Sylvia Witteman

'Vrouwen klagen over kinderopvang die zo duur is. 'Ik ga mijn kind niet naar de crÿche brengen, dan ben ik de helft van mijn inkomen kwijt'. Wat een lui en tuttig gedoe.' (FOTO MARK KOHN) Beeld
'Vrouwen klagen over kinderopvang die zo duur is. 'Ik ga mijn kind niet naar de crÿche brengen, dan ben ik de helft van mijn inkomen kwijt'. Wat een lui en tuttig gedoe.' (FOTO MARK KOHN)

Sylvia Witteman (Haarlem, 1965) is culinair journaliste en columniste voor onder andere de Volkskrant en Linda. Het nichtje van Paul Witteman is getrouwd met Philippe Remarque, hoofdredacteur van de Volkskrant. In 2010 verscheen bij De Arbeiderspers ’Koken met Sylvia Witteman. De beste recepten & een beginselverklaring’.

„God aanbidden? Als het me uitkomt: op zon- en feestdagen. Nee hoor, het geloof in God, dat is meer iets voor mensen die duiding nodig hebben; voor mensen die hun verdriet alleen kunnen dragen als het ze door anderen is aangedaan en voor mensen die hun geluk alleen kunnen verklaren als iets wat hun van hoger hand is toebedeeld. Voor- en tegenspoed zijn voor een heel klein deel van eigen makelij. De rest is je reinste willekeur.”

„Op een dag kreeg ik een mailtje van een meneer van de Bond tegen het Vloeken. Hij speurde dagelijks op Twitter naar de grootste zondaars en ik had kennelijk een reprimande voor mijn taalgebruik verdiend. Hij vroeg me vriendelijk of ik wilde stoppen met vloeken en verwees me naar een site waar ’mooie alternatieven’ zoals ’rododendron’ en ’potvolblommen’ te vinden waren.

„Ik schreef terug dat ’godverdomme’ voor mij gewoon een krachtterm was en dat het niets te maken had met het verdoemen van wie dan ook. Ik vroeg hem hoe hij zijn onderzoek deed. Bleek die man gewoon met een zoekmachine de trefwoorden ’kut’, ’godverdomme’ en ’Jezus Christus’ in te tikken! Moet je je voorstellen: zo’n vent die daar achter z’n computertje al die smeerlapperij zit op te zoeken. Bah! Als je dan toch iets voor die God van je wil doen, zei ik, ga dan zieke zeehondjes redden. Ik weet namelijk zeker dat God, als Hij bestaat, dit soort werkzaamheden ernstig af zou keuren.”

III

„Op zondag ging ik mee naar de kerk. Mijn vader speelde op het orgel van de katholieke kerk. Na afloop kreeg ik een plak cake van zuster Irene en mijn vader een borrel van de pastoor. Als ik een mooie kerk zie, ga ik er altijd even naar binnen. Kaarsje branden. Je weet maar nooit. Mariaverering, de lucht van de wierook, schilderijen, glas-in-loodramen: ik vind het allemaal even prachtig. Natuurlijk deugen die papen van geen kant en de paus is een hypocriete klootzak, maar katholieken zijn wel een stuk gezelliger dan protestanten.

„Ik pik ze er zo uit, de refo’s; je ziet het aan die koppen. Ze zijn zo gelijkhebberig. En veel te serieus. Volgens de dwaalleer van de protestantse kerk kun je wel proberen zo goed mogelijk te leven, maar als je bent voorbestemd om in de hel te belanden, valt daar niks meer aan te doen. Dat vind ik zo deprimerend! Hoe kun je jezelf zoiets aandoen? Als je dan toch per se een geloof wil hebben, kies dan een vrolijk geloof

„Wat zit je me nou ernstig aan te kijken? Van gereformeerde afkomst zeker? Dacht ik al. Kijk, als ik het leven zo serieus zou nemen, werd het voor mij allemaal nóg ondraaglijker. Ik ben een tobber, een hypochonder. Ik verwacht altijd het slechtste en daar vergal ik mijn leven behoorlijk mee. En ik héb helemaal geen moeilijk leven. Gelukkig getrouwd, drie kinderen die uitstekend presteren op school en heel aardig zijn, een goed inkomen – ik heb alles.

„Ik gebruik humor en misplaatste zelfmedicatie in de vorm van wijn om de boel een beetje in balans te houden. Een psychiater zoeken? Nou, ik heb een tijdje bij een psycholoog gelopen, maar dat was iemand die me praktische tips gaf om van mijn podiumvrees en mijn angstaanvallen af te komen. Analytische psychiatrie, graven in de ziel, is volkomen achterhaald. Dat weet je toch? Helpt niets. Mijn eigen vader is jaren in analyse geweest. Vier, vijf keer per week. Het kostte een vermogen en het heeft hem niets geholpen. Uiteindelijk heeft zijn psychiater zich opgeknoopt. Dat lijkt me wel een veeg teken.”

„Het was een rommelig huishouden, la vie bohème. Dat wil zeggen: mijn vader was een bohémien, mijn moeder helemaal niet. Zij was een beetje tobberig en hij was een schuinsmarcherende zuiplap die de boel de boel kon laten omdat zij overal voor zorgde. Wel een geestig iemand, leuke man, lieve vader. We mochten alles van hem. Mijn moeder wilde liever niet dat wij snoepten en hij nam ons mee naar een kraampje om daar van die enorme lolly’s voor ons te kopen. ’Niet tegen mama zeggen!’

„Nee, ik had geen medelijden met mijn moeder. Toen nog niet, omdat ik als vijfjarig kind niet begreep wat er aan de hand was. Ik vond haar gewoon een enorme zeikerd. Bij ruzies stond zij altijd te schreeuwen terwijl hij de boel probeerde te sussen. Eigenlijk begreep ik niet waarom ze die arme man zo op zijn kop moest geven.

„Ze gingen scheiden toen ik tien was, mijn broer negen en mijn zusje acht. Toen heeft mijn moeder ons alles over mijn vaders ontrouw en alcoholmisbruik verteld. Ze vertelde meer dan goed voor ons was, vind ik. Ik voelde ik me door mijn vader verraden. Het was alsof ik minder waard was dan de wildvreemde vrouw voor wie hij ons verliet. Het ergste was misschien wel dat wij achterbleven met een vrouw die zich helemaal geen raad wist met de situatie. Die scheiding was voor haar één grote ramp. Ze kon die puberende kinderen niet aan. Er was altijd ruzie, altijd geschreeuw.

„Op mijn zestiende ben ik het huis uitgegaan. Ik heb wel eens gedacht: waarom heeft mijn vader zich niet over die moeilijke periode heen kunnen zetten? Waarom is hij niet gewoon gebleven? Zijn tweede huwelijk – dat mij een halfbroer en een halfzus opleverde – is ook mislukt en door zijn derde vrouw is hij het huis uitgezet. Hij roept altijd dat die wijven zijn leven hebben verpest, maar hij heeft het zelf gedaan. Een rusteloze ziel. Hyperegocentrisch, nog steeds.

„Nu is hij oud en eenzaam. Hij was leraar op het conservatorium. Na zijn pensionering is de drankzucht erger geworden. Hij begint om zeven uur ’s ochtends al te zuipen. De eerste jaren haalde mijn broer hem nog uit de kroeg en bracht hem naar klinieken, maar hij valt toch iedere keer terug. Dan herinnert hij zich niet eens de namen van zijn kleinkinderen meer. Hij slikt nu van die pillen waar je misselijk van wordt als je toch iets drinkt, maar ik heb er weinig vertrouwen in dat het ooit nog goed komt. Ik heb besloten dat hij hier alleen in nuchtere toestand welkom is. Ik begrijp alcoholisme als geen ander, maar kun je het niet een heel klein beetje binnen de perken houden? Ach, ik weet het ook niet mijn vader is een triest geval.

„Die hele opvoeding is één groot failliet, maar ik wil er niet in blijven hangen. Bovendien doe ik het zelf ook niet zo perfect. Het heeft geen zin om mensen je leven lang verwijten na te dragen. Ze waren ook het product van hun opvoeding, ze misten het vermogen om de dingen anders op te lossen. Het is niet anders. Er zijn mensen die Auschwitz hebben overleefd en er uiteindelijk bovenop zijn gekomen. Dan moet het voor mij toch niet zo moeilijk zijn om me over een moeilijke jeugd heen te zetten?”

„Misschien heb ik die pestjongens wel doodgewenst, ik heb ze in ieder geval een keer in een column met naam en toenaam genoemd en de hoop uitgesproken dat ze door allerlei niet-bestaande ziektes zoals koprot zouden worden getroffen, maar ik deed verder niets. Ik was een bangelijk kind, met een malle bril en een scheefgeknipte pony. Trouwens: wat kon ik in mijn eentje beginnen tegen twee jongens die iedere dag met hun stepjes over mij heen wilden rijden?

„Het liefst deed ik alsof ze niet bestonden, maar dat kon niet. Ze woonden in onze straat en ze zaten bij mij op school. Ik was een outcast, een buitenbeentje. Kinderen hebben daar een fijne radar voor. Mijn moeder zei altijd: ’Ze pesten je gewoon omdat je slimmer bent dan zij’. Dat is zo’n beetje het stomste wat je tegen een kind kunt zeggen. Wist zij veel. Zo ging dat in die tijd. ’Schelden doet geen pijn’, zeiden ze. Nou, reken maar.

Ik word nu natuurlijk niet meer gepest, maar áls iemand me lastigvalt, ga ik hem uit de weg. Ik ben niet iemand die terug wil meppen. Freud zou zeggen dat dit onzin is – want iedereen heeft agressie in zich – maar ik voel dat niet zo. Ik heb geen temperament op dat gebied. Ja, met woorden kan ik meer, maar het zal je opvallen dat ik bijna nooit iemand beledig, alleen mezelf. Ik heb een hekel aan columnisten die altijd maar zitten te hakken op anderen. Vooral mannen doen dat, onderling. Elkaar vliegen afvangen. Haantjesgedrag. Nee, vrouwen zijn niet veel beter. Vrouwen zijn krengen, onbetrouwbaar en niet loyaal. Die zogenaamde vrouwensolidariteit gaat maar tot het tuinhek: zodra ze hun zinnen hebben gezet op de vent van een ander is het ineens afgelopen.

„Vrouwen kunnen ook zo verschrikkelijk zeiken. Vooral de Nederlandse vrouwen. Kleinzielig en kleingeestig, altijd maar onzeker van zichzelf. En maar klagen! Over een glazen plafond – dat helemaal niet bestaat – over de kinderopvang die zo duur is terwijl ze wel eerst op staatkosten een hogere opleiding hebben mogen genieten. ’Ik ga mijn kind niet naar de crèche brengen, want dan ben ik meteen de helft van mijn inkomen kwijt’. Wat een lui en tuttig gedoe. Wat een kapitaalvernietiging! Waarom kunnen ze zoiets niet zien als een investering? Als je zes jaar niet werkt, kun je straks alleen nog maar als parttimebibliotheekmoeder aan de slag. Je moet gewoon even doorzetten. Personeel inhuren. Ik heb ook nooit zwangerschapsverlof of wat dan ook gehad. Gewoon kind aan de borst en doortikken.”

„Ik vind niet zo gauw iets onkuis. Goed, ik heb liever niet dat mensen zich op hun balkon gaan zitten aftrekken waar kinderen het kunnen zien, maar verder mag iedereen doen waar ie zin in heeft. Of je je dan ook aan een koe mag vergrijpen? Ja, waarom niet? Als zo’n beest het niet prettig vindt, loopt zij weg. Ik denk dat een kat er meer last van heeft, dus het lijkt me beter om niet met een zeg, wat zijn dit eigenlijk voor rare vragen? Je mag mensen of dieren niet hinderen of pijn doen, maar hoe en waar je het doet, zal mij verder een rotzorg zijn. Laten we het daar maar op houden.”

VII

„Geven is zaliger dan ontvangen. Ik geef aan de armen omdat ik mezelf daardoor een beter mens voel. Een tientje voor een bedelaar, honderd euro voor Stichting Kinderdorp: het is allemaal vrij gratuit, hoor.

„Tegelijkertijd geloof ik niet dat God, als Hij zou bestaan, extreme dingen van ons verlangt. Ik hoef niet op mijn blote knieën de trappen van de Sint Pieter te beklimmen en mezelf daar een potje te gaan geselen. En ik hoef ook niet de helft van mijn maandinkomen aan goede doelen te schenken. Al met al doe ik het helemaal niet zo slecht, hoor.

„God zou niet ontevreden over mij hoeven te zijn. Ik ben de vrouw die een verloren kinderwantje ergens goed zichtbaar neerlegt zodat het kan worden teruggevonden, en als er iemand jarig is doe ik echt mijn best om een leuk cadeautje te vinden. Ik geef nooit een boekenbon. Als iedereen was zoals ik, zou de wereld een betere plaats zijn. Dan zou in ieder geval mijn fiets niet voor de zoveelste keer zijn gestolen. Zoiets doe ik namelijk niet.”

VIII

„Ik heb schijt aan conventies, aan wat mensen wel niet van mij zouden kunnen denken, maar het is een misvatting te veronderstellen dat ik mijn hele privéleven op straat gooi. Negentien procent van wat er in mij omgaat, wordt nooit door iemand gehoord of gelezen. Wat ik opschrijf, is ook niet zo bijzonder. Ik schrijf hoe het is om een baan, drie kinderen en een slordig huishouden te combineren. Hoe het is om een vrouw van 45 te zijn. Het zijn uitvergrotingen.

„Ik geloof wel dat ik in de loop der jaren iets beter relativeer, maar de grondtoon is somber. En uit die somberte kan dan weer een hysterische vrolijkheid opbloeien. Ik denk dat vooral vrouwen die columns goed begrijpen – het leven van vrouwen heeft, over het algemeen, wat meer alledaagse tragiek.

„Maar goed, alhoewel je dus niet alles te zien krijgt, is wat er staat wel waarachtig. Ik draai er niet omheen. Ik heb een hekel aan vrouwen die zo opgewekt over het menselijk bestaan schrijven. Er is niets opgewekts aan. Het leven boert me elke dag in mijn gezicht.

„Nooit gedacht dat ik met mijn geouwehoer nog eens de kost zou kunnen verdienen. Het is leuk om te doen, maar het is niet iets waar ik voor leef. Als iemand nu tegen mij zegt: ’Ik geef je vijf miljoen als je nooit meer een letter op papier zet’, dan doe ik dat onmiddellijk, echt waar. Ik vind het plezierig als mensen iets aardigs tegen me zeggen – beter dan gepest te worden, zeker – maar ik zie het echt niet als een overwinning op mijn verleden. Sterker nog: ik vind mezelf nog steeds een loser. Ik kan het leven niet aan, ik ben overal bang voor. Ik heb wel eens geschreven dat ik mezelf in gedachten zo vaak onder de verschrikkelijkste omstandigheden zie sterven dat het niet eerlijk zou zijn als het ooit een keer echt gebeurt.”

„Mijn vader is in veel opzichten een voorbeeld van hoe het niet moet. Ik wil niet op mijn oude dag al om zeven uur aan de wijn zitten, ik wil ook mijn huwelijk niet verklooien. Het is gek, maar de scheiding van onze ouders – die van mijn man zijn ook uit elkaar – is de redding van ons huwelijk geweest.

„In het begin hebben mijn man en ik ons allebei in een ander verloren. Dat gaf zoveel ellende dat we sindsdien een stuk voorzichtiger zijn met dat soort dingen. We hebben alles uitgepraat waarna het, heel klassiek, beter ging dan ooit tevoren. Ik hou van mijn man, ik hou van mijn kinderen en ik geloof in het instituut dat huwelijk heet. Dat wil niet zeggen dat je altijd, voor honderd procent, fysiek trouw hoeft te zijn. Je mag best scharrelen, een keer met een ander naar bed, maar een verhouding stel ik niet op prijs.

„Nee, ik sta helemaal niet open voor avontuurtjes – ik ben 45, ze zien me aankomen! Ik zeg alleen maar dat het zou kunnen gebeuren. En dat het geen schande is. Ik ben toch niet van steen? Overigens denk ik dat zoiets eerder gebeurt bij stellen die een saai van-negen-tot-vijfbestaan hebben. Wij hebben opwinding genoeg in ons leven, die hoeven we beslist niet in onze schaarse vrije tijd buiten de deur te gaan zoeken.”

„Ik benijd mensen die makkelijk in het leven staan. Ik zou er alles voor over hebben om niet zo’n zenuwenlijer te zijn. Misschien moet ik mezelf eindelijk een keer Prozac laten voorschrijven; daar denk ik al jaren over. Maar ik ben zo bang dat ik dan rustig – of misschien zelfs gelukkig word – en dat ik dan niet meer kan werken. Nou heb je hier wel iets aan? Ik heb eigenlijk helemaal niets te vertellen. Je dacht natuurlijk dat je rock-’n-roll zou krijgen. Sappige verhalen. Sorry, ik ben een braverd. Ik kan gewoon geen slecht mens zijn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden