't Is plicht, dat iedere jongen Jan Wap kent.

't Is plicht, dat iedere jongen Jan Wap kent

Drie weken geleden werden in dit O. O. (derde jaargang nr. 30) onder het opschrift 'De doctoren van de paus' twee roomskatholieke landgenoten genoemd, die in de vorige eeuw in Rome de doctorsgraad hebben verworven, zij het dan niet aan de 'Gregoriana', de pauselijke universiteit, maar aan de 'Sapienza', zeg maar de Universiteit van Rome. De een was de 'priester, politicus en letterkundige' H. J. A. M. Schaepman (Tubbergen 1844 - Rome 1903) die sinds 1869 door zijn volgelingen, maar ook door zijn politieke en kerkelijke tegenstrevers, steevast met zijn doctorstitel is aangeduid. De ander was de 'letterkundige' J. J. F. Wap (Rotterdam 1806 - Delft 1880) die al sinds 1837 op deze titel heeft kunnen bogen - en er zich sindsdien graag op heeft voorgestaan.

Eerstgenoemde is nog voor velen in den lande een begrip, al is het enkel omdat tal van mensen in een Schaepmanstraat of laan, ofwel aan een Schaepmanplein, plantsoen, -singel, -weg of -kade, of zelfs op een Schaepmanborch wonen. Van Alblasserdam tot Zwijndrecht vond men (zo leert het postcodeboek) in 1978, welgeteld, 146 van deze straatnamen; daar zijn er (blijkens het supplement van 1991) sindsdien nog elf bijgekomen.

Iets meer dan de helft van deze benamingen is door de doctorstitel opgeluisterd. Daarbij komen nog drie gevallen waarin Schaepman als monseigneur wordt betiteld (voor wie weten wil waar hij aldus geeerd wordt: dat is in Dongen en Rijen in Brabant, en in Zutphen). Die waardigheid had hij - uit de aard der zaak - wel aan de paus te danken, namelijk toen deze hem tot zijn geheim kamerheer had benoemd.

Wap

Vergeleken met Schaepman is aan diens oudere geloofsgenoot Wap op dit stuk slechts gering eerbetoon ten deel gevallen. Wap is namelijk, als ik het goed heb, maar eenmaal vernoemd: niet (dit in tegenstelling tot Schaepman) in zijn geboorteplaats, i. c. Rotterdam; ook niet in de stad waar hij gedurende twaalf jaar zijn voornaamste openbare functie heeft vervuld, i. c. Breda; wel in een van de andere steden waar hij nadien ambteloos woonachtig is geweest en zich hoofdzakelijk op de beoefening van de letterkunde heeft toegelegd, i. c. Den Haag.

Treft men dr. Schaepmans straatnaam veelal aan in de buurt van andere staatslieden zoals De Savornin Lohman, Kuyper en Troelstra; dr. Waps naam leeft enkel voort temidden van negentiende en vroeg-twintigste eeuwse letterkundigen zoals Goeverneur, Alberdingk Thijm en Gezelle. Gedoeld wordt op de Jan Wapstraat in de Haagse Spoorwijk en het aangrenzende Laakkwartier.

Nu biedt onze straatnaamgeving dankzij de hierin opgetreden (en optredende) plaats- en tijdbepaalde keuzen wel dikwijls een dankbaar gespreksonderwerp - en dat geldt niet alleen voor ons land. Zij vormt echter, als het om persoonsnamen gaat, in veel gevallen zeker geen betrouwbare graadmeter voor de maatschappelijke, wetenschappelijke of andere betekenis die de vernoemde persoonlijkheden in hun tijd hebben gehad. Dat geldt ook voor de naamsbekendheid van dr. Wap. Die moet in zijn tijd niet gering zijn geweest: Wap werd in brede kringen bewonderd maar in andere verguisd. Dat kan trouwens ook van de illustere Schaepman worden gezegd.

'Slechte smaak'

Hier dan een paar opmerkingen over Waps leven en werken. Ik kan hier niet zo diep graven als de gezaghebbende Nijmeegse historicus Rogier in het Rotterdams Jaarboekje van 1957. Op diens welgedocumenteerde artikel is overigens prompt door een nazaat van Wap in De Maasbode een verontwaardigd commentaar geleverd waarin Rogier onder meer van 'zeer slechte smaak' werd beticht.

Bij mijn weten heeft de laatste zich niet verwaardigd op deze aantijgingen te reageren. Ik houd me aan de voorzichtige kant en laat controversiele kwesties als Waps betrekkingen met het koningshuis en zijn kerkelijke denkbeelden en journalistieke activiteiten buiten beschouwing. Om nog een keertje naar Schaepman te verwijzen: diens inzichten hebben in de loop der jaren ook verandering ondergaan en zijn ook omstreden geweest.

Wap heeft een paar jaar onderwijs genoten in Leiden, in welke tijd hij een vurige bewondering voor Willem Bilderdijk heeft opgevat (hij zou in 1831 diens begrafenis bekostigen). Hij heeft daarna, van 1824 tot 1826, in Gent gestudeerd, in welke tijd zijn GrootNederlandse overtuiging is ontloken.

Tweede Klasse

Na een korte werkzaamheid op het departement van de rooms-katholieke eredienst in Den Haag en Brussel, werd hij bij de instelling in 1828 van de Koninklijke Militaire Akademie in het toenmaals zeer centraal gelegen Breda benoemd tot 'Leeraar der Tweede Klasse' in de Nederlandse taal- en letterkunde, de aardrijkskunde en de geschiedenis. Nadat de Akademie in 1830 ten gevolge van de Belgische omwenteling tijdelijk was opgeheven, is Wap tot 1836 werkzaam geweest bij het Plaatselijk Kommandement der vesting Breda. De Almanak van de KMA van 1838 noemt hem 'Phil. Theor. et Litt. Hum. Cand., en Lid van de Universiteit La Sapienza te Rome.'

Om welke redenen ook, Wap is in 1839 op wachtgeld gesteld en in 1840 eervol ontslagen. Nadien heeft hij geen vaste bezoldigde functie meer bekleed; hij heeft verder geleefd van een jaargeld, hem toegekend door koning Willem II, en van wat zijn snelle pen opleverde. Hij schijnt daar uiterlijk niet onder gebukt te zijn gegaan, gezien zijn veelvuldige optredens in uiteenlopende kringen, zelfs bij de herdenking van het veertigjarig bestaan van de KMA.

Afgaande op tijdgenoten moet hij een kleurrijke persoonlijkheid zijn geweest, strijdvaardig en impulsief, en niet gespeend van gevoel van eigenwaarde. Zoals de bejaarde Haagse journalist Haaxman nog in het jaarboekje Die Haghe van 1928-1929 bij het - hierbij gereproduceerde - portret kon getuigen: "Dr. Wap kon bij al zijn vlugheid van geest, zeer statig en deftig zijn. Men behoeft er zijn portret maar op aan te zien en dat gelaat met de schalksche oogen achter den bril aan te vullen met zijn verdere figuur, veeltijds gehuld in een wijden manteljas, om U Wap voor te stellen als de tijdgenoot van Bilderdijk en Da Costa."

Marschlied

Wap heeft in die veertig jaren ontzettend veel geschreven en vooral gedicht, waaronder tal van hoogdravende feestcantates en koorgezangen. Er mag dan wel gezegd zijn dat Wap als dichter niet groter was dan zijn naam, zijn rijke teksten, dikwijls doortrokken van vaderlandsliefde en koningsgezindheid, hebben bij zijn leven tallozen aangesproken. Verreweg de meeste van die liederen zijn intussen vergeten. Een ervan leeft echter nog voort. Hoeveel lezers zullen niet, net als ik, zijn 'Marschlied' hebben leren zingen, ooit op muziek gezet door C. A. Brandts Buys en opgedragen aan de 'Jongelingsvereenigingen tot Vrijwillige Oefening in den Wapenhandel'? Ik doel op:

't Is plicht, dat ied're jongen

Aan d'onafhankelijkheid

Van zijn geliefde Vaderland

zijn beste krachten wijdt!

(Enz.)

Mijn rondvraag onder familieleden en bekenden wees uit dat het lied - dat 'ferm' gebracht moet worden - nog op of bij menige piano te vinden is in de bundel 'Kun je nog zingen zing dan mee'; ook nog in de jongste, de 41e, druk van 1986. Die rondvraag leerde me tevens dat er enkele afwijkende versies in omloop zijn. Een zegsman begon met "'t Is plicht dat ied're jongen, zijn eigen meisje zoent." Hoe het vers verder ging, was hem tot zijn spijt en mijn teleurstelling ontschoten.

Volgens een zegsvrouwe moet tijdens een aubade op Koninginnedag in Culemborg geklonken hebben: "'t Is plicht dat ied're jongen, en ook dat ied're meid, aan zijn / haar geliefde vaderland zijn / haar beste krachten wijdt!"

Een soort oprotpremie in natura

De discussie over de plaats van en de omgang met allochtonen wordt in Nederland gaarne opgesierd met verwijzingen naar ons verleden als buitengewoon gastvrije gemeenschap. Als je nergens terecht kon, dan moest je te Holland zijn, daar werd je met open armen ontvangen. Moet deze fraaie erfenis te grabbel worden gegooid nu we met allerlei problemen kampen? Moeten we ze tot aanpassing dwingen of hadden we daar altijd al zeer liberale gedachten over?

Dan is het goed dat er boeken verschijnen als 'Een troostrijk woord is der armen spijs', de kortelings als nummer 17 verschenen aflevering van het 'Historisch Jaarboek voor Zuid- en Noord-Beveland', van A. J. Barth en drs. A. L. Kort. Alles is relatief, zeker als het over vreemdelingen gaat, dat kunnen we in elk geval leren van deze geschiedenis door de eeuwen heen van de armenzorg, het weeshuis, het oudemanhuis en het gasthuis te Goes.

Nemen we de sociaal-rechercheur van heden, die zijn voorganger had in de 'controleur-armbezoeker' die in de jaren dertig te Goes zijn ronde deed. Vanwege de crisis nam in die periode het aantal armen, die je toen nog zo kon noemen, aanmerkelijk toe. Tot dat tijdsgewricht kon het armbestuur het toezicht zelf nog wel af, maar de explosieve groei van het aantal probleemgevallen, maakte de aanstelling van een specialist noodzakelijk, "om de verdiensten van armlastigen na te gaan en deze bij werkgevers te controleren, tegen vergoeding van loon" .

Gehaat

Het dient Goes nagegeven te worden, men stond niet te springen bij deze gedachte. Mede omdat voorzien werd dat de controleur-armbezoeker bij het vervullen van zijn betrekking "in een gemeente als Goes, zo iemand zeker zeer gehaat maakt" . Maar de controle kon ook niet aan de politie uitbesteed worden, en mocht ook niet gebaseerd zijn op verklikken, want dat vond het gemeentebestuur 'immoreel en verre van deugdelijk'.

De controleur-armbezoeker diende dus ter controle de armen te bezoeken. Voorts moest hij nagaan hoe het er met hun verdiensten voor stond. En het kon ook geen kwaad indien hij regelmatig surveillancewerkzaamheden verrichtte in de buurt van "cafe's, bioscopen, biljartwedstrijden, dansgelegenheden, winkels waar zogenaamde 'lekkernijen worden verkocht', enz." .

Van het tellen van tandenborstels was nog geen sprake. Dat moet ermee te maken hebben gehad dat de tandenborstel nog geen gemeengoed was onder mensen die van de bijstand moesten leven. Van het tellen der kinderen des te meer. Bij de familie G. de P. werd door de eerste controleur-armenbezoeker, de in 1936 dank zij een rijkssubsidie aangestelde A. J. Kloote, in 1939 nog vastgesteld, "dat 5 kinderen, 3 jongens en 2 meisjes, in een ledikant op een vieze matras, zonder lakens en dekens" sliepen . "De gehele omgeving is een zwijnestal. Er gebeuren nu reeds dingen op seksueel gebied door een jongen van 14 jaar, welke zo langzamerhand de weg der misdaad opgaan." Kloote kreeg het advies uit het weeshuis enige matrassen en dekens te laten aanrukken, om de ergste misstanden te bestrijden.

Oprotpremie

En dan gaat het nog maar over de onzen. Onze eigen probleemgevallen. In de voorafgaande eeuwen was Goes met grote regelmaat bezocht door allochtonen, waar men toch maar liever zo snel mogelijk vanaf probeerde te raken. Eeuwen? In 1928 nog, sloegen de gemeente en het armbestuur de handen ineen om een groep zigeuners van voedsel te voorzien, in de hoop dat het gezelschap na deze weldaad zou opkrassen. Dat bleek aardig ingeschat. 'Een soort oprotpremie in natura' zeggen Barth en Kort. Het werkte toen wel.

Ter verontschuldiging mag hierbij gezegd worden dat in 1904 overwogen werd aan een plaatsgenoot "reisgeld en een paar weken kostgeld te geven, om elders werk te zoeken." Dat was een handige oplossing, want dertig jaar eerder had de regering bepaald, dat niet langer de geboorteplaats maar de verblijfplaats het criterium was aan de hand waarvan een gemeente had te besluiten tot onderstand of bijstand.

Eeuwen eerder had Goes, zoals elke behoorlijke plaats, volop last van allochtonen. Vreemdelingen, zwervers en vagebonden, die 's avonds bleven hangen en geen gezicht zouden worden langs de openbare weg als men ze daar maar liet. Ook toen was er al sprake van de afmeting aan onze eigen culturele verworvenheden. Zo mocht in 1879 een echte bedeelde, een waar bijstandsgezin, op een extra uitkering rekenen, toen een van de lange armen van het armbestuur constateerde, dat de vrouw des huizes bezig was met het strijken van hemden, die er zeer net uitzagen. Dat was nog eens een bijdrage aan gemeenschapszin.

Vreemde bijstandstrekkers was men liever kwijt dan rijk. Een kwestie van inspectie van de kas en het afwegen van prioriteiten. Wie dit deel van de geschiedenis van Goes tot zich neemt, ontwaart een keurig Hollands, Zeeuwsch stadje met gemeenschapszin en aandacht voor het eigen welvaren. Wat te doen met een buitenstaander die hiervan dacht te kunnen profiteren? Keuren op z'n kansen en als dat tegenviel eventueel terugzenden.

In 1847 toen het her en der met de welvaart behoorlijk tegenzat, kwamen er nogal wat buitenlanders naar Goes "onder allerlei, soms valse voorwendsels en met leugenachtige opgaven omtrent namen, woonplaatsen en omstandigheden, onderstand en reisgeld vragen." Per gemeentelijke verordening werd de zaak gestroomlijnd: vreemdelingen dienden zich bij de commissaris van politie te melden, die over de verblijfsvergunningen ging.

Het hielp niet, daarvoor zaten er ook iets teveel gaten in de wet. De wet op het 'domicilie van onderstand' van 1818 zei dat de geboorteplaats de bijstand voor zijn rekening had te nemen, tenzij de aanvrager kon aantonen al vier jaar in dezelfde plaats te wonen. Bij gebrek aan deugdelijke administratie en ook vanwege veel los werk rond Goes, werd daar regelmatig mee gesjoemeld. Bovendien was domicilie kiezen ook dikwijls een kwestie van het in vredesnaam zoeken naar een stukje al dan niet lekkend dak boven je hoofd.

Gedienstigen

De wet van 1818 lag in het verlengde van de akte van indemniteit, die een eeuw eerd was voorgeschreven. Adspirant-bewoners moesten een verklaring kunnen tonen van het bestuur van stad of dorp waar ze vandaan kwamen, waaruit bleek dat ze van onbesproken gedragd waren, niet armlastig en dat ze in geval van armoe steun zouden krijgen vanuit hun vorige woonplaats. En hoe ging dat toen al: welgestelde personen hoefden zo'n verklaring niet te laten zien, gedienstigen moesten zich alleen melden.

'Een troostrijk woord is der armen spijs' laat uitstekend zien hoe we al eeuwen met vreemdelingen, werkloosheid en armoede worstelen. Maar dat we ook steeds weer boven komen.

Moffologie

Geboortig uit Sprundel, een aardbei-telend dorp in West-Noord-Brabant, kende ik in mijn jeugd het woord 'mof' alleen in de betekenis van grote aardbei van slechte kwaliteit. Aan het eind van het plukseizoen verschenen deze 'moffen' aan de planten, zeer groot, lelijk om te zien en zonder kraak of smaak: voor de telers van weinig of geen waarde. Ik herinner me dat ik in 1940 zeer verbaasd was toen dat woord mof ook op leden van de bezettende macht kon worden toegepast: wij Sprundelse mensen vonden dat prachtig. Nu nog, als ik het woord hoor of lees zie ik de twee beelden door elkaar gaan: een dikke opgeblazen aardbei en een soldatenhoofd, breed en onder die grote omsluitende helm. Een wonderlijke gewaarwording is het ook voor mij als kanselier Kohl gekarikatureerd wordt als 'die Birne', de peer - mijn gedachten gaan dan onweerstaanbaar naar dat beeld, half vrucht, half mensenhoofd, van de 'mof'. Overigens is de 'scheldkracht' van mof voor mij zo groot dat ik me erger als het op de Duitsers zonder onderscheid wordt toegepast.

Moffologie (Schluss)

Nadat uit vele historische documenten is gebleken, met welk een gemak de Nederlander sedert eeuwen het woord 'Mof' met betrekking tot zijn oosterburen in de mond neemt, wordt het tijd voor een verzoenlijk slotaccoord.

Nog een keer willen we een blik werpen op de man die al eerder door deze kolommen 'geisterte': Heinrich Hoffmann, genaamd von Fallersleben (1798-1874). Hoffmann von Fallersleben is als schepper van liederen als 'Alle Vogel sind schon da' en in het bijzonder van 'Das Lied der Deutschen' met de beginregels "Deutschland, Deutschland uber alles, uber alles in der Welt" bekend en helaas ook een tikkeltje berucht geworden. De verdiensten van Hoffmann von Fallersleben voor de ontwikkeling van een gevoel van nationale trots onder de Nederlanders zijn eveneens zeer groot geweest.

Liefde

Hoffmann von Fallersleben werd bezield door een romantische liefde voor de volkspoezie, vooral voor het volkslied. In Nederland kon hij de teugels van zijn romantische hartstochten laten vieren. In 1821, aldus bericht hij in zijn autobiografie 'Mein Leben', kwam hij op een schoen en een slof in Leiden terecht. Onderdak vond hij bij een landgenoot, een zekere dr. Salomon.

Zo veilig als het thuis was, zo onplezierig was het buiten op straat. Om niet als vreemdeling te worden geidentificeerd, als 'niet-fatsoenlijk', zoals de schrijver letterlijk zegt, moest Hoffmann von Fallersleben zijn baard afscheren, zijn haar laten kortknippen en zijn kleding op het Nederlandse fatsoen afstemmen: "Ik bereikte daardoor in de eerste plaats, dat de straatjongens van Leiden mij niet meer nariepen: 'Kijk eens, de mof'."

Bewondering

Hoffmann von Fallersleben wist door nijvere studie een schat aan oude Nederlandse volksliederen te lichten. Zijn inzet dwong zelfs de bewondering van de verschrikkelijk knorrige Nederlandse schrijver Willem Bilderdijk af. Tegen een familielid zei Bilderdijk over Hoffmann von Fallersleben: "Hoewel hij een Mof is, mag ik hem toch graag." Zoals de lezers van deze pagina weten, nam Hoffmann von Fallersleben op een elegante manier wraak. Hij schreef zelf enkele liederen, die qua taal en geest verwant waren met oude volksliederen. Deze pseudo-oudNederlandse liederen legde hij aan Bilderijk voor met de vraag of het vijftiende eeuwse liederen waren. De triomf kon niet groter zijn. Bilderijk meende, dat ze nog wel een eeuw ouder konden zijn!

Zonder vooroordelen trad Hoffmann von Fallersleben in Leiden het bekoorlijke meisje Elisabeth Kemper tegemoet: "Zij was een grote vriendin van de Duitse literatuur." Jammer, dat het niets werd tussen die twee. Ze zouden anders een aardig symbool voor de vruchtbare samenwerking tussen Nederland en Duitsland zijn geweest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden