SULTAN OMAN: ISLAM PAST HEEL GOED BIJ DEMOCRATIE

Democratie in een islamitisch land? Zou het echt mogelijk zijn in de Arabische wereld een regeringsvorm in te stellen, waarbij het volle accent valt op vrije verkiezingen, op verbale strijd tussen tussen burgers, pressiegroepen en politieke partijen? Op een vrije pers waarin de eigen regering voortdurend op de korrel wordt genomen? Onwillekeurig denken we dat islamitische landen niet tot een dergelijke vorm van verbale 'oorlogsvoering' in staat zijn. Als het daar al tot 'strijd' komt, vallen er meestal ook doden, steekt het fundamentalisme de kop op en lijkt een vorm van afgedwongen vrede onder een verlichte dictatuur nog het enige redelijke, en in ieder geval draaglijke alternatief te zijn.

Toch hebben enkele Golfstaten een bescheiden parlement in het leven geroepen, veelal Madjlis Al-Sjoera geheten; een benaming die verwijst naar de traditonele bijeenkomsten van familiehoofden in het koffiehuis, de madjlis. Zelfs het conservatieve Saoedi-Arabie heeft onlangs een Madjlis Al-Sjoera ingesteld. En daarmee ligt de vraag op tafel of dergelijke experimenten levensvatbaar zijn.

Om het dramatischer te zeggen: gesteld al dat het om een serieuze vorm van democratie gaat, waarin de wil van het volk consequent tot uitdrukking wordt gebracht, roepen deze landen daarmee dan niet automatisch Algerijnse toestanden over zich af? In dat land immers dreigde de democratie een fundamentalistisch meerderheid aan de macht te brengen, waarvan gevreesd werd dat zij in een klap de democratie om zeep zou brengen.

Het zijn niet de gemakkelijkste vragen, zelfs niet in een relatief liberaal land als Oman op de uiterste zuidoost-flank van het Arabische schiereiland. Tweeentwintig jaar geleden gaf de toen aantredende monarch, sultan Kaboes bin Said, het startsein tot modernisering. Geholpen door de opbrengsten van aanzienlijke olievondsten herschiep hij het eeuwenoude sultanaat van een middeleeuws land waar de tijd was blijven stilstaan, in een moderne staat waarin ook westerlingen zich thuis blijken te voelen.

Met uitstekende onderwijsvoorzieningen, een goede gezondheidszorg en volkshuisvesting, een zich snel ontwikkelende industrialisatie en vooral ook een tolerant klimaat. Er is ruimte voor de uitoefening van andere godsdiensten. Er is een vrije tv-ontvangst, een gelijkwaardige positie voor de vrouw en alcohol blijkt normaal verkrijgbaar te zijn, mits niet in het openbaar genuttigd. Maar is Oman met deze verworvenheden ook democratisch?

Zou een consequent toegepast one man one vote systeem dit land niet binnen de kortste keren terugbrengen in de 'middeleeuwen' van 25 jaar geleden? Sultan Kaboes bin Said (52) heeft in zijn jonge jaren in Engeland een Engelse opvoeding genoten. Hij weet daardoor uitstekend wat in het Westen onder democratie wordt verstaan, hij weet ook hoe sceptisch datzelfde Westen oordeelt over de mogelijkheden van een dergelijke regeringsvorm in de wereld van de islam. Desondanks bewilligde hij in een interview met Trouw over dit thema. Hoe taxeert hij de ontluikende Omanitische democratie? Denkt hij echt dat in Oman de westerse vorm van 'verbale oorlogsvoering' tot de mogelijkheden behoort, een democratie waarin stromingen en groeperingen elkaar onbekommerd bekritiseren? Waarin de media dagelijks conflicten tussen ministers onderling en tussen het parlement en regering breed uitmeten?

In het El Alampaleis in het hartje van het historische Moskat, de hoofdstad van Oman, glimlacht de sultan toegeeflijk. "Wat wilt u? Dat we hier in een klap een periode van enkele honderden jaren kunnen overbruggen? Dat gelooft u toch zelf ook niet? Daarentegen geloof ik wel degelijk in de kans van slagen op een echte democratie hier. U moet het zien als een onomkeerbaar, bewust door ons gewild proces. Een weg die we vastberaden zullen volgen. Stap voor stap, en wel door na iedere stap er voor te zorgen dat we vaste grond onder de voeten krijgen voor we de volgende zetten. Daar geloof ik vast in." Zoals hij in zijn onberispelijke Engels zegt: "I am a strong believer."

Hij licht zijn overtuiging toe: "Oman is een islamitisch land. Maar voor ons staat vast dat de islam in de kern democratisch is. We geloven in gelijke kansen. We geloven dat onze leiders, zowel de geestelijke als de wereldlijke, zichzelf ten overstaan van God en het volk moeten bewijzen. We geloven dat burgers vrijelijk hun mening moeten kunnen uiten. Dat is de oorsprong van de islam, haar zuivere vorm. Dat de hedendaagse praktijk er vaak anders uitziet, zegt niets over de islam als wel over de vele ontwikkelingen en tradities die zich sindsdien hebben voorgedaan. Persoonlijk geloof ik dat de islam en democratie heel goed met elkaar kunnen samengaan. Datzelfde geldt ook voor de modernisering van ons land. Nergens staat geschreven dat we van de middelen die geboden worden geen gebruik zouden mogen maken."

Maar krijgt naast de onmiskenbare modernisering de democratie ook werkelijk een kans in Oman? Ruim twintig jaar geleden nam de huidige sultan de macht over van zijn vader, die de klok letterlijk had stilgezet. Van de trotse en open handelsnatie die Oman eens was, met een rijke historie, een land dat er zelf kolonien op nahield, waaronder het Afrikaanse Zanzibar, werd een wal opgeworpen tegen iedere vorm van vooruitgang. De oude sultan verbood zijn onderdanen zelfs een bril te dragen. Met zonsondergang gingen de poorten van het oude Moskat hermetisch op slot. Tot er olie gevonden werd, er in het zuiden in het aan Jemen grenzende Doefar een communistische opstand dreigde en een door Engeland begunstigde wisseling van de macht met de nieuwe sultan de poorten naar de toekomst werden opengezet. Sultan Kaboes bleek bereid de macht te delen: eerst door stammen uit het hele land te laten delen in ministersposten, ook uit het opstandige Doefar, vervolgens door een Raad van Advies in te stellen met daarin vertegenwoordigers uit de verschillende geledingen van de samenleving en tenslotte, op zijn twintigste jaarfeest als sultan nu twee jaar geleden, door de instelling van de Madjlis Al-Sjoera.

Sultan Kaboes: "In de Madjlis Al-Sjoera mogen de 59 regio's van het land, de wilaja's, elk een eigen kandidaat afvaardigen en wel zonder tussenkomst van de regering. Deze Madjlis kan ministers ter verantwoording roepen, hen bestoken met lastige vragen, kritiek leveren en dat alles wordt rechtstreeks uitgezonden op de televisie. Het is geen wassen neus. Er zal hard gewerkt moeten worden. Het beleid van de regering moet volop onderzocht en gecontroleerd worden. Binnen niet al te lange tijd, nadat we een volkstelling hebben gehouden, hoop ik de Majlis evenwichtiger te kunnen samenstellen. Nu heeft iedere wilaja elk een afgevaardigde. Later hoop ik ook rekening te kunnen houden met het aantal inwoners per wilaja. Het ledental van de Majlis zal dan waarschijnlijk verdubbeld worden."

Gemeten naar westerse maatstaven zijn de bevoegdheden van Madjlis bescheiden. Zeker, de regering heeft geen rechtstreekse bemoeienis met de kandidaatsstelling. Daarentegen verplicht diezelfde regering de wilaja's wel tot een voordracht van drie kandidaten, waaruit de regering de meest geschikte kiest.

Een beperking in onze ogen is ook dat de kandidaatstelling in de regio's geregeld wordt door een vergadering van sjeiks, zeg maar de familie- of stamhoofden, door een elite derhalve. Het is in de Omanitische wereld ondenkbaar een verkiezingssysteem te introduceren dat families en stammen buitenspel zet. Het volk zou het vermoedelijk niet begrijpen of willen accepteren. Een onvermijdelijk gevolg is evenwel dat het parlement door sjeiks of hun proteges wordt gedomineerd.

Dat lijkt een kwestie van tijd te zijn. Zo legt de plaatsvervangend voorzitter van de Madjlis, Sadik Abdoewani, uit dat als gevolg van de individualisering die zich ook in de Oman voordoet, de families in de stedelijke wilaja's talrijker en vooral kleiner van omvang te zijn dan op het platteland. Het gevolg was dat in de wilaja Roewi een geheime stemming van de vele sjeiks nodig was om de kandidaten voor te kunnen dragen.

'Het parlement, lam of leeuw?' vroeg te onzent oud-Kamervoorzitter Vondeling zich al af. De Omanitische volksvertegenwoordiging lijkt zich met de rol van lam tevreden te moeten stellen, want het heeft voornamelijk adviserende bevoegdheden. Het parlement ontbeert weliswaar formele, harde bevoegdheden, volgens Sadik Abdoewani is het wel onafhankelijk. Een ambtelijke- en of regeringsfunctie mag niet gecombineerd worden met het lidmaatschap van het parlement. Een parlementarier krijgt ook een royale schadeloosstelling en kan (afhankelijk van het aantal dienstjaren) aanspraak maken op een goed pensioen.

Belangrijker is evenwel dat het parlement tot dusverre door zijn werkwijze gezag afdwingt. De gang van zaken blijkt tot dusverre gericht te zijn op unanimiteit. Ministers worden uitvoerig gehoord, door het parlement ingestelde onderzoekscommissies rapporteren over hun bevindingen en uiteindelijk trekt het parlement in een rapport zijn conclusies: hoe er omgesprongen dient te worden met het spaarzame water, hoe het onderwijssysteem eruit moet zien, de mate waarin het bankwezen moet worden geprivatiseerd, tot en met het verstrekken van een glashelder antwoord hoe de wet eruit moet zien, die het fenomeen van de kamelenraces regelt.

Dit streven naar unanimiteit roept herinneringen op aan onze Sociaal Economische Raad in zijn hoogtijdagen. Ook die Raad bracht slechts adviezen uit, maar de unanimiteit van het gezamenlijke werkgevers- en werknemersfront, maakte dat die adviezen tegelijkertijd onaantastbaar waren. Droogjes constateert Abdoewani daarom: "Tot dusverre heeft de sultan onze rapporten onverkort overgenomen, zodat er voor de ministers weinig anders opzat dan ze ook onverkort uit te voeren."

In die laatste gang, de bekrachtiging door de sultan, zien we dat parlement ook een instrument is in de handen van de monarch dat hij tegen zijn ministers kan gebruiken. Daarmee tekent zich zijn mogelijk toekomstige rol af, namelijk die van een constitutioneel staatshoofd, zoals wij die ook kennen in de persoon van koningin Beatrix.

Zover is het nog niet. Toch aan de sultan maar de vraag gesteld of hij op termijn in een dergelijke machtsverschuiving zou berusten? De sultan reageert door over zichzelf te spreken in de derde persoon enkelvoud: "Wat dacht u? In ernst mag de sultan toch niet van zichzelf denken dat hij gelijk God met onvervreemdbare macht is uitgerust? Zijn rol is het om het volk te begeleiden en te leiden op een manier die het volk goeddunkt. Daarom ook hecht ik eraan dat het volk goed vertegenwoordigd is in het parlement. Op die weg wil ik voortgaan en als dat minder macht voor mij betekent, het zij zo. Als het volk het wil en kan, uitstekend. Een sultan hoort zijn volk te leiden als een vader."

Een andere vraag: introduceert de sultan met deze democratisering, met deze vertegenwoordiging van een groot aantal sjeiks in het parlement, niet tegelijkertijd het fundamentalisme? Het is niet erg waarschijnlijk in een land als Oman dat overwegend Ibadi-moslims kent, een geloofsrichting waarin sterk de nadruk wordt gelegd op de persoonlijke beleving van het geloof, op het eigen geweten (in dat opzicht lijken de Omanieten op calvinisten), maar toch, het fundamentalisme of liever gezegd, vormen van extremisme gedijen in de wereld van de islam. Sultan Kaboes relativeert het probleem: "Vormen van extremisme hebben altijd bestaan, vroeger ook al. Frustratie en teleurstelling blijken vaak de oorzaak te zijn en godsdienst wordt soms gebruikt om daaraan gestalte te geven. Maar noodzakelijk is die koppeling niet, kijk maar naar het extremisme in Duitsland. Vormen van fundamentalisme, van extremisme, waar die zich ook voordoen, dienen daarom zorgvuldig op hun eigen oorzaken bekeken te worden. Het is niet juist om dit extremisme automatisch te koppelen aan de islam. Hoe dan ook, ik vind niet dat de islam gebruikt mag worden voor extremistische, agressieve doeleinden. Ik hou er niet van, het is ook verkeerd. Religie is een geloof, dat niet misbruikt of op deze manier geexploiteerd mag worden."

Blijft de vraag waarom het fundamentalisme in islamitische landen zo'n omvang bereikt. De minister van buitenlandse zaken, Joesef bin Alawi bin Abdallah, heeft er een verklaring voor. Hij schetst hoe in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog de islamitische landen eerst in de ban raakten van het nationalisme, vervolgens bekoord werden door het socialisme en toen ook dat niet bleek te werken, er zoiets als een vacuum ontstond: "Het volk raakte gefrustreerd en in dit vacuum stond het fundamentalisme klaar om de harten van de mensen te vullen. In deze moderne tijd met de televisie, met zijn moderne communicatiemiddelen kreeg het vleugels. Maar het heeft de mensen in wezen niets te bieden. Het fundamentalisme lost de problemen niet op. Het zorgt niet voor brood op de plank. Het ondergraaft de handelscontacten en zoals we weten zijn daaraan in het verleden machtige rijken ten gronde gegaan. Maar who can stop the wheel? Afijn, het loopt wel weer dood. Maar wanneer?"

De secretaris-generaal van de Raad voor Ontwikkeling, Mohammed Moesa, drukt zich minder fijnzinnig uit. Hij vindt het 'idioot' dat in deze moderne tijd vrouwen in een land als Saoedi-Arabie niet mogen werken, ja, niet eens achter het stuur van een auto mogen zitten. "Gekkenwerk om vandaag de dag meer dan de helft van je potentiele arbeidsreserve af te schrijven. Dat is vragen om problemen. Een daarvan is dat Saoedi-Arabie niet rijker wordt, maar wel met een talrijker en veeleisender bevolking te maken krijgt. Op deze manier kunnen we de problemen in ons werelddeel nooit oplossen. En waarom? De fundamentalisten hebben niets te bieden. Ja, beloften. Zo kan ik het ook en als de mensen vragen: wanneer krijg ik daar iets van te zien, dan krijgen ze ijskoud te horen: je gelooft toch in een hiernamaals?"

Afijn, zoals gezegd, dergelijke vormen van extremisme of fundamentalisme lijken in het gematigde Oman weinig kans van slagen te hebben. Maar daarmee is niet alles gezegd. Frustratie is volgens de analyse van diezelfde Omanieten een belangrijke bron voor dit soort verschijnselen. Kan het land frustraties voorkomen? Tot dusverre zeker. De olie vloeide aanvankelijk spaarzaam en dat bracht met zich mee dat het land van meet af aan de nieuwe rijkdommen spaarzaam gebruikt heeft. De perspectieven voor de toekomst zijn niet ongunstig. Er zijn nieuwe olievoorraden aangeboord. Het land onderhoudt vriendschappelijke betrekkingen met de meeste landen. Het is er zelfs trots op dat niemand op deze wereld zich als een vijand van Oman beschouwt.

Ondertussen treedt er een nieuwe generatie aan. Ruim de helft van de bevolking van Oman is vijftien jaar en jonger. Die generatie is gewend aan de relatieve rijkdom, heeft hoge verwachtingen, maar die zullen in neerwaartse zin moeten worden bijgesteld. Immers, lang niet iedereen zal in de toekomst comfortabele functies bekleden. Er zal ook getimmerd en gemetseld moeten worden, werk dat tot dusverre door buitenlanders wordt gedaan. Of dat lukt? Sultan Kaboes heeft 1993 uitgeroepen tot het jaar van de jongeren. De nieuwe generatie gaat hem aan het hart. Maar zij zullen wel hun handen moeten laten wapperen, want de sultan heeft een hekel aan luie mensen.

Of het lukt? De toekomst zal het leren. Tot zo lang behoort het succes van dit islamitische land in de woorden van de Nederlandse ambasssadeur ter plaatse, mr. Chris. Sanders, tot 'het best bewaarde geheim'. Prozaischer gezegd: alleen als het fout gaat trekt een land mondiale belangstelling.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden