Taal als poort naar jou naaste self

Een mens kan dichter worden zonder het officieel te zijn, ontdekt Jan Oegema bij lezing van de gedichten van Antjie Krog. Ver weg van hoogliteraire ambities gaat het om een diep geloof in taal en in de mens, blijkt uit haar poëzie.

Jan Oegema (1963) is uitgever. Hij publiceerde in 2011 'De stille stem. Niet weten als levenshouding'. Vorige maand verscheen van hem 'Lichaamsziel. Een retraite in rouw'.

De Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog (1946) is een fenomeen. Bekend anti-apartheidsactiviste, behorend tot de intellectuele intimi van bisschop Desmond Tutu, twee jaar lang nauw betrokken bij het werk van de Waarheids- en Verzoeningscommissie, een gedreven vertolker van de ubuntu-filosofie: ze is een moreel baken. Krog heeft het soort autoriteit dat elke vraag naar God of geloof doet verstommen, zij behoort tot het zeldzame soort mensen dat zélf geloof wekt - geloof in de toekomst van de mens.

Tutu doet precies datzelfde bij haar. Hij is christelijk, zij niet meer, maar dat is hier irrelevant. Menselijke grootheid is een groot mysterie, geen enkele religie of ideologie die het kan claimen of verklaren.

Geloof in de mens hangt bij Krog samen met haar geloof in taal. Indirect komt dat tot uitdrukking in een gedicht uit 2000, 'Dichter wordende'.

om op een ochtend wakker te worden midden in klank

met vocaal en klinker en diftong als voelspriet

om met aarzelende zorg de lichtste beroering

van licht en verlies in klank te ijken

om jezelf onmiddellijk geknield te vinden

boven de hoorbaar kloppende wand

van een woord - zoekend naar het precieze

ogenblik waarop een versregel volloopt in klank

wanneer de betekenis van een woord zwicht,

begint te glijden en zich eindelijk overgeeft aan geluid

van dat ogenblik af smacht het bloed naar de incantatie

van taal - de enige waarheid staat geveld in klank

de dichter dicht met haar tong

zij haalt adem - ja, diep uit haar oor

Wat hoor ik als ik het gedicht hoor? Laat me eerst vertellen wat ik hoorde bij mijn kennismaking met dit gedicht. Ik dacht een gedicht te lezen zoals er in de westerse poëzie zo vele geschreven zijn, een gedicht van een dichter over het maken van gedichten.

Toch is dit niet het gedicht van zo maar een dichter... het is het gedicht van een vrouw. De signalen daarvan beginnen in de tweede strofe, die hoorbaar kloppende wand, het gedicht prikkelt me te denken dat een dichter naar het nog ongeboren woord luistert als een moeder naar een nog ongeboren kind. Zodra die gedachte postvat lees ik als vanzelf de volgende strofe in het verlengde daarvan, de strofe van het glijden, het bloed, de overgave: opnieuw signalen van vrouwelijke seksualiteit en vruchtbaarheid. Het gedicht duwt me zo met zachte maar besliste hand uit de hoegenaamd neutrale westerse literatuurcode die vermoedelijk dieper in me zit dan me lief is, het duwt me een heel andere mindset binnen, die van een mondiaal baarmoederschap, een sacraliteit gevoed door een diepe eerbied en een gezamenlijk verantwoordelijkheid voor het leven op deze planeet.

Sacraliteit? Ik gebruik die term vanwege het knielen aan het begin van de tweede strofe, ik beeld me in dat een mannelijke dichter niet snel op zo'n beeld zou komen.

Zo ongeveer las ik het gedicht dat me raakte door Krogs vertrouwen in diepte. Daniel Dennett, filosoof en verklaard atheïst, verwijt de religieuze en spirituele wereld haar hang naar deepity, het opblazen van evidenties tot wijsheden vergezeld van het adjectief 'diep'. Die kritiek vind ik terecht; in veruit de meeste gevallen is het beter dat 'diep' te vermijden. Maar hier ben ik er blij mee, het legt mij als man intelligent het zwijgen op. Ik citeer nog een keer de slotregels, met daarin twee keer het voornaamwoord 'haar' - haar tong, haar oor.

de dichter dicht met haar tong

zij haalt adem - ja, diep uit haar oor

Dit gedicht maakt van elke dichter een vrouw, en dat niet vanuit een emancipatiegedachte of parmantige genderpolitiek. Ook ik - man - word vrouw zodra ik zo zou dichten.

Alleen: ik ben geen dichter. Wel herken ik de ethiek waarvan het gedicht getuigt, maar het gaat toch in eerste instantie over het schrijven van gedichten, en dat doe ik niet. Tot ik begreep dat je het gedicht behalve als een indirecte uitnodiging tot vrouwwording (overigens ook gericht aan vrouwen) evengoed kunt lezen als een indirecte uitnodiging tot dichterwording. Vrouw worden om dichter te worden - in die volgorde.

Het diepe spreken waar Antjie Krog op doelt, dat mijn eigen existentie verbindt met in beginsel elke andere existentie, dát spreken is misschien niet geheel voorbehouden aan dichters (v/m). Zij kunnen het benoemen en voordoen, ik kan hen daarin trachten te volgen. Onbeholpen misschien, maar wel met het feilloze criterium aangedragen door dit gedicht: dat de waarheid uitgesproken wordt in klank.

Geen dichter zijn en toch dichter worden: het kan, durf ik dankzij Krog te denken. En dat niet alleen dankzij het gedicht hierboven. Literatuur dient voor haar een therapeutisch doel van menswording, zeker sinds zij van 1995 tot 1997 als radioverslaggeefster betrokken was bij het werk van de Waarheids- en Verzoeningscommissie. Die stond onder leiding van Desmond Tutu, een man die ze hogelijk bewondert en in wie voor haar 'de mensheid' verschijnt - zo zegt ze dat. In zijn aanwezigheid ervaart ze 'de mensheid zoals die bedoeld is'.

Die aanhankelijkheidsverklaring is in haar geval bijzonder, omdat ze met het klimmen der jaren nadrukkelijker zwijgt over haar christelijke wortels. Haar vroegere geloof heeft plaats moeten maken voor de inheems-Afrikaanse ubuntu-gedachte, de idee dat elk mens deel uitmaakt van een groter geheel en verantwoordelijk is voor dat grotere

geheel. Sympathie voor die gedachte speelt zeker mee in haar bewondering voor Tutu, voor haar een ubuntu-held in een paarse jurk. Maar haar bewondering wordt evenzeer gaande gehouden door zijn taal, door zijn vermogen om zelfs tegenover een verhit en verdeeld gehoor de juiste woorden te vinden en eenheid te brengen.

Tutu dankt dat vermogen aan een groot talent voor dichterwording, zo kun je afleiden uit 'De kleur van je hart', Krogs verslag uit 1998 over de Waarheids- en Verzoeningscommissie. "Welke rol anderen ook spelen, [voorzitter] Tutu is het kompas. Hij leidt ons op verschillende manieren waarvan taal de belangrijkste is. Hij is het die de taal vindt voor wat er gebeurt. En dat is niet de taal van de officiële verklaringen, nieuwsberichten en bekendmakingen. Het is de taal die omhoogschiet als vuur en afkomstig is uit een visie waarheen we moeten gaan, en uit een inzicht waar we nu staan. En het is de taal die anderen door het proces heen sleept."

Taal die omhoogschiet als vuur: voor Krog is Tutu een niet-dichter die als geen ander vertrouwd is met dichterwording. Ik denk dat ze 'Dichter wordende' niet had kunnen schrijven zonder haar kennismaking met Tutu.

Wat niet wil zeggen dat ze door Tutu is omgeturnd tot een argeloze humaniste of ubuntu-aanhanger. Daarvoor heeft ze teveel gezien, te lang geleefd in een regio geteisterd door openlijke terreur (en taalterreur). Krog is en blijft in de eerste plaats dichter, mét die ongemakkelijkheid om woorden waarmee elke dichter dagelijks te stellen heeft. 'Ik ben de zwendelaar van het woord', kun je haar horen verklaren, want ze beseft maar al te goed dat met mooie woorden alles te koop is. Zelfspot, creatieve walging, gevoelens van falen en onmacht, opstandige ironie: bij Krog stuit je op al die welbekende symptomen van hoge taalgevoeligheid.

In haar geval komen die voort uit een hoge achting van taal. Sterker nog, ze gaan samen met een groeiend geloof in het verbindend en helend vermogen van taal. En dan in het bijzonder van poëzie. Die is in staat om licht te brengen, suggereert ze in een ander gedicht uit 2000. Hieronder een fragment uit dat gedicht, negen regels die opnieuw herinneren aan het 'vuur' van Tutu.

ik denk niet, ik zing

ik ben de dichter van de stilte

ik zwerf achter het woord aan

zwendelaar ben ik van het woord

poëzie houdt zich bezig met licht

of niet soms? het moet gloeien aan de binnenkant

poëzie begint wanneer klank om licht gevouwen wordt

waardoor je geopend leeft

en volledig toegang hebt tot je dichtstbijzijnde ik

Negen regels en je gaat door een achtbaan. Eerst vier of vijf positiebepalingen, dan een gedachtegang over poëzie en licht. Het fragment begint met een afwijzing van denken, toch is dit poëzie van een denkende dichter. Alleen is het doel van dit dichterlijke denken een ronduit spiritueel doel, op zich al opmerkelijk na ruim een eeuw voortdenderende secularisatie en aanhoudende taalscepsis. Doel van het dichten is een bepaalde manier van leven, geopend leven, met als richtpunt een ideaal dat geen enkele trendgevoelige filosoof voor zijn rekening zou durven nemen: toegang krijgen tot je dichtstbijzijnde ik. 'Jou naaste self', staat er in het Afrikaans.

Wat heeft een dichter nodig om een dergelijke toegang te vinden? En wat moet ik als niet-dichter daarvoor doen? Je openstellen voor poëzie, lijkt Krog te zeggen, maar dat is natuurlijk slechts het begin. Ze mag dan een hypergetalenteerd dichter zijn, ze wéét niet hoe poëzie werkt, hoe het binnenin gaat gloeien. Het gebeurt door woorden, precies gekozen woorden die een indruk van 'onpreciesheid' wekken. Zoals in bovenstaand fragment 'houdt zich bezig met', 'begint met' en het zwevende 'het' in 'het moet gloeien aan de binnenkant - formuleringen die opvallen door hun onduidelijkheid. Krog gebruikt ze met opzet, dat kan niet anders. En dan is er ook nog die gekke vraag tussendoor, 'of niet soms?', waarmee ze op een geraffineerde manier onzekerheid schept over haar zekerheden.

Dát is Antjie Krogs magie, althans een belangrijk ingrediënt daarvan, haar zelfironie. Met al haar vakmanschap en routine tast ze in het duister over het geheim van haar vak, eigenlijk komt ze niet zoveel verder dan dat poëzie iets kan laten gebeuren, en dat in de eerste plaats door zoiets irrationeels en oncontroleerbaars als geloof, in dit geval geloof in taal die licht opneemt, licht uitzendt. Maar wat voor taal dat mag zijn? Aan welke voorwaarden die voldoet?

Ik weet het niet. Krog lezende lijkt dichterwording me een tamelijk ongrijpbaar fenomeen, het laat zich niet vastpinnen op genres, richtlijnen, beroepsgroepen. Er zijn omstandigheden denkbaar waarin zelfs een polemiek of een ambtelijk beleidsstuk het licht laat schijnen. Hoe dus dichterwording te omschrijven?

Misschien zo: als verkeren op het snijvlak van inkeer en lichamelijkheid, verantwoordelijk en met aandacht voor taalgebruik. Een wijze van communiceren die niet automatisch samenvalt met hoogliteraire poëzie. Ze kan overal optreden, waarbij ze niet zelden protesteert tegen gewelduitoefening - stigmatisering, buitensluiting en agressief gedrag.

Vergis ik me niet, dan is de niet-dichtende en liever biddende Tutu voor Krog een levend voorbeeld daarvan. Wat mij betreft is Antjie Krog dat evenzeer en geven haar poëzie en biografie opnieuw aanleiding om dichter-zijn niet te beperken tot officieel dichterschap. Ik zeg 'opnieuw', want lang geleden vonden de romantici dat al. Wat een ommekeer zou het zijn, ook in de literaire wereld, wanneer haar geloof in taal tot voorbeeld zou worden en de breed levende taalgeloofsangst zou helpen relativeren.

'Waarover we niet kunnen spreken, moeten we zwijgen,' noteerde de strenge Wittgenstein omstreeks 1916. Dankzij Krog kunnen we anno 2016 weer ademhalen. Diep uit ons aller, meest vrouwelijke oor. 'Dichter wordende' is niet minder dan een culturele mijlpaal.

Dit essay is een bewerking van een hoofdstuk uit het vandaag verschenen

Jan Oegema: Diep uit het oor. Taal en poëzie in de retraites van het Open klooster.



Vantilt, 96 blz.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden