Subversief kerstspel 'De Ster' vraagt om herwaardering

Een absoluut meesterwerk, bewijs van christelijk schrijverschap: een halve eeuw na de dood van Martinus Nijhoff verdient zijn 'De Ster van Bethlehem' herwaardering. Uit nog niet gepubliceerd onderzoek blijkt 'De Ster' -nog steeds hier en daar te zien- in de Tweede Wereldoorlog een daad van verzet geweest te zijn.

Lodewijk Dros

Een foto van een kerststal met een engel ernaast, inwisselbaar voor zoveel andere beelden. Maar dít kerstspel 'is een meesterwerk', zegt Frida Balk, emeritus hoogleraar Nederlandse taalkunde. En die engel was zijzelf, meisjesnaam Smit Duyzentkunst, kort na de oorlog, in een vrijzinnig godshuis. ,,Het was toen niet uitzonderlijk om vrijzinnig protestant te zijn.'' Zij was het, veel intellectuelen en deftige mensen waren het.

Schrijver van het spel was Martinus Nijhoff (1894-1953). Hij kreeg in de zomer van 1941 van mevrouw De Jong-Schermerhorn -zus van de latere premier, neerlandica en getrouwd met de vrijzinnige predikant J. de Jong- het verzoek een kerstspel te maken. ,,Ik was geheel vrij, als er maar zoveel mogelijk jeugdige personen aan de uitvoering zouden kunnen meewerken'', schreef Nijhoff later. Hij dacht eerst aan een dierenkerstspel, het werd 'De Ster van Bethlehem'. Nog datzelfde jaar ging het in première, op tweede kerstdag, in de Amsterdamse Nieuwe Remonstrantse kerk (tegenwoordig: Vrijburg).

Over 'De wandelaar', 'Awater' en 'Het uur U' zijn boeken volgeschreven. Hoewel 'De Ster' na Vondels 'Gijsbrecht van Aemstel' het meest opgevoerde stuk van Nederland is, lieten wetenschappers en intellectuelen het links liggen, zegt Frida Balk. Net als Nijhoffs andere lekenspelen (in 'Verzamelde Gedichten' opgenomen als 'Het Heilig Hout').

Daar moet verandering in komen, vindt Balk. ,,De Ster is een ab-so-luut meesterwerk. De dialogen: spreektaal én poëzie. De opbouw van het drama. De wijze waarop Nijhoff de evangelietekst van Mattheus volgt -het lijkt wel Bachs Passion.''

De veronachtzaming van het meesterwerk begrijpt Kees Bregman wel. De theoloog bereidt een proefschrift voor, waarin hij achtergrond en functie van het stuk belicht. ,,Het was voor sommige literaire critici geen Kunst. Zo simpel is het. Je kunt het zien als gebruikspoëzie. Het doel was 'wijding', godsdienstige ontroering. Na de opvoering werd niet geklapt, maar gezongen: 'Ere zij God', op de bekende stampende melodie. 'De Ster' was opgenomen in de liturgie, stond op de plaats van de preek, was een gespeelde verkondiging.''

Dichter en generatiegenoot Adriaan Roland Holst zei het volgens Balk al: ,,Ik heb liever Awater dan wijwater.'' Moeite met het religieuze van Nijhoffs poëzie hebben collega's en critici nog altijd. Als het christelijk is, dan moet het intellectuele establishment er niets van hebben. Balk: ,,Gelovigheid is volstrekt taboe.''

Volgens psychologe dr. Francine Albach maken wetenschappers zich ervan af door de godsdienstigheid van Nijhoff te beschouwen als een jeugdzonde. Of ze wijzen op de ziekelijke band die Nijhoff had met zijn moeder, een heilssoldate.

Theoloog Bregman is terughoudend. ,,Nijhoff noemde zichzelf 'een onkerkelijk mens'. Van zijn vroege werk kun je zeggen dat het christelijke erin poëticaal is. In het latere, waaronder 'De Ster', proef je wel iets authentiek religieus'. Het debat erover is nogal gevoed door annexatiedrift van beide zijden.''

De vader van Francine Albach, Ben Albach, stond aan de wieg van het kerstspel. Een haastklus was het, het stuk dat volgens dochter Francine 'in anderhalve maand in elkaar geramd' is. Albach senior, 96 inmiddels, regisseerde.

Volgens Bregman leverde Albach een grote bijdrage aan het dramatische karakter: theaterhistoricus Albach bedacht de enscenering -simultaantoneel met rechts Jeruzalem en Herodes, links Bethlehem en stal. De grote rol die Herodes kreeg toebedeeld was ontleend aan de Ordo Stellae en het Maastrichts Passiespel, twee middeleeuwse mysteriespelen die Nijhoff van, alweer, Albach kreeg.

Francine Albach, Balk en Bregman werken aan een publicatie over 'De Ster'. Ze zoeken nog gegevens, vooral over de rol die het stuk speelde in de bezettingsjaren. Het professionele toneel, zegt Albach, was in die tijd 'fout': acteurs moesten tekenen voor de door Duitsers gecontroleerde Kultuurkamer. Van 'grijs', de term die al jaren voor discussie zorgt, willen Albach en Balk niet weten: het was een kwestie van kiezen, goed of fout.

Omdat de lekenspelen kerkelijk waren, hadden de acteurs ('leken') niets te maken met de Kultuurkamer. Nijhoff deed er graag aan mee, en volgens Bregman niet alleen om het religieuze karakter van de tekst. Als kunstenaar die ver bleef van de Kultuurkamer had Nijhoff ook geen andere mogelijkheid om werk opgevoerd te krijgen. ,,Hij zocht duidelijk een opdracht van de gemeenschap. Nijhoff wilde een 'dichter des vaderlands' zijn.''

De rol van kerkelijk toneel was tot voor kort onbekend bij het Theaterinstituut Nederland (TIN). Dat inventariseert het toneel tijdens de Tweede Wereldoorlog (www.tin.nl/wo2/index.htm). ,,Ik was verrast'', zegt Hans van der Veen van het TIN. ,,Het verzetsaspect bij dit soort theater had ik niet verwacht. Bij het Niod liggen verslagen van de Duitse censuur, maar daar heb ik nooit een spoor van dergelijk toneel aangetroffen.''

,,Mijn vader'', zegt Francine Albach fel, ,,was medeoprichter van het TIN, maar hij mocht een halve eeuw niets positiefs over lekenspelen zeggen. Dat was kerkelijk, braaf, truttig. Terwijl 'De Ster' bedoeld was als tegenwicht voor NSB-toneel.'' Van der Veen zegt dat het TIN volgend jaar het verhaal over 'De Ster' (en over Nijhoffs pinkster- en passiespel) wil uitgeven.

Volgens Albach hielden onder veel anderen Ed Hoornik en Henriëtte Roland Holst het tijdens de eerste opvoering in 1941 niet droog. Het volgende jaar werd het stuk al door 29 kerkelijke gezelschappen gespeeld. Voor een Hollander, getogen in de oorlog, is ,,de voorstelling van Kerstmis onafscheidelijk verbonden met Nijhoffs 'Ster van Bethlehem'', aldus schrijver Kees Verheul, die ooit zelf meespeelde.

De kerken zaten vol als 'De Ster' gespeeld werd. ,,Het was'', zegt Balk, ,,het enig behoorlijke wat er was aan podiumkunsten.'' Albach: ,,Naar andere dingen kón je niet.''Die waren gecompromitteerd door de Kultuurkamer.

De foute Telegraaf was in 1941 lovend. De tekst van 'De Ster' leek niet politiek geladen. Maar Francine Albach wijst op het personage Herodes, de kindermoordenaar, die niet eerder zó prominent in een kerstspel voorkwam. En op de barmhartigheid waartoe het stuk oproept, haaks op de hardheid van de nazi's. 'Geestelijke verzetspoëzie', noemt ze het.

Frida Balk zegt dat het stuk 'niet zo begonnen is, maar wel subversief werd'. Het keurige, gegoede vrijzinnig-protestantse milieu, eerst 'lauw-fout' (Ben Albach), werd steeds meer antiDuits, zegt Balk. Het predikantenechtpaar De Jong was daarin actief, Albach hielp joden onderduiken. Nijhoff, vanaf 1942 een verboden schrijver, had onderduikers in huis en hij adviseerde bij de aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister.

'De Ster' werd een verzetshaard, al wisten veel spelers dat niet. Ben Albach: ,,Iedereen hulde zich in zwijgen, ook tegenover mij.'' Zijn dochter: ,,Dat zwijgen hebben ze vaak een levenlang volgehouden. Pas dit jaar kwam ik erachter, welke rol 'De Ster' in het verzet gespeeld heeft.'' Francine Albach noemt het goddelijke leiding dat ze elkaar tegenkwamen in 'De Ster'. Balk houdt het op 'herkenning'.

Onder de spelers zaten grote namen. Op foto's is coach Claudine Witsen Elias te zien, een aristocratische freule, en beroemd voordrachtskunstenares. Annie de Bruijn werd bekend onder haar artiestennaam Elisabeth Andersen, Henny Orri kwam erachter dat niet het predikantschap, maar acteren voor haar was weggelegd.

De opmerkelijkste lekenspeler tijdens de bezetting was Nokie Gompertz-Wertheim, zeventien toen, en geknipt voor de hoofdrol van Eva, vond Ben Albach. ,,Ze deed niet alsof, je kon merken dat ze méénde wat ze zei.'' Dat maakte het lekentoneel anders dan gewoon toneel, 'waarachtig'. Hier gelóófde je je rol.

Gompertz bewijst het tegendraadse van 'De Ster': een jodin speelde Eva, op voorspraak van Ben Albach, terwijl het leven joden onmogelijk werd gemaakt. Gompertz werd in 1943 opgepakt, maar wist uit de Hollandsche Schouwburg te ontsnappen. Ze overleefde de oorlog.

Heftig debat leverde een nieuwe, naoorlogse enscenering van Arend Hauer (vader van Rutger) op. Volgens Nijhoff leed het simultaantoneel eronder, de rol van Maria was hem te groot geworden, te rooms. Het publiek was wél enthousiast. Onder hen hoogleraren, excellenties en blauw bloed. Op prinses Wilhelmina en haar kleinkinderen -net zo vrijzinnig als de lekenspelers- maakte het stuk in 1949 indruk.

Twaalf jaar later voerden de prinsessen Margriet (zwijgende Maria), Irene (engel) en Beatrix 'De Ster' op in het paleis op de Dam. ,,Beatrix speelde Eva vanuit haar hart'', zegt Francine Albach.

Met die koninklijke opvoering, te zien op het Polygoonjournaal en in de Libelle, kwam met een paukenslag een eind aan de enorme populariteit van 'De Ster'. Het lekenspel had zijn beste tijd gehad.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden