Student is meer dan consument van universiteit

De auteur is rector magnificus van de rijksuniversiteit te Leiden.

L. LEERTOUWER

Schrijver dezes houdt van de universiteit; van de kale Leidse juffer, die hij als rector mag dienen, misschien nog net iets meer dan van de struise Groninger boerendeern, die zijn eerste academische hartstocht wekte en zo royaal bevredigde. Daarom vind ik het onverdraaglijk, dat die beide minnaressen samen met haar elf jongere zusters in het parlement worden geschoffeerd en miskend. Het voorlopige slotakkoord van de gedachtenwisseling was al even vals en troebel: een in het nauw gebrachte minister brengt de kwestie in arren moede terug naar het kabinet om, zoals hij zei, “alle argumenten nog eens zorgvuldig te wegen”. Welke argumenten?

Deze krant meent, dat de bescherming van de academische vrijheid - of wat daarvan nog over is - de kern van het debat had moeten vormen. Ik ben het daarmee eens. Maar de sprong van dat discussieniveau naar het peil van het kamerdebat is zo diep, dat het zin heeft nog eens stap voor stap na te gaan, welke praktische zaken onbesproken bleven.

Democratie

Een universiteit kan niet zonder democratie. Als ze al op een onderneming lijkt, dan is het er eentje met pakweg tweeduizend directeuren (de hoogleraren en wetenschappelijke staf) en tienduizenden aandeelhouders (de studenten). Hoe kan dat openbaar nutsbedrijf bloeien zonder het zelfreinigend effect van een wederzijdse controle tussen bestuurders en bestuurden? Inspraak alleen is niet voldoende, straffe directieven van bovenaf verdwalen in een oerwoud van nooit opgehelderde tegenstellingen; het spel wordt belangrijker dan de knikkers en daaraan gaat de universiteit, anders dan blijkbaar de Kamer, te gronde, omdat haar creativiteit te gronde gaat - en die is nu net de reden, waarom de b.v. Nederland de universiteit niet kan missen.

Vanaf de zeventiger jaren, toen dat besef met een schok tot de universiteit doordrong, heeft zij de democratie vorm gegeven met behulp van een model, dat op alle niveaus nog het meest op dat van de gemeenteraden leek. Daaraan kleefde vanaf het begin een bezwaar. In de eerste plaats omdat - anders dan bij de gemeenteraad - bevoegdheden en verantwoordelijkheden van elkaar waren losgemaakt. De raden en vakgroepen hebben de bevoegdheid om mee te besturen, maar dragen niet de verantwoordelijkheid voor de resultaten, want die ligt bij het college van bestuur. Wie breekt, hoeft nooit te betalen; wie pijnlijke keuzes ontwijkt, komt zichzelf nooit tegen en wie zo van dat spel geniet dat hij aan zijn zetel kleeft, wordt nooit van het kussen gestoten door zijn kiezers, want die hebben wel wat beters te doen, namelijk onderzoeken en onderwijzen.

In deze vorm van democratie kan niemand veel tot stand brengen, maar iedereen kan vrijwel alles tegenhouden. Dat wordt nog het duidelijkst bij het zogenaamde budgetrecht van de raden, het recht dus om de begroting vast te stellen. Sinds de universiteiten door de overheid financieel in de kou worden gezet en ongeveer een derde van het benodigde geld zelf buiten de deur moeten verdienen, dragen ze bijzondere risico's en zijn ze aangewezen op slagvaardigheid. Het valt de raden niet kwalijk te nemen, dat ze die miljoenenrisico's niet overzien. Daarbij zijn ze vaak geobsedeerd door de verdelende rechtvaardigheid en interne belangentegenstellingen. Dat levert alleen maar gepruttel over bijzaken op, net als in de Tweede Kamer.

Minister Ritzen heeft ingezien, dat deze vorm van democratie tot de draad versleten is, daarbij geholpen door een paar ernstige bedrijfsongevallen, zoals de bestuurscrisissen in Delft en Leiden. Hij verdient voor dat inzicht de krachtige steun van de volksvertegenwoordiging en van de universiteiten.

De bestuursvorm die nu op haar laatste benen loopt, was niet de vrucht van goed nadenken over wat het beste was voor de universiteit, maar het product van de revolutie van de zeventiger jaren. Die begon niet bij de universiteiten, maar bij de ziekenhuizen: toen de bolwerken van een volstrekt verkalkte machtsverdeling. De universiteit volgde, want de massale toestroom van studenten had het binnen haar muren bestaande evenwicht in de machtsverhoudingen uitgehold. In Nederland wordt de soep nooit zo heet gegeten als ze wordt opgediend: het uiteindelijke compromis bevredigde niemand, maar stelde wel bijna iedereen min of meer gerust. De universiteit sprong gehoorzaam door allerlei wettelijke hoepels, want over haar unieke waarde wordt nu eenmaal al eeuwen beslist in de collegezaal en in het laboratorium, niet in vergaderlokalen. Wij zagen kans de productiviteit met veertig procent te verhogen, terwijl de middelen almaar slonken; wij bedachten trucs om te overleven, buiten de wet en als het moest daartegenin, want de universiteit is nu eenmaal geen filiaal van het departement in Zoetermeer; in het openbaar beleden wij de academische vrijheid, in het geniep vertelden wij elkaar de wrange grap over die hoogleraar, die na een hartaanval in het ziekenhuis wakker wordt en een bloemstuk ziet met een kaartje eraan: “Van harte beterschap, uw vakgroep, met 18 stemmen voor, 12 tegen en 5 onthoudingen.”

Gelijkheidswaan

Het regime dat de minister nu voor ogen staat, is - hoe kan het ook anders? - evenmin vrij van de waan van de dag als het vorige bedenksel. Nu gaat het om het algemeen beleden bijgeloof in de werking van de markt en in de ondernemingsgewijze productie van alles, ook van de meest ongrijpbare geestesgoederen. Ook die houden grote risico's in voor de univeristeit - maar die zijn niet gevaarlijker dan de gelijkheidswaan en het geestdodende formalisme van nu. De universiteit heeft die, zij het met hangen en wurgen, tot nog toe overleefd. Het wetsontwerp belooft een paar hoopvolle verbeteringen - die mogen niet bedolven raken onder een ideologische discussie tussen twee vormen van bijgeloof.

Het is daarom zo treurig, dat de Kamer de aandacht afleidt van deze verbeteringen met amendementen over de vraag, of studenten in besturen mogen zitten, dan wel zich hebben te beperken tot de rol van consument met afdwingbare rechten. Er bestaan uitstekende ervaringen met student-bestuurders; maar zo'n amendement is volstrekt in strijd met de interne logica van het wetsvoorstel en het komt niet tegemoet aan de werkelijke bezwaren van de studenten. Het personeel zal zich wel redden met een ondernemings- of medezeggenschapsraad, te meer omdat het dan in geval van conflict naar de onafhankelijke rechter kan stappen en zich niet hoeft over te leveren aan de grillen van de politiek.

Keurslijf

De studenten echter hebben weinig of niets aan een consumentenbond en aan dat fundamentele bezweaar wordt niet tegemoet gekomen, door in het keurslijf van een bedrijfsmatige hiërarchie een enkele student in te weven.

De simpele waarheid is, dat een universiteit haar continuïteit dankt aan de kwaliteit van haar onderzoek en onderwijs, maar zich ook elke vijf jaar geheel vernieuwt door de inbreng van een nieuwe studentengeneratie. De student is óók een klant van zijn universiteit en in die hoedanigheid heeft hij rechten. Hij investeert immers de vijf beste jaren van zijn leven in de universiteit. Zodra hij echter voor het eerst de poort van de universiteit ingaat, is hij meer dan een consument. Hij speelt een onmisbare rol als criticus, als vernieuwer, als partner en tegenstander van zijn docent. Wie in staat blijkt, een grote studentenvereniging annex horecabedrijf te besturen, is ook bekwaam om volle medeverantwoordelijkheid te dragen voor het reilen en zeilen van zijn Alma Mater. Als het personeel morgen zou besluiten zich uitsluitend aan onderwijs en onderzoek te wijden, zou het universiteitsbestuur met de handen in het haar zitten, omdat het geïsoleerd zou raken en in bureaucratie zou verzanden. Maar als de studenten gedwongen worden, zich voortaan te beperken tot geneuzel over een papieren tijger als het studentenstatuut, dan is de universiteit zelf in gevaar. Zij kan niet anders dan steeds hogere eisen aan studenten te stellen en die zonodig af te dwingen, want anders doet ze hen tekort. Maar omgekeerd moeten de eisen van studenten aan hun universiteit - en dan gaat het om iets meer en iets anders dan studiepuntjes en tentamenroosters - vertaald kunnen worden in werkelijke invloed. Ontbreekt die invloed, dan is de kwaliteit van de academische opleiding en daarom de universiteit zelf in het geding.

Het wetsvoorstel biedt een beperkte, maar voldoende ruimte om dat de voorkomen, mits de grondregel wordt gerespecteerd, dat bevoegdheid en verantwoordelijkheid bij elkaar horen. Zo heeft in Leiden een werkgroep met R.G.E. Delima, 'student'/voorzitter van de Universiteitsraad, een 'aanzet' voor een nieuw bestuursmodel ontwikkeld. Daarin wordt gekozen voor een medezeggenschapsraad, waarvan de taken en bevoegdheden voldoen aan bovengenoemde eisen. Die kansen zijn verkeken als de bedenkelijke kanten van het ontwerp worden versterkt door onlogische compromissen. De volksvertegenwoordiging kan de universiteit en haar studenten die ellende besparen. Dat hoort ze ook te doen, wanneer de universiteit haar maar enigszins lief is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden