SUTORIUS de spraakmakende

“Ik zie Piet Schoonheim, de eerste arts die zo'n twaalf jaar geleden voor de rechtbank moest verschijnen, nog binnenkomen. 'Ik ben een overtuigingsdader,' zo begon hij het gesprek. Ik begreep absoluut niet waarop hij doelde. In die tijd deed ik nog al wat zaken voor dienstweigeraars. Schoonheim had dat gehoord. 'Wat heb je dan gedaan?' vroeg ik hem, en toen zei hij dat hij dokter was en uit overtuiging iemand had gedood. Hij had euthanasie verricht. Of ik zijn verdediging niet wilde voeren.” In de afgelopen jaren heeft mr. Eugène Sutorius de verdediging gevoerd voor tientallen artsen die euthanasie hebben toegepast of hebben geholpen bij zelfdoding. Zelf noemt hij ze 'mijn dokters' en binnenkort hoopt hij ze voor een workshop naar Arnhem te halen. “Tenslotte heb ik mij tien jaar geleden bekeerd tot het katholicisme en laten dopen. Het was voor mij een duidelijke stap, maar ik vroeg mij aldoor af of ik, gezien mijn achtergrond en mijn overtuiging, wel welkom was. Ik heb deze vraag tenslotte op een avond voorgelegd aan onze bisschop, kardinaal Simonis.”

“Ik ben er voorstander van om de dood met de naald alleen te reserveren voor die zeer, zeer, zeer schaarse gevallen waarin de lijdende patiënt echt niet - of echt niet meer - in staat is zijn leven zelf te beëindigen. In de overige gevallen zou het altijd medische hulp bij zelfdoding moeten worden: laat zelfbeschikking maar zelfbeschikking in een zo oorspronkelijk mogelijke vorm blijven en beperk het dodend handelen door artsen zo veel mogelijk.”

Het liefst zou Sutorius deze 'verschuiving' van euthanasie naar hulp bij zelfdoding al binnen een paar jaar zien plaatsvinden. “We moeten toe naar een situatie waarin de uiterste test inzake de vrijwilligheid nog meer bij de patiënt ligt. In mijn ogen is er een belangrijk psychologisch verschil met euthanasie, waarin het de arts is die uiteindelijk de euthanaserende middelen toedient. Er kunnen immers patiënten zijn die de uitvoering van hun stervensverzoek nu overlaten aan de arts, terwijl ze deze 'daad' zelf niet aan zouden durven. In die vrijwillige daad zit uiteindelijk het bewijs van de zelfbeschikking. Natuurlijk ken ik de bezwaren tegen hulp bij zelfdoding, en ook de principiële kant verandert niet eens zo zeer. Bovendien - dat zeg ik er met nadruk bij - moet de arts ook minstens even zorgvuldig blijven handelen. Maar het wordt emotioneel wel minder belastend voor hem. Artsen zijn nu eenmaal in eerste aanleg gericht op het behoud van leven. De dokter moet helpen en troosten. Daarin zit de magie van de geneeskunde.”

Zelf vraagt hij zich ook wel eens af waarom de naam 'Sutorius' aan vrijwel alle spraakmakende rechtszaken rond levensbeëindiging verbonden is. Het feit dat er maar heel weinig advocaten in dit kleine onderdeel van het gezondheids- en strafrecht gespecialiseerd zijn, verklaart hij door “de ingewikkeldheid” van de materie. Dat juist hij degene is die deze artsen naar zich toe lijkt te trekken, heeft waarschijnlijk als oorzaak de naam die hij langzamerhand heeft opgebouwd. Zelfs zijn wederpartij, het Openbaar Ministerie verwijst soms naar hem. “Zeker bij principiële zaken heb ik de indruk dat justitie mijn naam wel eens aan de betreffende arts noemt”.

Zelf trekt hem die ingewikkeldheid juist aan. “Elke zaak is anders en dat zal voorlopig zo blijven.” Meer nog dan die ingewikkeldheid, zijn het echter de ethische aspecten die hem boeien.

Henk Prins, Boudewijn Chabot, Gerard Stinissen en Piet Schoonheim. In de afgelopen jaren heeft Sutorius de verdediging gevoerd voor tientallen artsen, van wie er enkele in binnen- en buitenland bekend zijn geworden. Ze hebben gemeen dat ze hun patiënt actief hebben helpen sterven. Zelf noemt hij ze “mijn dokters” en binnenkort hoopt hij ze voor een workshop naar Arnhem te halen. “Dat ben ik vast van plan, een lang weekend met z'n allen praten over hoe het ze na die ene rechtszaak is vergaan. Ik wil alles van ze horen: hebben ze het later nog een keer gedaan? Is het na die keer gemakkelijker, of juist moeilijker geworden? Zijn ze altijd blijven melden, zijn hun gedachten over euthanasie achteraf in enigerlei opzicht veranderd?”

Hij wijst op een bescheiden antiek kastje, waarin hij alle dossiers over zijn zaken in dikke hangmappen bewaart. Af en toe grijpt hij er naar ten behoeve van een letterlijk citaat. Dat is het enige dat hij nodig heeft voor een reflectie op wat er in de afgelopen jaren op zijn vakgebied is gebeurd. “Ik zie Piet Schoonheim, de eerste arts die zo'n twaalf jaar geleden voor de rechtbank moest verschijnen, nog binnenkomen. 'Ik ben een overtuigingsdader', zo begon hij het gesprek. Ik begreep absoluut niet waarop hij doelde. In die tijd deed ik nog al wat zaken voor dienstweigeraars. Schoonheim had dat gehoord. 'Wat heb je dan gedaan?', vroeg ik hem, en toen zei hij dat hij dokter was en uit overtuiging iemand had gedood. Hij had euthanasie verricht. Of ik zijn verdediging niet wilde voeren ....”

“Ik veronderstel dat het voor de meeste dokters zeker niet gemakkelijker is geworden. De gemiddelde arts vindt euthanasie en hulp bij zelfdoding buitgengewoon belastend. Emotioneel is het zwaar en het vergt veel tijd, óók van het gezin. Veel artsen zijn bovendien zéér beducht voor justitie. De neiging tot defensieve geneeskunde - de klassieke weg van de opklimmende pijnbestrijding door het geven van steeds meer morfine - is groot: naar mijn schatting kiest meer dan de helft van de artsen voor deze weg, zeker in die gevallen waarin actieve levensbeëindiging om de een of andere reden moeilijk bespreekbaar is, zoals in het zuiden van het land soms het geval is.”

“Morfine als euthanaticum is nogal eens onbetrouwbaar in verband met resistentie en complicaties. Daarnaast handelt de arts op de grens van vrijwilligheid. Er is altijd een schemerig gebied: is dit nog pijnbestrijding of is het reeds euthanasie?”

Naast het grijpen naar morfine om de schijn van echte euthanasie te vermijden, ziet Sutorius een ander gevaar: artsen die wél tot het gebruik van 'echte' euthanaserende middelen besluiten en dat ook nog netjes melden, zullen in de verleiding komen hun verslagen te gaan 'juridiseren' zolang euthanasie onder het strafrecht blijft vallen.

“Hun medische beslissingen en handelwijzen worden immers door justitie beoordeeld. Bij de meeste zaken die in de afgelopen jaren voor de rechtbank zijn geweest, bleek dit een moeilijk punt voor de arts. Op den duur zullen steeds meer artsen de strafrechtjuristen om de tuin kunnen leiden, hun dossiers en meldingsformulieren toesnijden op het strafrecht. Dan ontstaat een formalisering die onwerkzaam en zelfs gevaarlijk is, en die het handelen van de dokter kan verambtelijken.”

UIT HET STRAFRECHT

Bij voorkeur zou hij “het gehele euthanasievraagstuk” dus uit het strafrecht willen halen. “Een tijd lang vond ik die onderbrenging bij het strafrecht niet erg. Inmiddels ben ik 'om', want op deze manier blijf je zorgvuldig handelende artsen criminaliseren en dat is per definitie slecht voor het in artsen te stellen vertrouwen en voor hun (afnemende) bereidheid zich zelf aan te geven.”

Zolang het strafrecht nog uitgangspunt blijft, moet er iets gebeuren om de nadelige gevolgen voor de arts te beperken. “Het complement van een fatsoenlijke praktijk van artsen ligt nu bij justitie. Van een zorgvuldige praktijk is dáár lang niet altijd sprake. De dokter moet zich volledig uitleveren aan de officier van justitie, maar vervolgens duurt het dikwijls lang, niet zelden meer dan een jaar, eer de arts hoort wat er zal gebeuren, en of er nog een gerechtelijk vooronderzoek volgt. Ik pleit met klem voor een rechtsgang waarin justitie binnen drie maanden uitsluitsel moet geven of er vervolgd zal worden en een eventueel gerechtelijk vooronderzoek binnen zes maanden zal zijn voltooid. Daarnaast zou er een vorm van begeleiding en nazorg voor de dokter moeten komen. 'Flankerende maatregelen van justitie ten opzichte van de arts' heb ik het in gedachten maar genoemd.

Als er bijvoorbeeld door justitie een proefproces gewenst wordt, een proces waarvan maatschappelijk wordt gevonden dat het er moet komen om de geldende normen te verhelderen, of nieuwe normen vast te leggen, creëer daar dan een aparte rechtsgang voor die in de wet verankerd is. Als een arts als proefkonijn moet dienen, hou deze dan tenminste zoveel mogelijk 'vrij', belast zo'n dokter niet met de stigmatiserende effecten en hoge kosten die zo'n proces met zich meebrengt. Baken het principiële geschil af en zorg eventueel zelfs voor een gezamenlijk persbericht. Nu maakt justitie zich er veel te gemakkelijk van af: de proef is voor justitie, het proces voor de dokter. Als justitie een zelfde zorgvuldigheid in acht neemt als nu van de dokter wordt gevergd, zijn we al een heel stuk verder.''

VERDEDIGINGSLINIE

“Ik heb nu nog zaken in behandeling, waarbij de dokter 15 tot 20 maanden heeft moeten wachten op de beslissing tot het vorderen van een gerechtelijk vooronderzoek. Dat is een zorgvuldig optredende arts niet aan te doen. Ik acht dat in strijd met een behoorlijk proces. Mijn eerste verdedigingslijn is nu dan ook dat een vordering tot een gerechtelijk vooronderzoek moet worden afgewezen als de tijd die na de melding is verstreken onaanvaardbaar lang is, óf als blijkt dat er in strijd met eerder gewekte verwachtingen wordt gehandeld, bijvoorbeeld als de arts aanvankelijk heeft gehoord dat zijn zaak 'vermoedelijk geseponeerd' wordt. Ik heb tot mijn voldoening met dit verweer nu al weer drie maal bij enkele rechters commissarissen gehoor gevonden: één keer omdat er al 20 maanden verstreken waren en één keer ook omdat de grond voor het gerechtelijk vooronderzoek, namelijk het al dan niet in de stervensfase zijn, met de bestaande jurisprudentie niet strookte.”

Sutorius rept van een “nieuwe verdedigingslinie”, omdat hij er normaal gesproken op uit is om voor zijn cliënt zoveel mogelijk uit dat gerechtelijk vooronderzoek te slepen. “Het gerechtelijk vooronderzoek kan een goed middel zijn om tot ontlastende verklaringen te komen, of tot nuttige deskundige rapportage. Maar juist bij euthanasie kan het ontbreken van zo'n vooronderzoek ook gunstig uitpakken. Er moet dan óf (gedwongen) worden geseponeerd óf de officier moet met een wankel schip de golven in. Want zonder dat vooronderzoek rest de officier slechts een medisch dossier met een onduidelijke status. Bovendien kan de arts zich ook nog op zijn zwijgplicht beroepen, waartoe ik hem waarschijnlijk ook zou adviseren: bij een rechtszaak op zo'n gebrekkige grondslag en zo'n tijdsverloop ga je toch niet praten?”

Behalve de dokters die hij voor zijn workshop wil uitnodigen (niet al deze dokters zijn in de publiciteit geweest, omdat er ook zaken geseponeerd zijn), heeft Sutorius in de afgelopen jaren met meer artsen over euthanasie en hulp bij zelfdoding gepraat. Bijvoorbeeld tijdens spreekbeurten voor groepjes artsen of studenten geneeskunde, waarin hij zijn medisch gehoor altijd waarschuwt om bij elk verzoek van de patiënt éérst de angst weg te nemen. “De wens om niet meer te willen leven komt heel vaak voort uit angst. Daarnaast raad ik de dokters altijd aan de mate van vrijwilligheid goed te toetsen: is het wel echt de patiënt die het wil, is het geen buikspreekverzoek van een zoon of dochter?”

Opvallend is de adviserende rol die hij vervult op het moment dat de patiënt nog leeft. “Ik krijg ook vragen 'vooraf'. In zo'n geval neem ik de zaak met de dokter door en adviseer hem 'ik zou maar melden', of soms ook wel: 'ik zou op het verzoek om euthanasie onder deze omstandigheden maar niet ingaan'. In dat laatste geval geef ik aan hoe de zorgvuldigheids-eisen liggen en laat ik zien dat het op grond van die eisen in zo'n zaak juridisch niet verstandig is om tot euthanasie over te gaan.”

HIRSCH BALLIN

In de nadagen van de vroegere minister van Justitie E. Hirsch Ballin (CDA) - van wie bekend was dat hij vreesde voor een hellend vlak naar een veel te vrij euthanasie-klimaat - was er sprake van een hausse van euthanasie-strafvervolgingen waar justitie haar tanden in zette. Een aanzienlijk aantal van die zaken is door zijn opvolgster mevrouw Sorgdrager (D66) geseponeerd. “Bij Hirsch Ballin had ik wel eens het gevoel dat hij niet-vlekkeloze zaken niet vervolgde uit angst dat de rechter een te liberale uitspraak zou geven. Bij Sorgdrager zou het wel eens zo kunnen zijn dat zij loepzuivere zaken toch vervolgt, in de hoop die liberale jurisprudentie juist te verkrijgen. Het klinkt misschien vreemd, maar het zou best zo kunnen zijn dat de huidige liberale minister tenslotte méér beslissingen tot vervolging neemt dan onze vorige christendemocratische minister, die er ten onrechte van uitging dat de stervensfase gold als een noodzakelijk criterium voor euthanasie.”

Sutorius formuleert doelbewust voorzichtig, in termen van gevoelens, indrukken en observaties. Hij vindt het echter wel degelijk hoog tijd dat Sorgdrager zich de gevolgen van haar beleid realiseert. “Haar wens om liberale jurisprudentie uit te lokken kan ik delen, maar als het effect is dat de bereidheid onder artsen om te melden terugloopt, moet je oppassen. Nu al heb ik de indruk dat de overheid met haar streng en soms onnavolgbaar vervolgingsbeleid krediet verspeelt en dat het aantal meldingen afneemt. Die signalen heb ik; ik weet dat justitie zal zeggen dat het wel meevalt allemaal, maar het valt niet mee.”

“Er is namelijk maar één echt gevaarlijk hellend vlak: dat is als we niet weten wat er gebeurt. Niet melden betekent dat er niet getoetst kan worden. Dan ontstaan er risico's van onzorgvuldigheid. Zoals de vraag of het besluit wel onafhankelijk en in vrijheid genomen was. Bovendien, meldt de dokter niet, dan betekent het dat ook de familie moet zwijgen over deze belangrijke gebeurtenis, hetgeen dan weer schade doet aan een goed verwerkingsproces.”

CHABOT

Sutorius vindt het jammer dat de psychiater Chabot na de laatste gang naar het medisch tuchtcollege in Amsterdam, waar hij een berisping opliep, heeft afgezien van hoger beroep. “De berisping is een onevenredig zware maatregel geweest tegen Chabot, die zich tenslotte openlijk en zorgvuldig heeft willen verantwoorden in deze moeilijke zaak. Ik was er dan ook zeer in geïnteresseerd of dit oordeel door het Centraal Medisch Tuchtcollege bevestigd zou worden. Ik betreur het dat zo'n oordeel er niet komt. Anderzijds begrijp ik dat het voor Chabot te zwaar werd. Chabot had het echt gehad. En ach, het belang van de uitspraak van het medisch tuchtcollege is beperkt, zeker in verhouding tot het arrest van de Hoge Raad.”

Met voldoening constateert de advocaat dat vier van de prominente deskundigen de beslissing van het Amsterdamse Tuchtcollege schriftelijk hebben aangevochten (Trouw 30 april 1995), omdat het zonder duidelijke motivering voor één bepaalde richting binnen de psychiatrie heeft gekozen en daarmee de andere visie als schadelijk voor het vertrouwen in de medische stand heeft aangemerkt.

VERVOLG OP PAGINA 19

VERVOLG VAN PAGINA 18

Sprekend over de tuchtrechtspraak constateert Sutorius dat er grote kwaliteitsverschillen bestaan tussen de diverse tuchtcolleges.

“ De voorzitters van de colleges trachten de kwaliteit van hun dokters als tuchtrechters op peil te houden of te brengen. Maar het blijft moeilijk, omdat het lid zijn van een tuchtcollege een groot beslag op de tijd van de artsen legt. Zo houdt het tuchtcollege in Zwolle zitting op zaterdag. Het probleem een goede arts uit zijn praktijk te laten opdraven is dan kleiner. Zo kan je ook het reservoir van dokters, waaruit de president kan putten vergroten.”

“ Nieuwe normen scheppen is niet de bedoeling van het tuchtrecht. Het moet het gebeurde toetsen aan de bestaande professionele normen en zich afvragen of het vertrouwen in artsen is geschaad. Dat het tuchtcollege in Amsterdam de norm van de Hoge Raad heeft bevestigd dat er visuele consultatie moet zijn, acht ik terecht. Binnen de beroepsgroep werkt men nu dan ook aan een protocol voor consultatie bij euthanasie en hulp bij zelfdoding. Veel staat weliswaar al in het CAL-rapport (Commissie Aanvaardbaarheid Levensbeëindiging) van de KNMG - een mooi rapport - maar ik heb de indruk dat er psychiaters zijn die er onderuit willen.”

“Een vraag die hiervan losstaat en die de Staten Generaal moeten beantwoorden is of euthanasie, wanneer het eenmaal voldoende is geprotocolleerd, niet uit het strafrecht moet verdwijnen. Ik zou daar voor zijn. Euthanasie kan dan in het vervolg worden getoetst door een daarvoor toe te rusten geneeskundige inspectie. Het staatstoezicht voor de volksgezondheid is daar ook beter toe in staat. Als men wil vasthouden aan toetsing via het strafrecht, zal de officier van justitie versterkt moeten worden met medische kennis en zullen artsen moeten worden tegemoetgekomen in de schadelijke effecten van een strafproces.”

Door het arrest van de Hoge Raad en het vonnis van het medisch tuchtcollege is duidelijker geworden wat de 'consultatie-eis' bij hulp bij zelfdoding van een psychiatrisch patiënt inhoudt of zou moeten inhouden. Maar niet alles is duidelijk. “Moet de consultatie gaan over de behandeling, over het lijden, over de wil van de patiënt, over alles? En hoe moet die consultatie bijvoorbeeld bij een terminale hartpatiënt plaatsvinden? Mag het een telefoontje zijn, moet het een gesprek wezen, of een eigen onderzoek door de tweede arts? Over de strekking van die kennelijk variabele consultatie-eis is nooit duidelijk gesproken. Terwijl dat juist belangrijk is, de consultatie moet er ten eerste toe 'strekken' dat de arts nooit soleert, ten tweede dat hij zich van zijn eventuele blinde vlek bewust wordt door de onafhankelijke consulent en ten derde dat hij niet tekortschiet in bijzondere deskundigheid.”

“Per zaak kan die consultatie dus anders liggen. Bij een terminale patiënt met een uitvoerig dossier bijvoorbeeld kan een telefoontje misschien genoeg zijn, terwijl een psychiatrische patiënt in eerste instantie een eigen onderzoek van de consulent zou kunnen vergen.

Die deskundigheid van de handelend arts wordt nu bijvoorbeeld ook betwijfeld in de zaak van de huisarts W. van Oijen die de ALS-patiënt Cees van Wendel de Joode hielp te sterven. Van Oijen zou volgens specialisten zijn patiënt onvoldoende verteld hebben over alternatieven en over hoe het stervensproces via de natuurlijke weg zou kunnen gaan. Die kritiek valt - op grond van de IKON-documentaire - onvoldoende te beoordelen, maar moet serieus genomen worden. Maar dan is het natuurlijk nog de vraag of de patiënt die grotere deskundigheid wel toegepast wil zien, of de patiënt het misschien niet gewoon genoeg vindt en die weken levensverlenging met palliatieve zorg eigenlijk niet meer hoeft. Het is jammer dat op Van Oijen meteen het etiket 'onzorgvuldig' is geplakt. In de verwijten aan het adres van deze huisarts zou je ook kunnen lezen dat die specialisten zich in hun deskundigheid miskend voelen.''

SOMATISCH EN PSYCHISCH LIJDEN

“In de zaak-Chabot ligt dat anders. Voor het eerst is in die zaak door het hoogste rechtscollege geoordeeld dat er geen principieel onderscheid gemaakt moet worden tussen patiënten met psychische en somatische aandoeningen, zodat hulp bij zelfdoding in de psychiatrie niet uitgesloten kan worden. Binnen de psychiatrie voelt men deze (geringe) opening nogal eens als een stoot in de rug. Men gaat er daarbij echter aan voorbij dat het altijd om een beperkte en uitzonderlijke groep zal blijven gaan. En dat moet zo blijven.”

Bij de berisping van Chabot in Amsterdam draaide het vooral om het al of niet bestaan van een reëel behandelingsperspectief voor deze door een ramp getroffen vrouw die niet meer wilde leven. “Wat is nu een reëel behandelingsperspectief?,” zegt Sutorius. “Wat betekent hier 'reëel' of 'redelijk'? In ieder geval iets anders dan een min of meer theoretische behandelingsmogelijkheid. Het perspectief roept vragen op naar de tijdsduur van zo'n behandeling, de belasting voor de patiënt en of er een redelijke succeskans is. Bij een terminale kankerpatiënt is het ontbreken van zo'n perspectief op herstel een hard gegeven, dan blijven er meestal slechts weinig redelijke alternatieven over. Bij een psychiatrische patiënt is het evenwel heel ijl. En als de patiënt het alternatief ook nog bewust afwijst, wordt het behandelingsperspectief al snel minder. Daarbij komt de vraag of een gedwongen behandeling in zo'n geval niet in strijd is met onze huidige wetgeving. Er hadden al elf strafrechters en elf deskundigen over Chabot geoordeeld voordat de tuchtrechter tot zijn beslissing kwam en de lijn was duidelijk en zorgvuldig uitgezet aan de hand van het door de Hoge Raad gegeven criterium. En dan wordt er hierover één anders oordelende deskundige (prof. dr.

R. van den Hoofdakker) ingeschakeld en zwiept de hele zaak weer om. Het gewicht van diens oordeel is in zoverre pikant daar het college maar één psychiater telde, drie andere artsen en een jurist. Het Amsterdamse college heeft de uitspraak van de Hoge Raad ingevuld op een manier die het kwetsbaar maakt voor kritiek.” Sutorius vouwt een pagina van Trouw, 29 april, uit en toont de aanmerkingen van vier andere getuigen-deskundigen, Van Dantzig, Mittendorff, Van Ree, Van Tol. “Het blijkt in elk geval wel gunstig te zijn geweest voor de discussie,” concludeert hij droog.

NIEUW DEBAT

“We zitten in overgang naar een periode, waarin de dood een keuzemogelijkheid is geworden. De mensen worden ouder en gaan soms aan een voor hen te lang leven lijden. Ook het ziektepatroon is gewijzigd: vroeger had je nog de milde infectueuze uitwegen. Nu zijn daarvoor in de plaats gekomen angstaanjagende, chronische aandoeningen zoals kanker, aids en multiple sclerose. Ik zie wegvallende sociale verbanden, krimpende zorg van buren en kinderen, een afnemende invloed van de kerk, en de opkomst van de patiënt die zijn rechten wil kunnen uitoefenen. Deze vraagt zich terecht af waarom niet hij, maar de dokter de baas zou zijn over het laatste deel van zijn leven, als hij al de regie en verantwoordelijkheid in handen heeft over het hele leven dat eraan voorafgaat. Vroeger betekende het sterven van de patiënt het vertrek van de dokter. Het stervensproces is nu binnen het domein van de geneeskunde gekomen of men dat nu verwerpt of toejuicht. Het probleem is verder dat de arts niet wordt opgeleid in terminale zorg, waaronder het uitvoeren van euthanasie, omdat de opleidingen er van uitgaan dat de dokter het moet zien af te kunnen zonder deze kunstgreep. Misschien zouden deze ontwikkelingen en verbanden opnieuw gesorteerd moeten worden teneinde - en dit is echt een hartekreet van mij - een nieuwe fase in de discussie aan te brengen.”

“Ik denk dat we ons moeten afvragen waar het verschijnsel euthanasie vandaan komt. Is het een culturele Wende? Een nieuwe Stoa? Of zeggen we over x jaar: 'o ja, en in die tijd hadden we ook nog euthanasie?' Dit soort vragen zouden aanleiding kunnen zijn voor een nieuw debat in de Staten Generaal.”

“Er is altijd euthanasie geweest. Maar dat ging anders: de dokter zag dan dat het genoeg geweest was en vond wel een weg, buiten de zoeklichten van justitie en lang niet altijd op verzoek van de patiënt. Nu zijn we, mede door het ouder worden van de mensen in een publieke discussie beland. Dat is goed, maar het jaagt het vliegwiel van de euthanasie aan. In de opleiding zal de arts daarom getraind moeten worden, niet alleen om ontvankelijk te zijn voor zo'n verzoek en weloverwogen 'ja' te zeggen, maar wel degelijk ook om 'nee' te zeggen en zijn rug recht te houden. De regels zijn nu ongeveer helder. Ze zijn in rapporten en in jurisprudentie gevat.”

PIL VAN DRION

“Principieel zie ik niet veel bezwaren tegen de 'pil van Drion'. het enige is dat die in het verkeerde theekopje kan terechtkomen. Als dat te voorkomen is, lijkt mij een pil voor (hoog) bejaarden een hele belangrijke en ook geruststellende gedachte.”

“Het gevaar in Nederland voor een moreel uit de bocht vliegen ligt mijns inziens niet zo zeer op het vlak van de euthanasie voor de burgers. Mijn belangrijkste zorg op termijn is de rol van de staat bij schaarste en selectie. Dat de staat gaat eisen dat de vrouw zich prenataal zal laten screenen of laat voelen dat in geval van te voorkomen aandoeningen geen groot budget voor jou beschikbaar is. Hoe weerbaar is in moreel opzicht onze welvarende maatschappij? Anderzijds: men kan de liberale euthanasiepraktijk in dit verband ook zien als een teken van beschaving in een over het algemeen uitstekende gezondheidszorg. Ik zou onze euthanasiepraktijk bijvoorbeeld niet wensen voor de Verenigde Staten. Er leeft daar veel kritiek - vaak berustend op onjuiste informatie - op onze praktijk. Nederland is nu ook kwetsbaar. We zitten halverwege het hek. We zijn nu halfweg en hebben nog niet de verlangde volledige openheid van wetten. Voor het buitenland is dat gemakkelijk aanvallen. Ik heb in de VS tijdens een lezing wel eens gezegd: zolang jullie dit zorgsysteem hebben, loop je het risico dat euthanasie de plaats gaat innemen van een goede en betaalbare zorg. Mede als gevolg van de medische claims is daar de vertrouwensrelatie tussen patiënten en dokters over en weer verwoest. Daar is gelukkig in Nederland met onze family doctor nog geen sprake van. De dokter lijkt in ons land ook veel meer gesocialiseerd. Hij staat niet meer op zo'n hoog voetstuk. Je ziet dan ook dat euthanasie hier uitsluitend plaatsvindt wanneer er een echte vertrouwensrelatie bestaat tussen een onafhankelijke, wilskrachtige patiënt en de arts.”

Dat het experiment in Nederland ontstond, heeft volgens de Arnhemse strafpleiter ook te maken met onze volksaard. “Er is bij ons een curieuze mengeling van pragmatisme en principieel denken. Waar vind je mensen als de gereformeerde theoloog Kuitert en de neonatoloog Versluys, die daarvan duidelijke exponenten zijn?”

“Ook uit Rome komen interessante en belangrijke gedachten, maar ja... Ik ben het dikwijls eens met hun waarden, maar helaas zelden met hun uiteindelijke standpunten.”

KATHOLIEK

Sutorius vertelt hoe hij een aantal jaren geleden is overgegaan tot de rooms-katholieke kerk. “Samen met de dominicaan Nol Dijsselbloem hebben mijn vrouw en ik ons wat verdiept in de oude kerkvaders, zoals Augustinus en de mystici, Johannes van 't Kruis. Ik had vroeger reeds kennis gemaakt met het leven in de kloosters. Ik had een steun en een stut nodig. Tenslotte heb ik mij tien jaar geleden bekeerd tot het katholicisme en laten dopen. Het was voor mij een duidelijke stap, maar ik vroeg mij aldoor af of ik, gezien mijn achtergrond en mijn overtuiging, wel welkom was. Ik heb deze vraag tenslotte op een avond voorgelegd aan onze bisschop, kardinaal Simonis, die ik toen heb ervaren als een heel warm mens. Ik heb hem voorgelegd dat ik veel moeite had met zijn stelling dat je eventueel het sacrament van de stervenden zou kunnen onthouden aan iemand die door middel van euthanasie wilde heengaan. Ik vond en vind dat wreed. Maar het ging mij, bij de overgang naar het katholicisme ook meer om de religie dan om de ethiek.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden