Taaltovenares op zoek naar extase Roeping

Na de Constantijn Huygens-prijs nu ook de P.C. Hooft-prijs 2014 naar dichteres Anneke Brassinga

De P.C. Hooft-prijs 2014 voor poëzie gaat dit jaar naar de taaltovenares van de Nederlandse dichtkunst, Anneke Brassinga (1948). Nergens in onze literatuur tref je zo veel eigenzinnige woorden en uitdrukkingen aan als in haar werk. Ongetwijfeld hangt deze bijzondere band met de taal samen met haar werk als vertaalster. Ze vertaalde onder meer Oscar Wilde, Sylvia Plath, Vladimir Nabokov maar ook Jules Verne. Voor haar vertaling van Nabokovs 'The Gift' ontving ze de Martinus Nijhoff Prijs maar die weigerde ze omdat ze vond dat de jury te weinig keus had.

In 1987 verscheen haar eerste dichtbundel, 'Aurora', en sindsdien schreef ze, naast een roman, verhalen en vele essays, nog veel andere bundels, die steeds gekenmerkt worden door haar bijzondere omgang met het Nederlands. In 2010 verscheen haar meest recente dichtbundel, 'Ontij'.

Brassinga's in 2005 verschenen verzamelde gedichten, met de treffende titel 'Wachtwoorden', heeft veel weg van een reservaat voor bedreigde taalsoorten. Je komt er woorden tegen als 'dropknotsen' of 'mansdeelrijzige kaarsen' voor het mannelijk geslachtsdeel. Dat alles maakt dat je als lezer van haar gedichten een heel andere wereld betreedt dan de gangbare, doordeweekse. Zelf heeft ze haar dichterlijke werkzaamheden weleens als volgt omschreven: 'de woordstroper gaat zijn droomstrikken lichten'.

Brassinga's taalspel is echter geen retoriek en ook geen cursus in etymologische taalwortels. Maar haar taal, met al die neologismen en dubbelzinnigheden, staat in dienst van iets hogers dan zomaar welsprekendheid, ze zoekt een mystieke dichterlijke sensatie. Soms lijkt het wel of de dichteres met haar woorden buiten zichzelf probeert te treden. Poëzie is bij haar niet alleen een middel tot communicatie, het is ook en vooral een middel tot extase. En daarin is ze vrijwel compromisloos: in een van haar gedichten slurpt de hoofdpersoon zoveel zon op dat blindheid het gevolg is.

Toch is dit verre van onmenselijke taalpoëzie. Door al die woorden en zinnen van Brassinga heen schemeren voortdurend authentieke en heftige ervaringen en wie goed leest, voelt hoe er gevoelens van pijn, verdriet, wanhoop, vertwijfeling maar ook wel eens van puur geluk op het programma staan. Juist door haar bijzondere taalgebruik is Brassinga in staat het geheim van een vrijwel onverwoordbare smart te benaderen. In andere gedichten is ze dan weer hoogst burlesk. Ook speelt soms een opmerkelijke zelfkastijding een rol. In het gedicht 'Wadloper en meeuw' beschrijft ze hoe de hoofdpersoon als een boeteling moet lijden en brak water moet drinken om de einder te bereiken. Met die thematiek toont ze zich verwant met de grote middeleeuwse dichters.

Somber of extatisch, nooit zijn het slappe of voor de hand liggende emoties die Brassinga oproept. Integendeel, het gaat steeds op het scherpst van de snede. Criticus-dichter en geestverwant Piet Gerbrandy schreef: 'In het heelal van Brassinga heeft alles met alles te maken, want in alle processen die wij kunnen waarnemen, blijken steeds dezelfde krachten aan het werk te zijn: bloei en seksualiteit, dood en verrotting, en wedergeboorte in een andere gedaante.'

De poëtische oerkrachten die ze oproept maken haar tot een unieke, met niemand te vergelijken verschijning in de Nederlandse dichtkunst van nu die na de Constantijn Huygens-prijs voor haar hele oeuvre in 2008 nu terecht de hoogste literaire prijs in Nederland krijgt toebedeeld.

undefined

Roeping

Fluit er een merel, dan voel ik geluk.

Fluit er een merel ten hemel schreiend mooi

in China terwijl ik niet in China ben;

heeft naar verluidt men hier ter stede merels

ook gehoord in het blauwe schemeruur

van 3 Februarij 1603; zal, naar verwacht mag

over zes weken, in mijn tuin hun lied weer

klinken: stel dat ik al op weg zal zijn

gegaan naar China, of het onbekende

voorbij de grens van mijn bestaan - hoe nu hier

leven zonder geluk? Op eigen kracht te horen

wat de merel zo vaak zong, het moet

volstaan. De oren toegestopt, in stilte,

denk ik dag in dag uit mij in dat ik

die ene ben en steeds een ander,

die urenlang of even maar en waar ook maar

door de eeuwen heen geluk heeft en de merel hoort.

Dan vangt in mij misschien het zingen aan

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden