Suharto, de tijgerrijder

Van de vijftig jaar dat Indonesië onafhankelijk is heeft generaal Suharto er als president dertig beheerst. En nog steeds maakt hij, ondanks zijn hoge leeftijd (74), geen aanstalten op te stappen. Als een ware evenwichtskunstenaar weet hij zich te handhaven te midden van elkaar tegenwerkende krachten in het Javaanse schimmenspel.

De maand augustus, vijftig jaar na de proclamatie van de onafhankelijkheid door zijn voorganger Soekarno, is zorgvuldig uitgekozen om president Suharto positief in het nieuws te brengen.

Dat lukt maar zeer ten dele. De laatste tijd wordt de, al langer levende, kritiek op de president en zijn familie steeds openlijker aan de orde gesteld. Vooral de overmatige bescherming die zijn kinderen bij het zakendoen genieten en de oneerlijke concurrentie die daar het gevolg van is wordt publiek bekritiseerd. Om dat te onderstrepen trekken groepen studenten in verschillende grote steden de straat op om hun onvrede over de regering te uiten.

Suharto is een groot strateeg, die als evenwichtskunstenaar al dertig jaar de touwtjes in handen heeft, maar er is één ding waar hij niet tegen kan en dat is kritiek. Zijn sterke positie en de waardering voor zijn leiderschap, die er ook is, hebben hem niet het zelfbewustzijn gegeven om kritische verhalen gewoon te negeren.

Toen de Australische Sidney Morning Herald in 1992 met een serie artikelen over de zakelijke belangen van de familie Suharto kwam, werden op last van de president de betrekkingen met Australië verbroken, Australische journalisten het land uitgezet, toeristen weer verplicht visa aan te vragen en vliegtuigen van Qantas werd verboden nog langer te tanken op Indonesische vliegvelden.

Een jaar later verscheen een omvangrijke autobiografie van de president waarin twee schaduwschrijvers in 394 pagina's de buitenwereld willen laten weten hoe zijn leven werkelijk is. Omstandig gaat hij op alle kritiek in. Hij werkt hard, drinkt niet, heeft altijd de juiste beslissingen genomen, zijn kinderen zijn braaf, zijn familie beheert weliswaar grote fondsen, maar doet dat niet ten eigen bate maar slechts in naam, als voorzitter van stichtingen met goede doelen.

En keer op keer schrijft hij: “En als u mij niet gelooft, vraag het maar na, die en die weet er alles van”.

Niemand weet eigenlijk goed wat hij aan de op 8 juni 1921 geboren Javaan heeft. Hij wordt wel een mysticus genoemd, een gelovig mens, een islamiet, maar één die een kenner is van alle oude mystieke Javaanse gewoonten en die ook in ere houdt. Een man ook die als geen ander dat Javaanse schimmenspel beheerst, waardoor hij zo lang aan de macht kan blijven. Hoewel hij zich daar ook zeer over opwindt, wordt van hem gezegd dat hij voor belangrijke beslissingen een goeroe raadpleegt.

Hoe dan ook, hij weegt doorgaans zijn beslissingen zorgvuldig. Hij kauwt graag dagen op problemen. Impulsief of zeer direct handelen is er vrijwel nooit bij. Bij voorkeur kiest hij een tussenpositie waarbij hij de handen vrij houdt, zich niet helemaal bloot geeft en twee tegenstrijdige partijen tegen elkaar kan uitspelen.

Zijn jeugd is een beetje een trauma voor hem. Hij is geboren in een arm boerengezin als derde kind, in het dorp Kemusa ten westen van Jogjakarta. Na de scheiding van zijn ouders krijgt zijn vader nog vier kinderen en zijn moeder nog zeven. Maar voor de kleine Suharto, die naar Javaanse gewoonte slechts één naam krijgt, is dan eigenlijk geen plaats meer. Hij wordt voornamelijk grootgebracht door een kinderloze oom en tante, die hem in ieder geval naar school laten gaan.

Na de middelbare school kan hij als opgroeiende jongen bij een bank terecht als klerk. Hij vindt dat maar een vervelend baantje, maar kan zich niet permitteren te stoppen. Zijn carrière als bankbediende loopt echter dramatisch af als hij zijn sarong (wikkeldoek) scheurt en geen geld heeft om een nieuwe te kopen. Zonder fatsoenlijke sarong durft hij niet terug naar zijn baas.

Belangrijk voor zijn denken is zijn militaire opleiding, die begon in 1940 bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, het KNIL. De Japanners, bij wie hij zich als vrijwilliger meldde, zullen hem echter later in een kaderopleiding discipline en militaire idealen bijbrengen.

Na de onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus 1945 sluit hij zich aan bij de Indonesische Volksveiligheidsdienst. Hij onderscheidt zich op 1 maart 1949 als commandant door in een guerrilla-aanval de Nederlanders gedurende een etmaal uit Jokjakarta te verdrijven. In de jaren daarna tot aan 1965 maakt hij carrière in het leger van Indonesië en reikt tot net onder de top. Zijn rechtlijnigheid gaat steeds meer zijn persoonlijkheid beheersen. Toch zal hij later de beperkingen van zijn uitsluitend militaire opleiding inzien. Hij klaagt vaak als het ambt van president hem zwaar valt dat hij daartoe niet is opgeleid en de intellectuele bagage mist.

Wat er precies is gebeurd zal lang een raadsel blijven. De officiële lezing is dat in de nacht van 30 september op 1 oktober 1965 een opstandig deel van het leger, onder leiding van overste Untung van Soekarno's lijfwacht, in samenwerking met de communistische partij PKI, een coup pleegt en een aantal hoge militairen ombrengt. Suharto wordt niet vermoord, volgens eigen zeggen omdat hij die nacht niet thuis was. Anderen zeggen dat hij niet op de dodenlijst stond omdat hij van de moordpartij afwist.

De coup zou een verzinsel zijn om het leger de kans te geven in te grijpen. De militairen zijn ontevreden over de sympathie die de eerste president van de republiek, Soekarno, voor de communisten koestert. Hij reageert volgens velen te naïef op de groeiende machtshonger van de communisten.

Suharto, dan commandant van de strategische reserve (Kostrad), grijpt met een soort tegencoup daadkrachtig in, geeft de communisten van alles de schuld en zet Soekarno steeds meer onder curatele. Op 11 maart 1966 dwingt hij Soekarno hem alle volmachten te geven. Soekarno blijft slechts in naam president. Suharto heeft dan, met steun van het leger, alle touwtjes in handen en zal ze niet meer afgeven.

Op 27 maart 1968 wordt Suharto formeel tot president gekozen door het volkscongres. In 1993 is hij aan zijn zesde termijn begonnen. En velen vrezen dat hij in 1998 opnieuw president wil worden om Indonesië de volgende eeuw binnen te leiden.

Direct na de couppoging volgt een heksenjacht op allen die in de verste verte van 'communisme' beschuldigd kunnen worden. Dat bloedbad, gepleegd en gestimuleerd door bepaalde legereenheden en islamitische jeugdorganisaties, heeft aan honderdduizenden Indonesiërs het leven gekost, terwijl nog eens honderdduizenden mensen gevangen worden gezet. Er wordt een diepe haat gezaaid tegen alles wat communist is of daar maar op lijkt. De gevolgen daarvan zijn in de Indonesische samenleving tot een trauma geworden, dat nog steeds doorzeurt.

Bij de gratie voor Soebandrio, (Soekarno's minister van buitenlandse zaken) Omar Dhani en Soetarto eind juli van dit jaar, leefden veel van die oude sentimenten weer op. Een deel van de legertop nam een zeer onverzoenlijke houding aan en verzette zich hevig tegen gratie voor betrokkenen bij de couppoging. Alsof de oude mannen de dreiging van het communisme opnieuw tot leven zouden kunnen brengen. Maar afgelopen woensdag zijn Soebandrio en zijn medestanders dan toch vrijgelaten.

Suharto heeft al zijn evenwichtskunst moeten benutten om het leger 'om' te krijgen en daarvoor waardering geoogst bij vriend en vijand. De gekozen oplossing is dat de drie geen lidmaatschapskaart van de communistische PKI hebben gehad, maar slechts gelegenheid hebben gegeven aan communisten de macht te grijpen. Tientallen andere gevangenen die wel lid zijn geweest van de PKI, hoeven niet op clementie te rekenen, ook na dertig jaar niet.

Suharto heeft met wat wordt genoemd de Nieuwe Orde in Indonesië een sterke staat gebouwd. Met een opmerkelijk organisatietalent, veel daadkracht en zeer consequente rechtlijnigheid heeft hij de bestaande staatsideologie geperfectioneerd, totdat in alle hoeken van het eilandenrijk tot op het laagste niveau, in de kampong, orde heerste.

Waar de orde in gevaar kwam werd hard, soms zeer hard ingegrepen en dat heeft het land een discutabele staat van dienst inzake de mensenrechten opgeleverd. Suharto's macht is gebaseerd op de steun van het leger en op de inmiddels perfect georganiseerde bureaucratie. Militairen en bureaucraten vormen het hart van zijn Golkar, de organisatie die met een grote meerderheid in het volkscongres steeds opnieuw Suharto tot president kiest.

Indonesië had begin jaren zeventig nog de wind mee vanwege lucratieve olie-inkomsten. Na de daling van de olieprijzen echter moesten drastische maatregelen ervoor zorgen dat de tekorten van de overheid niet uit de hand zouden lopen. De salarissen van overheidspersoneel zijn weliswaar niet erg hoog, maar de bureaucratie telt zoveel werknemers dat de uitgaven flink in de papieren lopen.

Wanneer Suharto eenmaal rationeel een beleid uitstippelt, wordt dat met ijzeren consequentie doorgevoerd. Dat is tevens de basis geworden van een succesvol economisch beleid met relatief lage inflatie- en hoge groeicijfers. Volgend jaar wordt een groei van meer dan 7,5 procent verwacht.

Maar alles heeft zijn keerzijde. De economische groei kwam vooral bij enkele monopolies en families terecht. En de familie van Suharto zelf stond en staat bepaald vooraan bij het verdelen van de koek. De president verdedigt dat door te zeggen dat er eerst kapitaalkrachtige ondernemingen moeten zijn, die kunnen investeren voordat de economische groei kan worden verdeeld.

Inmiddels wordt de groeiende kloof tussen arm en rijk als de grote zwakte gezien voor de toekomst van Indonesië. Zelfs de Wereldbank maant het eilandenrijk meer te doen aan een rechtvaardiger verdeling van de groeiende rijkdom, omdat anders de bereikte resultaten door sociale onrust in gevaar komen.

Suharto heeft wel te kennen gegeven een wat socialer beleid te willen voeren, maar tegelijk vraagt hij grotere offers van de samenleving om de ontwikkeling van hoogwaardige technologie te bekostigen, zoals het ontwerpen en bouwen van een eigen vliegtuig.

In 1947 trouwde Suharto met Sita Hartina. Voor vrienden heet ze Tien. Maar de critici van de familie hebben daar onmiddellijk 'Mevrouw Tien Percent' van gemaakt, verwijzend naar haar geldhonger. Ze kregen zes kinderen, drie zonen en drie dochters, inmiddels bijna allemaal in business. Ze hebben grote belangen in vrijwel alle strategische industrieën en diensten.

Zoon Bambang runt de miljarden-holding Bimantara. De oudste dochter Siti spant de kroon met belangen in tv-maatschappijen, de olie-industrie en tolwegen.

Waar de laatste tijd de meeste ophef over wordt gemaakt is de oneerlijke concurrentie. De kinderen gebruiken hun positie om anderen te slim af te zijn. Als iemand hen dwarsboomt gaan ze bij papa klagen. Zo hebben zeer vooraanstaande Indonesiërs een publieke schoffering of ontslag moeten ondergaan omdat ze de kinderen van Suharto gunsten weigerden.

De toenemende kritiek maakt dat Suharto steeds meer alleen komt te staan. Er is geen natuurlijke opvolger, ook al omdat Suharto nooit een sterke medestander aan zijn zijde heeft toegelaten. Om zijn positie en die van zijn familie veilig te stellen zal hij aan de macht moeten blijven, ook in 1998 als het volkscongres, na verkiezingen in 1997, opnieuw een president kiest.

Zelfs in het leger gaan stemmen op om Suharto niet langer te steunen maar de kaarten te zetten op de democratische krachten die in het land opdringen. De weg van de democratie biedt wellicht meer kansen voor een ordelijke toekomst dan een voortzetting van het beleid van Suharto, is de redenering.

Omgekeerd lonken democratische krachten naar het leger. Vooraanstaande democraten als Arief Budiman pleiten voor een coalitie van het leger en de democratische beweging, als beste uitweg uit de huidige dictatuur.

Het leger is echter zeer verdeeld. De legertop aarzelt om Suharto los te laten. De generaals zijn niet alleen bang voor meer democratie, maar vrezen ook de groeiende invloed van de islam, waar zoveel jongere officieren een zwak voor hebben.

Jonge Indonesische islamieten hebben een grote belangstelling voor levensvragen en verwijten hun ouders een te materiële instelling. Sekten bloeien en moskeeën lopen vol. Dat verklaart de groeiende invloed van de Associatie van Indonesische Moslim Intellectuelen (ICMI).

Deze organistie zoekt een verbinding tussen moderne technologie en de waarden van de islam en is opgericht door de minister van technologie Habibie. De ICMI geniet de warme steun van Suharto. Vele Indonesiërs zien daarin weer een meesterzet van de strateeg. Een sterke islamitische beweging zou het leger van avonturieren met de democraten kunnen weerhouden.

Op die wijze zou de evenwichtskunstenaar opnieuw een balans van macht en tegenmacht gecreëerd hebben die zijn eigen positie veiligstelt. Maar eenmaal moet de machtswisseling komen en de garantie dat die ordelijk en zonder geweld verloopt is er niet. Wat dat betreft is Suharto inderdaad een 'tijgerrijder', zoals de Indonesiërs dat noemen: iemand die de macht niet meer uit handen durft te geven omdat hij bang is door de krachten, die hij zelf heeft opgeroepen, te worden verslonden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden