – het is nóg iets, iets wat ik eigenlijk alleen in de romans van Graham Greene (uit dezelfde periode) en in die van de grote Japanse romanschrijver Suzaku Endo zo sterk ben tegengekomen, en bij het sterk aan dit proza verwante boek ’A grief observed’(’Verdriet, geloof en dood’) van C.S. Lewis. Voortdurend lijkt de verteller (Don Wanderhope, treffende veramerikanisering van Van der Hoop) namelijk te zullen bezwijken. Waaraan? Aan precies dat waaraan hij schijnbaar, telkens wanneer een van de grote crises uitbreekt, al bezweken lijkt te zijn. Aan geloofsverlies. Wanhoop.

Zwerfhoop, zou Wanderhope, terugvertaald, misschien zijn. Of, vrijer: wankelhoop.

„Ik vraag U, mijn Heer, toestemming om te wanhopen.”

De fundamentele beweging die Wanderhopes heftige, hevig in zichzelf verdeelde en twijfelende bewustzijn doormaakt is, als ik het goed begrijp, een gevecht. Tegen het geloof. Juist als de pleuris van het lijden en sterven uitbreekt, ontbrandt in Wankelhoop het gevecht tégen het geloof in een voorzienige Almacht. Tegen de verleiding om het allemaal quasi-verdraaglijk te maken door het lijden een zogenaamd religieuze Zin te geven. Maar het is niet alleen een gevecht tégen de verleiding om zoete metafysische broodjes te bakken. Het is een gevecht tegen een nog grotere bekoring: die van de wanhoop.

Het bijbelboek dat niet genoemd wordt in ’Het lam’, maar dat, net als het dreigende gevaar, voortdurend als een jaws op de achtergrond zwemt, is Job. Hoe is het mogelijk dat Job, die alles verliest – bezit, vee, gezin, vrouw, reputatie, gezondheid, decorum – niet bezwijkt? Waarom wil hij niet allang dood, of op z’n minst: berustend de boel laten hangen?

Het ene, of beter: de Ene die hem op de been houdt – zelfs al lijkt die tégen hem te zijn, en laat Hij alle denkbare lijden toe, is God. Of althans: het verlangen om God ter verantwoording te roepen. Om Hem de stinkende puinhoop die het bestaan geworden is, voor de voeten te werpen en te vragen: waarom?

De finale scène waarin God, in zijn hoedanigheid van een Gekruisigde in een per ongeluk katholieke kerk (waar de ik-persoon tijdens zijn helse bezoeken aan zijn stervende dochtertje onwillekeurig heen gezogen wordt) in New York ter verantwoording wordt geroepen, is ongetwijfeld een van de meest bizarre uit de wereldliteratuur (en, volgens mij, ook een van de roerendste). Wanderhope bezwijkt op een haar na niet aan zijn wanhoop door in opperste wanhoop een taart naar God te gooien.

„En zo bevond Wanderhope zich op de plaats, waarover in zijn jeugd was gezegd dat het voor al die literaire duivelskunstenaars, maar ook voor wie een redelijker religieuze opvoeding had genoten, het enige alternatief was voor de loop van een revolver: aan de voet van het Kruis.”

Dat De Vries een erg goed schrijver is, valt af te lezen aan de subtiele wijze waarop hij deze absurde en toch volstrekt redelijke (op de wijze van ’redenen van het hart’) daad heeft voorbereid, door het doodzieke dochtertje al eerder naar een slapstickfilm te laten kijken – en over degene die steevast de taart incasseert iets op te laten merken waardoor je begrijpt dat ze het in feite over zichzelf heeft.

Over dit werk van suprême godsvrucht is in de Amerikaanse kritiek (’The blood of the lamb’ was in zijn tijd een beroemde bestseller) veel te doen geweest. De discussie is merkwaardig actueel: is hier sprake van blasfemie? Krenkt De Vries gelovigen?

Zoals wij weten sinds G.K. Chesterton, Gerard Reve en Graham Greene zoekt het religieuze op ogenblikken van crisis geen sublieme uitweg, maar een hilarische. En eigenlijk weten we dat al sinds Don Quichot, en zoveel passages van Dostojevski. Vooral met de laatste – met diens wisselbaden van extatische twijfel en onberedeneerde godsvrucht – heeft De Vries veel verwantschap. De gesprekken van Wanderhope met de atheïst Stein, tijdens de hartverscheurende bezoeken aan het Kinderkankerpaviljoen, hebben eenzelfde uitwerking als de gesprekken die Ivan in ’De gebroeders Karamazov’ voert. Misschien komt het inderdaad allemaal neer op wat Luther zei: „Niemand is God meer nabij dan de vertwijfelden die God haten en lasteren.” Er is hoe dan ook iets dat tijdens deze scène doet denken aan de voorlaatste Kruiswoorden. Waarom hebt u mij verlaten. Waarom. Waarom.

Laten we het zo zeggen: ’Het lam’ is weliswaar in het Engels geschreven, en in New York verschenen, maar het is de ene onontbeerlijke Oer-Hollandse Roman die de Nederlandse literatuur niet heeft voortgebracht. De roman die, in onze verwarrende tijd van vaak zeverig en ietsistisch religieus gerevival, veel lezers een zucht van opluchting zal bezorgen. En een grijns van eerbied, voor de spartelende vitaliteit van de christelijke religie, ondanks alle pogingen om haar onbewoonbaar te verklaren. Het kan dus: een volwassen, krachtig geschreven geloofsroman met Hollandse personages. Het is de missing link in de naoorlogse calvinistische, vaderlandse, bellettrie: het boek waarin, zoals in de jaren zestig onvermijdelijk leek, met geraas en vernuft van het geloof en uit de kerk gevallen wordt, maar waarin tegelijkertijd het personage volwassen wordt.

Dat is het woord dat de helaas vergeten schrijver A. Marja bezigt in zijn inleiding bij de eerste, en al even vergeten vertaling. (Daarin staat ook het genoemde citaat van Luther.) Ook voor A. Marja verschilde ’Het bloed van het lam’ (zoals het toen nog heette) „van het soort semi-autobiografieën dat in onze letteren gangbaar geworden is, de ’ik-heb-altijd-gelijk-romans’, waarin altijd weer ouders worden gehaat, waarin onvermijdelijk de jeugd van de hoofdfiguur wordt uitgebeeld als een aaneenschakeling van sadistische kwellingen, ontstaan door de kleinburgerlijkheid van het ouderlijk milieu”.

Nee, zo’n boek is het niet, de ik-persoon wordt wél volwassen, in religieuze zin – wat zeggen wil dat hij de tragedie aangaat van het bewustzijn dat niet wil bezwijken aan valse troost maar ook niet aan wanhoop. Het is werkelijk een boek van nu. Van de tijd – hoe lang geleden is die begonnen – dat het eigenlijk niet te geloven is dat er geloof is.

’Het lam’ gaat over de tragedie van een religieus bewustzijn, en niet, zoals we gewend leken te zijn, over het taboeïseren van het religieuze, als was alleen al het denken eraan een intellectuele nederlaag.

Grote woorden, die een al te theologische stofwolk doen neerdalen op dit mozaïek van grappige, grimmige, tedere, verontrustende scènes, situaties en dialogen. Zoals de veertiende eeuw zijn Goddelijke Komedie kreeg, zo hebben wij, zomaar pardoes uit de Amerikaanse jaren zestig dit magistrale blijk van oer-Hollandse Goddelijke Slapstick in de schoot geworpen gekregen.

Maar is het waar? Is het echt de religieuze roman die ik er in mijn enthousiasme van maak. Demp ik met dit boek niet het verkeerde gat?

„Bewijs me dat God bestaat en ik ga werkelijk wanhopen”, zegt Wanderhope ergens tegen het eind van zijn agonie. Maar bijna in één adem door zegt hij van zijn gespreksgenoot, de volslagen gedesillusioneerde atheïst Stein, die hij met ongekende tederheid en sympathie portretteert: „Hij kon het God maar niet vergeven dat Hij niet bestond.” Het boek dat dergelijke oprispingen van het twijfelende en toch God ter verantwoording roepende hart laat beleven – en dus niet op een gerieflijke antropologische afstand blijft, en zogenaamd objectief ’verslag doet’ omdat het religieuze ’zo fascineert’ – is, als het dan niet een religieus boek is, dan toch een geloofscrisisboek. Soms weet ik niet wat het verschil is, tussen geloof en crisis.

’Het lam’ behoort in elk geval tot het handjevol boeken dat je, hoe hardhandig ook, doet begrijpen waarom het de wereld, ondanks al haar inspanningen, maar niet lukt om zonder geloof te zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden