Suurmond / Ach, hoe wankel is bij kanker het merk Suurmond

Het is nog wennen aan mijn nieuwe status: kankerpatiënt. Het zit niet in de familie en ik leef gezond, precies zoals de huidige regering wil. Maar de tumor in mijn darm moet zich al aan het kabinetsbeleid hebben aangepast, want hij gedijt op mijn dieet van voldoende groente en fruit. Door te joggen heb ik zijn cellen blozend doorbloed, zodat ze zich lustig delen in mijn nicotinevrije lijf.

Voor het eerst bevind ik me aan de andere kant van de hulpverlening. Met de slapeloze nachten, het spannende wachten op de volgende uitslag, het zoeken van je weg in een ziekenhuis. Laatst zocht ik naar een wc en kwam in het mortuarium terecht.

Tegen het plafond van de polikliniek hangt een ballon in de vorm van een beer, ontsnapt aan de hand van een kind. Elke keer dat ik daar kom, en dat is tegenwoordig vaak, is hij wat verder gekrompen. Net als ik.

Ik moet tenminste opletten dat ik niet vergeet dat ik méér ben dan mijn ziekte. Dat valt niet mee als je in je eentje in je onderbroek onder grote futuristisch ogende apparaten ligt, met witgejast personeel in een afgesloten hokje, hun stem krakend door een luidspreker.

Ziek zijn heeft een zeker dementerend effect. Mijn familie, vrienden en gemeenteleden die ik met mijn kanker de stuipen op het lijf heb gejaagd, zijn nu even mijn usb-stick. Ze herinneren mij aan wie ik ben. Dat ik niet alleen patiënt ben maar ook echtgenoot en vader en vriend en predikant en nog zo wat.

Ach, hoe wankel blijkt het merk Jean-Jacques Suurmond! Niet eerder ondervond ik zozeer het belang van mensen die meeleven, en van de geestelijk verzorger in het ziekenhuis die patiënten niet aanspreekt op hun ziekte maar op hun persoon.

Net als die beer tegen het plafond voel ik me licht, bijna zwevend. Mijn predikantswerk ligt stil; mijn praktijk voor psychotherapie is gesloten; alle afspraken voor lezingen en dergelijke zijn afgezegd; ik weet niet hoe lang ik deze column nog kan krabbelen.

Losgekoppeld van mijn werk voel ik me een beetje als een van de doden uit het verhaal van de filosoof Jean-Paul Sartre ‘De teerling is geworpen’. Die zijn onzichtbaar, kunnen wel overal bij zijn en alles meemaken maar zijn niet in staat om te handelen en invloed uit te oefenen. Een licht bestaan, dood zijn.

Patiënt zijn ook. Want wat doe ik? Ik blader wat in boeken en tijdschriften. Met Happinez het klooster in. Is George Michael hiv-besmet? Waarom Máxima lachte. Ik kijk naar oude films van de Marx Brothers en ’Absolutely Fabulous’. Als het maar kort en licht is.

Ik begin te begrijpen waarom amusementprogramma’s, quizzen en soaps zo populair zijn. Lijdt onze hele samenleving dan aan een tumor? Misschien wel aan de angst voor een tumor, voor de dood. Die is het onverbiddelijke plafond in al ons doen en laten. Dat is moeilijk te verdragen. Het is opvallend hoezeer het besef van een mogelijk nabije dood een mens uit kan putten. Topsport, niets minder.

Ik hef mijn ogen op naar het plafond, waartegen God stuitert in de tocht. Ach, eens was jij vreugde in een kinderhand. En nu bons je berig tegen dat plafond. Kom je er ook niet doorheen? Dat komt ervan als je zoals wij wordt. Kijk nu toch: allemaal kreukels in je lijf en kop. Je loopt langzaam leeg. Raak je soms ook uitgeput? Moet je nu echt alles meevoelen en meebeleven wat ik meemaak? Wou je soms ook dood? Daar kom je wel overheen, brom je? Schei uit. Waar heb ik trouwens al die aandacht van jou aan te danken?

Dat weet je best.

Nee, dat weet ik niet.

Wel.

Nietes. Bovendien vind ik het geen gezicht zoals je daar als een verschrompelde lap tegen het plafond plakt, zonder gestalte of luister. Wat moeten al die patiënten hier in het ziekenhuis wel niet denken? Wanhopig als een kind, zoeken ze steun bij een god die almachtig is en straalt als een onoverwinnelijke zon. Kun je je niet een beetje meer* nou ja, goddelijk gedragen?

Wat zeg je? Die mensen voelen zich net als ik gekreukt en lek en bonzen tegen het harde plafond? Maar wat hebben wij zieken eraan dat jij dat ook doet? Zeg op, wat hebben we aan zo’n God?

Hoezo, ‘alles’?

O. Je bent in onze ziektes? Je bent in mijn tumor? In mijn nakende ziekenhuishemd? In de chemo, bestralingen en het begripvolle personeel? Zijn mijn bedroefde naasten jouw naasten, is mijn leven jouw leven, mijn dood de jouwe?

Inderdaad, dan ben jij alles.

Beer is mijn herder,

Mij ontbreekt niets.

Jij, vreugde in mijn kinderhand.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden