Strontfolklore, zoetige idylle en vrije expressie

Elke lezer zal zijn eigen déjà vu's hebben bij het boek 'De verbeelders. Nederlandse boekillustratie in de twintigste eeuw'. Herinneringen aan voorlezen komen boven, maar vooral de kindertijd herleeft. Voor mij betekent dat vooral een tijdreis naar een jeugd in de jaren zeventig. De zwierige lijn van Carl Hollander (illustrator van de boeken van Astrid Lindgren, Paul Biegel en Kees Leibrandts 'Spaghetti van Menetti') had ik nog wel eens langs zien komen, maar Max Velthuijs' 'De jongen en de vis' en de tekeningen van Carol Voges bij postbode Pietje Puk en de matrozen Oki en Doki waren toch iets verder weggezakt.

Het was ook nog de tijd van slow television: een bewerking van boek naar beeldbuis vergde niet per se dure animatie. Ook op tv kon je gewoon plaatjes laten zien: onder meer de series 'Inde soete Suikerbol', 'De vloek van Woestewolf' en de bijbelhervertelling 'Woord voor woord' werden zo gemaakt.

'De verbeelders' vertelt vooral het verhaal van illustraties bij kinderboeken. Tekeningen bij literatuur voor volwassenen zijn steeds ongewoner geworden. Terwijl ze zo veel aan het leesplezier kunnen toevoegen. Zie bijvoorbeeld de prachtprenten van Peter van Hugten bij het verzameld werk van Willem Elsschot en bij de dit jaar verschenen Joseph Roth-bundel 'Hotelmens. Reportages en brieven', toch schrijvers die zonder plaatjes ook de verbeelding al aan het werk zetten.

Tot pakweg 1850 kende Nederland nauwelijks een eigen illustratiecultuur. Plaatjes in boeken werden meestal overgenomen uit het buitenland. Dat veranderde door de opkomst van tijdschriften als Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift, Eigen Haard en De Prins. Daarna vond het werk van tekenaars zijn weg naar boeken, aanvankelijk ook die voor volwassenen.

De tere kinderziel moest met voorzichtigheid bediend worden. Sierkunstenaar Theo van Hoytema bracht in de prentenboeken, die hij eind negentiende eeuw uitbracht, geen zoet sentiment maar artistieke expressie. Critici stelden vraagtekens bij die vrije tekentrant. Was die wel geschikt voor kinderen?

Prominente vrouwen in de socialistische beweging, zoals Nellie van Kol, Mathilde Wibaut en de kinderboekenschrijfster Nynke van Hichtum braken in hun eigen pers een lans voor pedagogisch verantwoorde boeken die de jeugd moesten verheffen. Plaatjes konden meer kwaad dan goed doen, vonden ze. Illustraties moesten daarom realistisch, herkenbaar en graag ook een beetje lievig zijn.

De zoetige idylle van Cornelis Jetses ('Ot en Sien') was naar hun zin. De invloed van zijn werk bleef nog decennialang voelbaar. De illustraties bij boeken over belhamels als 'Dik Trom', 'Pietje Bell' en 'Kruimeltje' droegen bij aan het verkoopsucces, maar waren veel recensenten toch al te ondeugend.

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond meer en meer vrijheid. Dat leidde tot veelvormigheid, persoonlijkere stempels van de tekenaars, illustraties die bijna vrij werk waren, kruisbestuivingen met verwante genres als strip en animaties en de inzet van nieuwe technische mogelijkheden zoals die van de computer. De relatie tussen schrijver en illustrator werd in sommige gevallen gelijkwaardiger.

Het boek 'De verbeelders' deelt de illustratiegeschiedenis van de twintigste eeuw op in zes periodes. Een inleiding geeft steeds een indruk van de ontwikkelingen in de betreffende jaren, waarna keer op keer een aantal portretten van beeldbepalende tekenaars worden uitgelicht. Daarbij zitten illustratoren als Jetses, J.H. Isings, Dick Bruna en Fiep Westendorp die deel uitmaken van het nationaal erfgoed, maar ook kunstenaars van wie het werk een stuk bekender is dan hun naam, zoals Friso Henstra (illustrator van het boek 'Koningskruistocht', strips en tal van boekomslagen). In elk geval wordt duidelijk wat voor een rijke illustratiecultuur in Nederland is ontstaan. Bij zo'n weldaad en overdaad komen wel slechts de grote lijnen van levens en werken aan bod.

'De verbeelders' is eerst en vooral een heerlijk plaatjesboek. De auteurs hopen dat het aanzet tot verder onderzoek, bijvoorbeeld naar de maatschappelijke en culturele invloed van al dit illustratiemateriaal. Met zo'n liefdevol boek moet het gek gaan wil dat zaadje inderdaad niet ergens in vruchtbare bodem vallen.

Een lust voor het oog is ook het bijna drie kilo zware 'Kinderprenten, Volksprenten, Centsprenten, Schoolprenten. Populaire grafiek in de Nederlanden 1650-1950'. Hier gaat het over het voorland van de illustraties uit 'De verbeelders', uit de tijd dat boeken nog buiten bereik lagen van de grote massa . Prenten kostten veel minder. Ze werden in winkels en door colporteurs verkocht. Schoolmeesters reikten ze uit bij goede prestaties, tijdens verjaar- en andere feest- en hoogtijdagen. Volwassenen en kinderen bewaarden ze vaak als kostbare kleinoden.

Het boek gaat erg diep in op alle mogelijke aspecten van de prenten: de onderwerpen, de productie, de distributie, afzonderlijke drukkers en uitgevers. Door de weinig soepele pen van de auteurs is de tekst soms houterig en moeizaam leesbaar proefschriftproza, maar behalve voor de kijker is er ook voor de lezer toch nog veel aardigs te vinden in dit boek.

Een voorbeeld: de kostbare houtblokken, waarmee de prenten aanvankelijk gedrukt werden, konden meer dan een eeuw mee. Hollandse zuinigheid leidde daarom vaak tot creatief hergebruik. Zo leken zeeslagen, watersnoden en aardbevingen vaak op elkaar. En weinig mensen kenden de exacte gelaatstrekken van de vorsten. Waarom dan steeds een kostbare, nieuwe prent? Portretten van Napoleon en Josephine werden dus gebruikt als afbeelding van de Nederlandse kroonprins, de latere koning Willem II en zijn vrouw Anna Paulowna.

Zorgen over verheffing van kinderen waren nog ver weg in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw. Op de illustraties werd er flink op los gepoept. 'Strontfolklore' heeft de letterkundige Herman Pleij dat wel eens genoemd. Onderwijzers gaven de aan hen toevertrouwde jeugd toen ook nog gerust prenten met voorstellingen van publieke lijfstraffen, oorlogsgeweld en zedeloosheid. Al kun je nog enige opvoedende waarde zoeken achter de afbeelding over het huwelijksleven van het paar Urbanus en Isabel met de tekst: 'Urbaan door geile lust gekweld / verkwist bij hoeren al zijn geld'.

Sommige dubbelzinnige teksten zullen over de kinderhoofden heen zijn gegaan: 'Het nieuwe licht is schoon / Dient tot gemak van velen / Maar niet voor dartele zoons / Die poesjes willen strelen.'

Tot eind achttiende eeuw rekenden opvoeders erop dat kinderen de omkering van waarden aankonden. Slechte voorbeelden zouden hun leren hoe het niet moest in het leven. Daarna volgde verbraving, mede onder invloed van de Verlichting en organisaties als de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen met haar 'leerzaame prentjens'.

Saskia de Bodt: De verbeelders. Nederlandse boekillustratie in de twintigste eeuw. Vantilt; 328 blz. euro 35 (na 15 januari euro 39,95)

Nico Boerma, Aernout Borms, Alfons Thijs & Jo Thijssen: Kinderprenten, Volksprenten, Cents-prenten, Schoolprenten. Populaire grafiek in de Nederlanden 1650-1950. Vantilt; 1004 blz. euro 75 (na 15 februari euro 89,95). Luxe editie euro 145 (alleen verkrijgbaar via www.vantilt.nl)

Pietendiscussie

Er was een tijd dat in kinderliteratuur niet gekeken werd op een stereotiep meer of minder. In 'De Verbeelders' zijn twee pagina's uit een nog in de jaren zeventig van de vorige eeuw verschenen herdruk van het boek 'Oki en Doki bij de negers' van Henri Arnoldus terug te vinden.

Tekenend citaat: "Er staan twee grote, sterke negers bij de kookpot. Die zorgen ervoor, dat Oki en Doki er niet uit kunnen." Op de plaatjes van Carol Voges dragen de zwarten enkel een rieten rokje en hebben ze botten door de neus, ringen in de oren en enorme lippen.

Hollandse zuinigheid helpt voorstanders van een aangepaste Zwarte Piet aan historische argumenten. Volgens 'Kinderprenten, Volksprenten, Centsprenten, Schoolprenten' is Sints knecht op het oudst bekende plaatje van het duo wit. De oorzaak: de drukker gebruikte bij een rijmpje over de goedheiligman een afbeelding uit een Frans instructieboek voor paardrijden. Het hulpje van de bisschop is in werkelijkheid de ritmeester van een adellijke ruiter.

'Kinderprenten' ziet de figuur van Zwarte Piet voor het eerst in een illustratie in een boek opduiken in Jan Schenkmans 'Sint Nikolaas en zijn knecht' uit 1850. De bijfiguur heeft dan nog geen naam, geen roe en geen zak voor stoute kinderen. In 'De feestvierende Katholieke Kerk in Nederland. Huisboek voor christelijke gezinnen' (1863) staat deze tip voor de sinterklaasviering: "Laat hem vergezellen door een ander personaadje, een Neger, die onder de naam van Pieter, mijn knecht, niet minder populair is dan de heilige Bisschop-zelf."

Vijf jaar later maakt J.M.E. Dercksen in 'De St. Nicolaasviering' al een boeman van Piet, "een netelig zwartje, gestrenge knecht".

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden