Subtiele wraak op bedrog van de moderne kunst

Vermeers Laatste Avondmaal schilderde Van Meegeren in 1939. In 1984 werd het tentoongesteld in Rotterdam. @FOTO ANP (Trouw)

Met plastic Vermeers zette Han van Meegeren de kunstwereld te kijk. Wetenschapsjournalist Edward Dolnick ontleedt de manier van werken en denken van de vervalser die bij zijn dood een cult- en heldenstatus had.

Het was een bijzondere tentoonstelling die 29ste oktober 1947. Acht schilderijen sierden de wanden van de rechtszaal van het Paleis van Justitie aan de Amsterdamse Prinsengracht. Twee interieurs werden tot kort daarvoor toegeschreven aan Pieter de Hooch, zes bijbelse taferelen aan Johannes Vermeer. Kunstexpert Abraham Bredius noemde De Emmaüsgangers ’zo betrouwbaar als goud, zo belangrijk als De Nachtwacht’. Toen het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen in 1938 de tentoonstelling ’Meesterwerken uit vier eeuwen, 1400-1800’ presenteerde, waren de omslag en de eerste vier pagina’s van de catalogus gereserveerd voor hetzelfde schilderij.

In 1947 was helder dat het allemaal bedrog was geweest. Van Meegeren leek te genieten van het moment. „Terwijl de camera’s klikten en flitsers afgingen, bewonderde de schilder zijn eigen werk”, schreef een verslaggever. „Nooit eerder heeft iemand hier zo veel publiciteit weten te trekken.”

Dankzij een bijna gretig bekennende verdachte en goed onderzoek vooraf was de rechtbank najaar 1947 snel klaar:

Van Meegeren werd tot een jaar cel veroordeeld, een maand later overleed hij. Toch is de zaak in de jaren daarna blijven intrigeren. De wetenschapsjournalist Edward Dolnick voegt met ’De vervalser’ een nieuw boek toe aan de kleine bibliotheek over het onderwerp. De auteur is niet altijd even zorgvuldig als het gaat om zijn schets van Nederland tijdens de bezetting, maar is daarentegen bedreven in het beschrijven van Van Meegerens werkwijze van het bakken van proefdoeken om ze snel hard te laten worden tot het bereiken van craquelé en het aanbrengen van Oost-Indische inkt in de scheurtjes om vuil te suggereren. Dolnick legt ook de zwakheden bloot van het wereldje van de kenners: deskundigen hebben een vrijwel onbeperkt vertrouwen in de eigen mening, worden gedreven door eerzucht en kijken soms meer met hun oren (wat zeggen anderen?) dan met hun ogen. Ze gaan daardoor snel dingen zien, die ze willen zien.

Van Meegeren koos bewust voor het vervalsen van Vermeer. Die kunstenaar was lange tijd min of meer vergeten, tot hij in de tweede helft van de negentiende eeuw herontdekt werd en plotseling gewaardeerd werd als een van de allergrootsten ooit. Het aantal van deze meester bekende schilderijen was met 35 uiterst beperkt, de levenswandel van de Delftenaar bleef voor een belangrijk deel in nevelen gehuld. Al die speelruimte, met de grote bedragen die vervalsingen konden opbrengen, trok Van Meegeren.

Vervalsen was ook bij hem vaak een zaak van slim combineren: wat pareloorbellen, gejat van het ene schilderij, en wat blauwe stof van het andere maakten met een beetje geluk en vakmanschap een nieuwe ’Vermeer’. Van Meegeren ging echter nog een stap verder door een nieuwe Vermeer te creëren, de schilder van de bijbelse taferelen. Omdat er nog zoveel oningevuld was rond de meester, kwamen de kenners wel met een verhaal. De vervalser hielp ze een beetje. De opstelling op ’De Emmaüsgangers’ viel bijvoorbeeld te herleiden tot een werk van Caravaggio. Dat was precies de missing link waar de deskundigen op zaten te wachten: door het leggen van verband met de Italiaanse meester won de statuur van Vermeer nog verder aan gewicht.

In het diepst van zijn gedachten was Van Meegeren (1889-1947) een groot kunstenaar. In werkelijkheid kon de schilder dankzij opdrachten uit gegoede kringen en het geven van les aardig leven van zijn werk, maar moesten de critici weinig hebben van zijn weeïge en zoete voorstellingen. Ze noemden de door hem afgebeelde figuren ’slap en krachteloos’.

In de kroeg en in betogen in marginale blaadjes haalde Van Meegeren uit naar het bedrog dat moderne kunst heette. Recensenten bewaarden hun loftuitingen volgens hem voor ’kunstbolsjewieken’, oplichters die maar wat op hun doeken kliederden, ’een zootje laaghartige, lallende gekken’.

Van Meegeren verdiende naar huidige maatstaven zeker dertig miljoen dollar met zijn vervalsingen (het geld ging voor een belangrijk deel op aan hoeren en snoeren). Wraak en sensatiezucht waren andere drijfveren. Hij vertelde ook graag het verhaal hoe hij zich bij de presentatie van ’De Emmaüsgangers’ onder het publiek had gemengd in het Museum Boijmans. Nadat Van Meegeren zich door de drukte eindelijk een weg naar voren had kunnen banen, bekeek hij het schilderij en zei dat hij het niet erg kon waarderen. Geschokte omstanders begonnen daarop de ’Vermeer’ nog luidruchtiger te prijzen. De werkelijke maker ging er tegenin. Vermeer schilderde toch nooit dit soort bijbelse taferelen. Dit moest haast wel een vervalsing zijn. Maar alle kritiekpunten werden door de andere museumbezoekers weerlegd.

Of het echt zo gegaan is, of dat de vervalser met deze herinneringen is gekomen om de mythe-Van Meegeren wat meer glans te geven, is onduidelijk. Alle drukte en waardering rondom ’De Emmaüsgangers’ en de andere werken van zijn hand moeten de wraak- en sensatiegevoelens van de schilder goed hebben gedaan. Hij had iedereen in de luren gelegd met zeventiende-eeuwse schilderijen van plastic. Om echtheidstesten te kunnen doorstaan (de verf mocht niet oplossen in alcohol) was Van Meegeren immers gebruik gaan maken van bakeliet, een stof die in 1907 voor het eerst in een laboratorium werd gecreëerd.

Kunstvervalsers kunnen vaak rekenen op sympathie van het publiek. Bij hun misdaden vallen geen slachtoffers. Het enige wat sneuvelt, is de reputatie van kunstkenners. In de ogen van de brede massa zitten daar nogal wat snobs en verkopers van gebakken lucht bij. Dat deze types een lesje in bescheidenheid krijgen, kan geen kwaad.

Ook Van Meegeren had een cult- en heldenstatus bij zijn dood, twee maanden na het begin van de rechtszaak aan de Prinsengracht. Hij gold als de man die nota bene Hermann Göring had afgezet. Dolnick laat goed zien hoe merkwaardig die beeldvorming eigenlijk was. De vervalser had niet alleen mensen bedonderd, hij had tijdens de bezetting bruine sympathieën en deed goede zaken met de allerfoutste nazi’s.

Dolnick lost niet alle raadsels rond Van Meegeren op. Ook hij kan niet uitleggen hoe Van Meegeren zoveel succes kon hebben. Volgens de auteur is hij misschien wel de enige vervalser wiens beroemdste werken door een leek onmiddellijk als onecht zouden worden erkend. Dolnick: „Een ’Vermeer’ van Van Meegeren naast een echte Vermeer is als een wassen beeld van Madame Tussaud naast een mens.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden