't Liedje van Triene

Acht auteurs geven deze zomer antwoord op de volgende belangwekkende vragen: Zo plotseling, wie had dat gedacht? Wat zeg ik tegen de kapper als hij vraagt: Hoe wilt u het? Is het strijken van een overhemd een kunst? Wat is het verschil tussen juli en augustus? Sandalen? Dat wordt lastig. Wat deed ik op 16 mei 1973? Hoe koop ik een hoed? Wat weet de rivier hiervan en wat de boom?

Martin Reints

A'j nooit van de Linge in de Betuw geheurd hadt, dan zou'j op 't heele ding geen arg hebben, zoo'n onneuzel schoap van `en ding as 't is.

Zo opende ooit een van de allerpopulairste schrijvers die Nederland heeft gekend een van zijn allerpopulairste verhalen. A'j nooit van `em geheurd hebt: de verteller is Jacob Jan Cremer. Hij leefde van 1827 tot 1880 en hij verwierf mateloze roem met zijn Betuwsche en zijn Overbetuwsche novellen. Cremer schreef de twee bundels dorpsvertellingen tussen 1852 en 1877. Het bekendst werd het verhaal 't Kriekende kriekske: zo bekend, dat de toen in Den Haag wonende schrijver fanmail ontving die enkel was geadresseerd met 't Kriekende Kriekske in 's- Gravenhage.

Een zo vergeten schrijver, die zulke roem heeft gekend. Zijn roem had hij te danken aan drie dingen. In de eerste plaats het onderwerp van zijn novellen: hij verheerlijkte het deugdelijke leven van eenvoudige plattelandsmensen, zoals Conscience dat in Vlaanderen deed. De spanning van de verhalen ontstaat steeds doordat een van de personages in één opzicht niet deugt. Hij is bijvoorbeeld lui, of gierig, of vraatzuchtig. Zulke onvolmaaktheid leidt steevast tot een kleine ramp die de landelijke vrede verstoort. Dat biedt de verteller de kans die landelijke vrede breed uit te meten, en er tegelijk een onweerspreekbare moraal in te stoppen.

In de tweede plaats was Cremer geliefd omdat hij de landelijkheid dichtbij wist te brengen met een zelfbedacht dialect. Had hij echt geprobeerd de uitspraak en de uitdrukkingen van zijn favoriete Nederlanders te noteren, dan was zijn werk misschien wel onleesbaar geweest. Dat eigen, Betuwiserende dialect strooide hij als afwisseling door zijn verhalen heen. A'j nou denkt dat'ie allinnig 't dialect gebruukte as de minsen oan 't proaten woaren – dan ha'j 't mis. Het was gewoon: nu een stukje dialect, dan weer een stukje Algemeen Beschaafd. Zoals hij ook de ene alinea in de verleden tijd schreef, en in de volgende zonder aanleiding overstapt op de tegenwoordige tijd.

De derde bron van zijn roem was zijn voordrachtskunst. Want Cremer las voor in zaaltjes door het hele land. Dat moet hij zo goed hebben gedaan dat hij er honoraria voor kon bedingen waar in onze tijd nog menig schrijver wel een avondje voor zou komen – en ik bedoel dan: zonder inflatiecorrectie. Cremer gaf ieder personage zijn eigen stem. Hij fluisterde en hij bulderde. Als er in zijn verhaal een lied werd gezongen dan zong hij ook echt. En was dat toevallig een slaaplied, dan wiegde hij in zijn armen een denkbeeldige zuigeling, met een tederheid die het publiek de ogen vochtig maakte. Het was lang voor de televisie – `The bold and the beautiful' en `As the world turns' moesten nog worden uitgevonden.

Meister ien't school leert oan de kienders, dat 'et 'en revier is, die van 't Oost noar 't West krek midden deur de Betuw geet; moar – as nou de Linge 'en revier is, wat motten dan de Rien en de Woal wel wezen die de heele Betuw ien d'r erms houwen, wat blief!

A'j meint dat ie van de bargen komt, zooas meister zeit dat de revier' doen, dan bi'j krek van de wies; 't schoap van 'en ding is van lege komaf. Bij 't ouwe kastelje Doorenburg of uut den hoek van Gend, doar mot ie zoowat uit de Weterings kommen, en nuumt ze hum, ook nog 'en heel eind wiejer, niks meer as de Weteringse wal.

Ik schrijf hier de eerste alinea's over van 'Oan 't kleine Revierke', een Overbetuwsche novelle uit 1865. De industriële revolutie was op gang gekomen. Zojuist had een liberaal kabinet de in- en uitvoerrechten opgeheven, de zeevisserij was vrijgegeven, de overheidsbemoeienis met de textiel werd langzamerhand stopgezet, de bakkers mochten zelf gaan bepalen hoe duur ze hun brood verkochten en de rentevoet kwam vrij. Vijf jaar eerder was de Max Havelaar van Multatuli verschenen, twee jaar later zou HaverSchmidt de Snikken en Grimlachjes van Piet Paaltjens publiceren.

Ge kunt er krek van zeggen wa'j wilt, vervolgt Cremer zijn schets van de Linge, moar toch, toch is 't 'en oarig dingske. Zoo zuutjes heer slemiert ie moar vort, krek as 'en oal op 't dreuge, en, as ie proaten kos, jong mins! wat zou ie oe veul van de Betuw vertellen. Het kleine riviertje. Het stelt haast niets voor, zeker niet als je het vergelijkt met de Waal en de Rijn, maar toch! Als het riviertje eens praten kon!

En dan gebeurt het wonder. Want – a'j goed luustert – begint het riviertje bij Cremer te spreken. Joa, as ie zoo stillekes vortkruupt, en kabbelt en knabbelt oan zien boord, dan smuuspelt ie toch zuutjes tegen 't lies dat hum groet, en fluustert ie heel wat oarigs. Het riviertje vindt het wel mooi, dat land waar het doorheen kronkelt. De vette klei, de haver, het koolzaad, de fleurige hofsteden, de sterke paarden – en de mansluu wat zin ze kloek; joa kloek, a'j moar ziet hoe ze gunder met vierspan de zwoare klei oan 't houwen zin, krek asof 't deur de botter goeng. En van de mansluu komt de Linge vanzelf te spreken over de vrouwluu: knap slag van vrouwvolk! En de dernjes ...? Ja, over de deernen is de Linge wel zeer te spreken! Want die komen dagelijks met hun hoofd boven het water staan om te vragen hoe ze eruitzien, en het kleine riviertje kan toch niet anders dan in het lis smuuspelen: heel aardig.

En hier plaatst Cremer de aanvang van het drama: 't is te begriepen dat ie niet altied gern ziet wat er umgeet ien de Betuw. Of 't niet al arg genoeg is, dat ie – aan gundsen kant van 't brugske woarover de landweg geet '-ien kalmen vloed dat lillike huuske spiegelen mot. `In den reizenden man', is er uutgehangen, moar, as ie wilt weten wat toal oe die reizende man soms kan proaten, dan mo'j ien den oavend, heel loat, moar is luustere kommen.

Maar vanmorgen hoort de Linge niks lelijks, want de herberg is nog niet open. Hij stroomt vriendelijk voort, langs het Putterserf, waar Triene iedere ochtend op een plankiertje aan zijn oever de roomtesten boent: 't blozendste kopke dat ie weerkoatste is 't kopke van Triene, en 't helderste liedje dat ie ooit heurde is 't liedje van Triene. En in het voortstromen fluistert de Linge haar een goedemorgen toe.

Kom daar nog eens om in onze tijd! Een rivier die het erg vindt dat hij een herberg moet spiegelen, en die geniet als hij een boerenmeid ziet die zijn water gebruikt om de emmers mee te boenen.

Eigenlijk gaat 'Oan 't kleine Revierke' over een luie boerenknecht – een thema waarop ook in de zeepseries van onze tijd nog steeds wordt gevarieerd. Gebrek aan vlijt leidt tot moeilijkheden – daar wordt al eeuwenlang entertainment van gemaakt. Het is niet het gegeven dat 'Oan 't kleine Revierke' het overpeinzen waard maakt. Het gaat me hier om de manier waarop het decor wordt neergezet in deze wonderlijke openingsscène. Zo oubollig als de tekst ook is, hij boeit me. En ik vraag me al jaren af waar hem dat precies in zit.

Zo'n landschap, gezien en becommentarieerd door een rivier. De Linge, 96 kilometer bochtig water met een verval van 11 meter – je kunt het je in ons platte land niet eens voorstellen. Die nog altijd prachtige rivier, belangrijk recreatiewater in onze tijd, wordt hier opgevoerd als een klassieke stroomgod. Maar een stroomgod zo goedmoedig als alleen in de Nederlandse negentiende eeuw kon worden bedacht. En dan geplaatst in iets wat herinnert aan de middeleeuwse Natureingang en de zeventiende-eeuwse pastorale.

Twee jaar eerder, in 1863, had Jacob Cremer zijn populariteit aangewend om de aandacht te vestigen op misstanden in de Leidse wolfabrieken. Zijn verhaal `Fabriekskinderen' ('een bede, doch niet om geld') was de aanzet tot het verbod op kinderarbeid, dat sinds 1874 geldt. `Fabriekskinderen' behoort daarmee tot de weinige Nederlandse literatuur die invloed heeft gehad op het maatschappelijk bestel. En ook dit bewogen verhaal verbaast met overvloed van zinnen als 'Zie, een steenen vinger, hoog zich verheffend boven de daken, hij wenkt uit de verte'. Een fabrieksschoorsteen, voorgesteld als een stenen vinger die de kinderen 's ochtends maant dat ze op moeten schieten! Het is net zo vreemd in onze ogen als een rivier die moppert over de herberg waar hij langs stroomt.

Wat is dit toch voor verschijnsel? Je komt het niet alleen bij Cremer tegen, en niet alleen in zijn tijd. Het is ook niet per se oubollig. Neem de recitatieven en de aria's van Bachs Cantate 206 uit 1734:

Schleicht, spielende Wellen. Hier zijn achtereenvolgens de Weichsel, de Elbe, de Donau en de Pleisse aan het woord. Vier rivieren die de lof zingen van August III: een bas, een tenor, een alt en een sopraan. Maar ook Bordewijks 'Knorrende beesten' staat in deze traditie, met zijn als dieren voorgestelde automobielen. De ultrakorte 'roman van een parkeerseizoen' uit 1933 staat vol passages als: 'In een rustige kudde stonden zij naast elkaar. Zij sloten de kleine parkeerogen. Zij sliepen, gelijk de kleine beesten.' En uit onze eigen tijd stamt de 'Ballade over de voetpaden in Vastmanland' van Lars Gustafsson. In deze ballade hebben de oude voetpaden een wil en een geheugen:

(...) Jij loopt naar het oosten, het kompas wijst halsstarrig naar het oosten, / het voetpad volgt trouw het kompas, als een streep, / alles is in orde, dan buigt het pad naar het noorden. / In het noorden is niets. Wat wil het pad nu? / Al snel komen we bij een reusachtig moeras, en het pad wist dat. / Het voert ons eromheen, met de zekerheid van iemand / die het vaker heeft meegemaakt. Het weet waar het moeras ligt, / het weet waar de berg al te steil wordt, het weet / wat degene overkomt die noordwaarts in plaats van / zuidwaarts rond het meer gaat. Het heeft dat alles / zovele keren eerder gedaan. Dat nu juist betekent het / een voetpad te zijn. Dat het eerder is gedaan. (...)

(vertaling J. Bernlef)

Ik denk dat dit soort metaforiek, deze vergaande vorm van personificatie, een uitloper is van het animisme. 'Animisme' werd als begrip in de godsdienstwetenschap ingevoerd in 1867. Dat is twee jaar nadat Cremer 'Oan 't kleine Revierke' schreef – een bijgelovige zou roepen: dat kan geen toeval zijn.

Bomen, bergen, rivieren en zeeën zijn volgens de primitief genoemde visie bezield. `Wat nu een mensch, een boom, een rivier doet, doet zijn ziel in hem' lees ik in een oude encyclopedie. Het is een kijk op de dingen waar wij ons ver van verwijderd voelen. Maar hoe primitief is dit denken eigenlijk?

Ons vallen de sprekende rivieren van Bach en Cremer en de knorrende automobielen van Bordewijk op. Maar ons dagelijkse taalgebruik is van dit animisme doortrokken. In lelijke gemeenplaatsen als `dat vraagt een nadere uitleg' en `als dit artikel één ding wil benadrukken, ...' Maar ook in simpele opmerkingen als `we hebben gunstige wind', `het wil vandaag niet lukken', `het belooft een mooi feest te worden' en `de onderhandelingen zijn vastgelopen'. Je hoeft er maar even bij stil te staan, en je bent weer als een kind dat – terecht – denkt: kan dat? Kan wind gunstig zijn? Kan iets willen lukken?

En als hier inderdaad een restant van animisme in schuilt, wat is er dan niet-animistisch aan om bijvoorbeeld te zeggen `De wind staat goed', `het lukt vandaag niet', `het wordt een mooi feest'? Schuilt er ook geen rest van animisme in: `Zulke onvolmaaktheid leidt steevast tot een kleine ramp'? En in: `Dat biedt de verteller de kans die landelijke vrede breed uit te meten'? En in: `De industriële revolutie was op gang gekomen?'

Het is een malle vraag die mij onlangs werd gesteld: Wat weet de rivier hiervan en wat de boom? Maar hij is misschien niet maller dan veel van wat we zeggen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden