Strijden tegen het Detroitvirus

Enschede heeft een obsessie met arbeid. De werkloosheid is te hoog, het aantal banen te laag. Waarom verpauperde de stad nooit? Op zoek naar Enschede's rode roots met vader en zoon Poelman.

Gedempt klinkt 'de Internationale' tussen de antieke wandtapijten van de Twentse textielbaronnen. Het is 1 mei 2013. De PvdA-afdeling Enschede viert deze Dag van de Arbeid in de Gobelinzaal van het Rijksmuseum Twenthe. Niet zonder reden. En niet zonder ironie. Het museum, ooit geschonken aan het volk door de almachtige textielfamilies, is dankzij de sociaaldemocraten gered. De lokale PvdA'ers haalden cultuurminister Jet Bussemaker naar Enschede (156.000 inwoners) en - zo klinkt het vandaag - sleepten het museum weg voor de poorten van de hel. De subsidie verdampt niet.

De strijd gaat door in Enschede, ook nu bijna alle fabrieken zijn verdwenen, op die van Vredestein en Grolsch na. Want de arbeidersgezinnen zijn niet verdwenen. Ze zijn niet zelden generaties geleden vanuit Friesland, Drenthe, Groningen of het buitenland gearriveerd. In 2013 blijft arbeid de politieke obsessie in Enschede. Eén op de zes Enschedeërs tussen de 18 en 65 jaar heeft nu geen betaald werk, het dubbele van het landelijk gemiddelde.

George Poelman (94) is een van de PvdA-leden die de Internationale meezingt. Zo'n 10 procent van de vijfhonderd partijleden is komen opdagen. Velen kennen de tekst niet. Een eeuw eerder was dat in Enschede ondenkbaar geweest. De halve stad kende socialistische liederen. Voorlieden Domela Nieuwenhuis en Troelstra sloegen Enschede nooit over voor een predikbeurt met arbeidersvisioenen. Poelman is een van de laatste SDAP'ers. Lid sinds dat weer kon in 1945, een jaar voor de PvdA ontstond. Op 1 mei is de Twentse oud-vakbondsbestuurder even onder gelijkgestemden.

Poelman beleefde als NVV/FNV-bestuurder tussen 1957 en 1979 de ondergang van bijna alle fabrieken. Hij sprak zalen en pleinen toe met honderden, soms duizenden textielarbeiders. Hij bracht soms een jobstijding, maar zorgde tegelijk dat duizenden waardig in de WAO belandden en niet in de bijstand. Zij hadden vaak dik veertig jaar gebuffeld. Zoon Floris (67) werkte als twintiger in de textiel. In de jaren zestig begon hij een provo- en kabouterpartij; later was hij PvdA-raadslid. Ook hij maakte zich druk om de teloorgang van de textiel.

Onderuit
Twee generaties PvdA'ers die meemaakten hoe Enschede onderuitging en opkrabbelde. De stad werd geen Nederlands equivalent van de vervallen Amerikaanse autostad Detroit. Welke rode idealen zien zij voor Enschede nu de werkloosheid stijgt? Waarom veranderde de stad niet in Detroit? Ze vertellen het graag, maar begrijp hen goed: ze zijn geen PvdA-fans. Beiden zegden het partijlidmaatschap op, al keerde vader Poelman terug. Binnen links is alleen de PvdA bij machte om iets te bereiken, vertelt hij tussen de geredde gobelins.

Textiel, fabrieken en arbeiders vormen de rode lijn in de historie van Enschede. Twente maakte het verlies van zuidelijke industrie goed. Na de afscheiding van België in 1830 miste Nederland ineens de Waalse fabrieken. Koning Willem I stampte met behulp van Vlaamse en Engelse grootindustriëlen fabriekscomplexen uit de grond in het oosten van Overijssel. Nederlands-Indië was een grote afnemer van Twentse textiel. De oudste stoomspinnerijen waren voor de stadsbrand in Enschede al opgericht, zoals in 1834 'n Grooten Stoom.

Dankzij de stadsbrand van 7 mei 1862 kon Enschede ineens voorop lopen in de Industriële Revolutie die lang op zich had laten wachten in Nederland. Een brandje in het huis van Lodewijk van Voorst in de Kalanderstraat legde uiteindelijk Enschede goeddeels in de as. De stad vol textielnijverheid, vooral thuiswerk, kon daarna in één klap vol moderne fabrieken worden gezet. De familie Van Heek deed dat groots. Anderen volgden.

In zijn jonge jaren zag George Poelman dagelijks boven Enschede een wolk van fabrieksrook hangen. Hij fietste van de metaalstad Hengelo naar de ambachtsschool in Enschede. Het waren de crisisjaren dertig. Hij zag overal pijpen. Enschede rook anders toen de fabrieken nog draaiden. Enschede was een stoffige stad vol met gekleineerde inwoners. Staakte het personeel bij één fabriek, dan besloten de textielbaronnen via hun fabrikantenvereniging dat het personeel overal zijn baan verloor. Dat zou hen leren.

George Poelman herinnert zijn eerste toespraak als NVV-vakbondsbestuurder levendig. Het was 1958 en Nico ter Kuile & Zoon dreigde ten onder te gaan. Poelman wilde de arbeiders daarvan op de hoogte brengen. Dat vonden de fabrikanten riskant. De arbeiders zouden eens met stoelen gaan smijten. Maar ze reageerden terneergeslagen en kalm op Poelmans woorden. Daarna bracht hij bij elke sluiting en bij elke nieuwe ontslaggolf de mensen bijeen. Vaak in een schouwburg. Veel indruk maakte de staking in 1972, de tijd dat het textielimperium ineenzakte.

Oude focus
De gloriejaren voor de textielondernemers lagen voor de Eerste Wereldoorlog. Door die oorlog viel de handel met Indië stil. De internationale industrie kwam op. Maar de Twentse textielwereld wijzigde de focus niet, zelfs niet toen na de Tweede Wereldoorlog de Indische handel wegviel. De fabrikanten bleven doen wat ze altijd deden: spinnen, twijnen en weven met een grote arbeidersschare en oude techniek, zonder oog voor de snelle globalisering.

In de crisisjaren zag George Poelman geen brood in de Twentse industrie en vertrok naar Amsterdam als breimachinemonteur. Hij belandde bij de Arbeiders Jeugd Centrale waar alcohol taboe was. In 1957 keerde hij met zijn Amsterdamse vrouw terug. Hij werd regionaal vakbondsbestuurder voor de NVV. Zo'n loopbaan was niet iedereen gegeven. Veel jongens hadden geen keuze: werd je twaalf, dan nam je vader je mee naar de fabriek. Daar bleef je een leven lang. Ongeschoolde, maar geoefende arbeid, noemt George Poelman dat nauwkeurig. Dom waren de meesten immers niet.

Rijke textielfamilies hechtten volgens hem vaak ook niet aan kennis. De internationale en nationale ontwikkelingen interesseerden velen amper. George Poelman zag de oudste stoommachines nog in bedrijf en de lopende banden die erop draaiden. Met weefgetouwen van 87 centimeter breed, terwijl 100 centimeter allang de internationale standaard was. Kon je goed vloeken, dan kon je chef worden. Mensen moest je klein houden, luidde het enige personeelsbeleid. Bij een arbeidsconflict bitste een directeur hem toe: De cao? Niks mee te maken!

Bovendien, de textielfamilies zorgden toch prima voor de arbeiders? Ze woonden in hun woonwijken als Pathmos of Dolphia. De arbeiders konden ontspannen in de mooie parken, zoals Van Heeks Volkspark, die de fabrikanten hen schonken om de arbeiders uit de kroeg te weren. Wie niet onder hun fabrieksregime wilde leven, eindigde in achterbuurten als De Krim, Sebastopol en Het Overschotje. Floris Poelman raakte goed van de armoedegeschiedenis doordrongen toen hij in de stadsarchieven dook.

Hij wilde met zijn zeewaardige zeilschip 'de Tukker' arme stadsjongeren meer zelfvertrouwen geven. Om Rijkssubsidie te krijgen moest hij verantwoorden waarom een Enschede's project die investering rechtvaardigde. Veel voorouders van deze jongeren, ontdekte hij, waren als arbeidsnomaden door het land getrokken. Binnen één gezin kon het eerste kind in textielstad Tilburg zijn geboren, het tweede in de mijnstreek en het derde in de veenkoloniën voordat Twente was bereikt. De textiel was voor de ongeschoolden. Het laagstbetaalde werk. Nog altijd is dat zo. Nu in Bangladesh.

Floris Poelman werkte in de textiel toen schrijver Jan Cremer met zijn rebelse boek 'Ik, Jan Cremer' de schijnwerpers op Enschede vestigde. Het was de tijd waarin ouders zeiden: mijn kinderen gaan nooit in de textiel. Floris ging toch en werkte bij J.F. Scholten en Schuttersveld. Hij vond het vreselijk, die smerige bakken loog en dat weefgetouw uit 1800, dat veel te snel draaide op een afgedankte motor uit Tsjecho-Slowakije. Hij startte de provo- en kabouterbeweging in Enschede. Aan de keukentafel bij de familie Poelman discussieerde ineens ene Roel van Duijn mee. Vader George was het niet overal mee eens, maar wat kon je ertegen doen?

Stad valt om
Heel Enschede leek wel omgevallen in de jaren zeventig. De ene na de andere fabriek legde het loodje. Menko, Jannink, Bamshoeve, Tetem, Schuttersveld, Tubantia, diverse Van Heeks en Nico ter Kuile ('Nicolientje'). Vingers te weinig heeft George Poelman om ze te tellen. Toen hij in 1957 begon, werkten er 20.000 mensen in de textiel en 5000 in de confectie. Toen hij met pensioen ging, waren daarvan in totaal nog 1000 arbeidsplaatsen over. Nog slaat hij met zijn 94-jarige vuist op tafel als hij erover praat. Een hele generatie zomaar afgeschreven. Ongeschoold gedumpt zonder nieuw levensdoel.

De sociaaldemocraten kregen in de jaren zeventig hun zoveelste beproeving in Enschede. De eerste SDAP-wethouders moesten zich na 1923 bewijzen als goede bestuurders. Ze beheerden de financiën en saneerden de krotwijken. De communisten boden felle oppositie. Toen dat tegenspel na de oorlog wegviel, liep de concurrerende rooms-katholieke zuil in de jaren zestig leeg. De PvdA haalde ineens meerderheden. Intern broeide het generatieconflict. Dankzij de opbouw van de Universiteit Twente vanaf 1961 maakten de PvdA en Enschede kennis met mondige linkse academici.

Enschede was een textielmonocultuur geweest en moest zichzelf opnieuw uitvinden. De gemeente zocht manieren de stad een bredere economische basis te geven. Enschede moest moderner worden. De kabouterbeweging van Floris Poelman zag met lede ogen de sloopplannen voor historische panden aan. Met zijn medekabouters klom hij op een dak van een monumentaal pand en tikte met hamertjes om mensen tot nadenken te stemmen.

Moest de stad boulevards krijgen en kantoren nu de macht van de textielbaronnen verschrompelde? George Poelman pakt het melancholische gedicht 'Textielstad' van Willem Wilmink en draagt het voor, al vindt zijn zoon het een cliché van Enschede. 'Textielbaronnen van weleer, hun jachtgebied bestaat niet meer.' De gemeente kocht de lege jachtgebieden op. Die veranderden in winkelcentrum De Klanderij, een ziekenhuis of een plein. De gemeente ging daaraan bijna failliet en kwam tijdelijk onder Rijkscuratele. Maar grootschalige, blijvende verpaupering was voorkomen.

Kunstzinnige krakers
In deze jaren belandde Floris Poelman in de stadspolitiek. Als 'provo van Enschede' had hij in 1970 eens, tevergeefs, meegedaan aan de verkiezingen met Gemeentebelangen 'om onder een rechtse naam links aan zetels te helpen'. Voor de verkiezingen van 1974 wilde de PvdA hem als kandidaat, de man die ooit een wethouderskamer bezette, een drugsverslaafdenopvanghuis opzette en een biologische bakkerij begon. Bij Schuttersveld was hij ontslagen vanwege 'ongeschiktheid in de textiel'. Hij kwam in de kunstzinnige krakerswereld. Er is meer in de wereld dan alleen economie.

Enschede bruiste van de jongerencultuur met Jan Cremer en bands als Teach-In. In de raadszaal miste Floris alle dynamiek. De economische agenda die Enschede ontwikkelde, interesseerde hem minder dan het sociale drama dat zich onder ieders ogen voltrok: de massawerkloosheid, wantrouwen in de politiek, de duizenden mensen zonder toekomst. In 1981 verruilde hij de benauwde politiek voor het praktijkwerk en zeilde met 'De Tukker' en de stadsjongeren over de Noordzee.

George Poelman begeleidde in die jaren de massale textielstakingen en sociale onderhandelingen met het Rijk. Hij ziet weer voor zich hoe op het marktplein in Enschede de duizenden arbeiders op hem afliepen vanuit een ster van zijstraten. Hij sprak hen toe namens de bond. Een Turkse tolk stond naast hem. Bonden waren beter geïnformeerd over de textiel dan het stadsbestuur, merkte hij. De lokale PvdA bemoeide zich niet met de staking, tot zijn teleurstelling. Het kabinet-Den Uyl steunde textielfabrieken wel met krediet.

Tegenwoordig telt Enschede 80.000 arbeidsplaatsen, terwijl er 100.000 nodig zijn. De gemeente zoekt alle langdurig uitkeringsgerechtigden op aan de keukentafel om hen via studie, stage of subsidiebaan arbeidsfit te maken, mocht de economie aantrekken. Drieduizend gesprekken. Koortsachtig lobbyt het stadsbestuur voor het behoud van Rijksdiensten en voor Twente Airport op de wegbezuinigde F16-basis, waardoor duizenden banen verdwenen. Het vestigings- en leefklimaat moet goed blijven. Vandaar de strijd om het rijksmuseum.

Enschede knapte achterstandswijken op, zoals Velve-Lindenhof. Floris was in die Vogelaarwijk een jongerenwerker. Zijn spreektaal verraadt dat. Die past niet bij een gepensioneerde. Zijn naam staat met graffiti op de muur van speeltuinverenging Het Lindenhof 'anno 1930'. Een eerbetoon. Het plein met speeltoestellen was jarenlang een plek van vandalisme, alcoholmisbruik en wijkruzies. Maar nu niet meer. Veel woningen zijn gesloopt en gerenoveerd. Poelman wil laten zien waartoe een plan leidt waaraan alle wijkbewoners, ook oude touwbazen (wevers), meewerken.

Na haar ministerschap kwam Ella Vogelaar (PvdA) nog wel eens. Als zichzelf. Voor dit type politici lijkt geen plaats meer, verzucht Floris. Zelf is hij van de politiek van de straat. Mensen van onderop mobiliseren, investeren in menselijk kapitaal. Zo luidt zijn programma. Wijkverenigingen, zoals in Velve-Lindenhof, symboliseren voor hem de veerkracht van Enschede. Hij vermoedt dat een sociale omslag na ruim een eeuw textielarbeid toch drie, vier generaties kost. Niet alleen in Enschede, maar in alle streken vol ongeschoolde arbeidersfamilies.

De universiteit alleen is immers niet genoeg om fabrieksgeneraties een toekomst te bieden. De artikel-12-status, die Rijkscuratele, vertraagde het bestrijden van de onderwijsachterstanden. Daar kon geen geld heen. Het opleidingsniveau bleef laag. Arbeidersgezinnen moesten het zelf uitzoeken. Jaren van afhankelijkheid en economische monocultuur eisten hun tol, ervoer George Poelman bij de sluiting van de fabrieken. Velen durfden niet te solliciteren. Nooit gedaan. Niemand in de familie of de buurt. Helemaal naar Hengelo voor werk, dat was te ver. Dan maar in de bijstand.

Trendy
In zijn witte Renault-bestel met een sticker 'Race for Tibet' rijdt de ex-provo met zijn vakbondsvader van Velve-Lindenhof naar Roombeek, de stadstrekpleister vol jongeren en trendy bedrijven tussen de teruggekeerde wijkbewoners. Enschede is een andere stad geworden, constateert George Poelman. Hier wandelt hij door de toekomst. Hij doet alsof de oude Rozendaal-fabriek nog open is. Kijk, zo liet de portier hem hier doorlopen. Wie kende hem ooit niet? Maar in Roombeek heeft de jongste generatie nu geen benul van de textielindustrie.

Zoals de stadsbrand van 1862 Enschede een beslissende economische wending gaf, duwt de explosie van vuurwerkfabriek SE-Fireworks en de wijk Roombeek in 2000 de stad in een nieuwe richting. In de trendy stadswijk vallen historie en toekomst samen. Net zoals voor de vuurwerkramp telt de wijk weer 1.200 arbeidsplaatsen. Van alle huidige bedrijven is 90 procent nieuwkomer. Roombeek geldt als de gedroomde creatieve wijk die het Enschede van de 21ste eeuw laat zien.

Hier ziet Floris nieuwe politieke idealen ontkiemen. Kleine bedrijven starten vanuit de universiteit en hogescholen. Jongeren vormen coöperaties voor zelfstandigen zonder personeel. Net als in Amerika, in Detroit, maken ze zelf sociale vangnetten die ontbreken. Vernieuwing van onderop. Geen politiek van bovenaf. Dat ideaal nam hij over van zijn vader. George Poelman maakte de twee grote, maandenlange Twentse textielstakingen mee. Volkscoöperaties, zoals van slagers, bleken toen broodnodig.

De balans tussen arbeid en kapitaal is zoek in het nadeel van de werkende mens, blijft de overtuiging van de ex-vakbondsbestuurder. Hij stapte ooit uit de partij na opmerkingen van partijleider Wim Kok over het misbruik van de sociale verzekeringen. Het kon hem niet verdommen dat mensen tussen 57,5 en 65 jaar na veertig, vijftig jaar werk dankzij die regelingen buiten de bijstand bleven. Heel Nederland had solidair te zijn met Enschede. De mijnstreek kreeg alle Haagse aandacht, Twente niet.

George Poelman noemt zich een oude vent die vaststelt dat de sociaaldemocratie nog steeds leeft. Hij ziet dat je daarmee misschien geen wonderen verricht, maar wel 'kleine slagen kunt maken', zoals die uitkering voor ex-textielarbeiders. Floris beaamt dat de PvdA de stad voor erger behoedde. Maar hij is lid-af van 'het slaafje van het kapitaal'.

Terwijl vader en zoon nieuw Roombeek laten zien, schuift een raam open. De strijker ontploft vlakbij. Een vrouw brult: doorlopen! Mooi is dat, zie je ze denken. Maar ook: investeren in mensen blijft nodig.

Talloze fabrieken zijn de afgelopen veertig jaar verdwenen. Ze droegen namen als Bamshoeve, Blom, Blijdenstein, Van Heek (verschillende), Holland, Jannink, Ter Kuile (diverse), Menko (verschillende), Oosterveld, Rigtersbleek, Rozendaal, Schuttersveld, Serphos, Tetem.

Het grootste Twentse textielconcern dat door een tijdige koerswijziging en innovatie niet verdween, is Nijverdal Ten Cate, met de productiefaciliteiten in de gemeente Hellendoorn en het hoofdkantoor in Almelo. Ten Cate maakt specialistische stoffen voor hoogwaardige toepassingen.

Obsessie met arbeid
Twente monitort de arbeidsmarkt met maandelijkse tussenrapportages vol grafieken en tabellen. De gemeente Enschede telt, volgens de laatste editie, meer dan 11.000 inwoners van de beroepsbevolking (18-65 jaar) zonder betaald werk. Dat is daarvan ruim 16 procent. De andere Twentse fabriekssteden volgen op afstand: Almelo 11 procent, Hengelo 9 procent en Oldenzaal 8 procent. In tegenstelling tot die drie steden telt Enschede weinig fabrieken. De grootste zijn Vredestein (banden) en Grolsch (bier). Rondom de bètastudies en -onderzoeken van Universiteit Twente groeit de werkgelegenheid. Het aantal hoger opgeleiden stijgt in Twente, stelt de Twente Index 2012.

vervolg van PAGINA 3

Vervolg op pAGINA 5

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden