Strijd tegen onbekende vijand

Het dorp Al Qosh, een van de plaatsen waar gevluchte Irakese christenen onderdak hebben gevonden. (FOTO EDDY VAN WESSEL) Beeld
Het dorp Al Qosh, een van de plaatsen waar gevluchte Irakese christenen onderdak hebben gevonden. (FOTO EDDY VAN WESSEL)

Irak gaat zondag naar de stembus voor een nieuw parlement. Duizenden christenen die het geweld in Mosoel ontvluchtten, zullen niet gaan stemmen. Was dat de opzet – hun stem voorkomen – of heeft het geweld een andere achtergrond?

’We zijn zonen van Irak. We willen met iedereen in vrede samenleven.” Matran Michael Magdasi, de geestelijk leider van de Chaldese kerk in de Iraakse provincie Nineveh, laat zijn ogen gaan over zijn gehoor in de bijna volle kerk in Al Qosh. Hij heeft de gelovigen hier naartoe geleid in een stille mars tegen het geweld, dat de afgelopen tien dagen aan tien christenen in Mosoel het leven heeft gekost, en een nieuwe uittocht van christenen naar dorpen als Al Qosh op gang gebracht.

Ongeveer duizend mensen zijn de matran in zijn zwarte habijt en paarse kalotje gevolgd. Ze dragen spandoeken met leuzen die om vrede vragen en Iraakse vlaggen. Al Qosh ligt buiten de Koerdische regio maar valt wel onder Koerdische bescherming. Koerdische vlaggen zijn echter opvallend afwezig. De regen stopt als de mars van start gaat. Mannen lopen voorop, erachter de vrouwen. Af en toe wordt er stilgehouden zodat de camera’s mooie plaatjes kunnen schieten. De matran kent de macht van de media.

Op vier plaatsen in de Iraakse provincie Nineveh vinden op deze dag soortgelijke demonstraties plaats. Hier hebben honderden gevluchte christenen uit Mosoel voor de tweede keer in anderhalf jaar hun toevlucht gezocht. Al Qosh ontving tachtig families, bijna 350 personen; een aantal van hen loopt mee naar de kerk.

„Door het geweld zijn we verspreid, en daardoor zijn we sterker geworden en houden we nog meer van elkaar”, houdt de matran zijn gehoor voor. „Het bloed van onze mensen maakt onze liefde voor ons land nog groter.” Applaus onderbreekt hem, camera’s klikken. „We zijn niet bang voor de terroristen, maar we willen dat de autoriteiten luisteren en ingrijpen.”

Christenen zijn in Mosoel klem komen te zitten tussen strijdende Arabische en Koerdische politici. Hoewel het geweld zich tegen iedereen richt – dagelijks zijn er ontvoeringen door bendes die losgeld eisen, bomaanslagen, moorden – zijn de minderheden het slachtoffer van campagnes die bedoeld lijken hen de stad uit te jagen. Na moorden en bedreigingen woont er vrijwel geen jazidi meer in Mosoel. Om dezelfde reden vluchtten in oktober 2008 duizenden christenen naar de omliggende dorpen, van wie de meesten na de verkiezingen in januari 2009 voor een nieuw provinciebestuur terugkeerden.

De uitslag daarvan verscherpte het conflict. Mosoel kreeg een Arabische gouverneur die niet acceptabel was voor de Koerdische partijen. Die besloten hem en het in meerderheid Arabische provinciebestuur te boycotten. Koerdische peshmerga’s (strijders) en veiligheidstroepen van de regerende Koerdische partijen KDP en PUK beheersen de Koerdische wijken van de stad. Er is geen samenwerking met het Iraakse leger, en daardoor geen veiligheid. Saddams geest waart hier nog rond, zoals blijkt uit de woorden van een Koerdische politicus die meent dat Arabische politici in Mosoel „willen doen wat Saddam niet kon afmaken”. Hoewel de verkiezingen van 7 maart geen lokale gevolgen hebben – er wordt een nieuw parlement in Bagdad gekozen – hebben ze de politieke strijd verscherpt.

„Er wordt een politiek spelletje gespeeld”, zegt pater Ashur al-Basik. Hij begeleidt 36 families die hun toevlucht hebben gezocht in het Sayid Mariam-klooster aan de rand van Al Qosh. De pater, die eerder het geweld in Bagdad ontvluchtte, weigert die woorden toe te lichten. „Iedere keer als er verkiezingen zijn, zijn we het slachtoffer”, antwoordt een vrouw die heeft staan luisteren in zijn plaats. „Ze willen niet dat we gaan stemmen.”

Ontheemde christenen kunnen inderdaad in hun tijdelijke woonplaatsen niet naar de stembus. Maar dat heeft geen effect op de situatie in Mosoel, en weinig op de stemverhoudingen in Bagdad. Voor christenen zijn daar vijf zetels gereserveerd. Om die reden vragen veel van de ontheemden in Sayid Mariam zich af of er echt een relatie is met de verkiezingen. Maar wat dan de reden is, weten ze niet.

Of ze durven het niet te zeggen, want anders dan je zou opmaken uit de toespraak van de matran, is de angst groot. Een non bezweert de verslaggevers bij de demonstratie geen foto’s te maken waar mensen herkenbaar op staan: „Onze jongeren willen in Mosoel kunnen blijven studeren.” Ook in het klooster geldt een fotoverbod: „We willen veilig kunnen terugkeren”. Vrijwel niemand wil onder z’n volledige naam praten.

Zelfs een politicus uit Mosoel die actief is in de landelijke politiek wil alleen off the record praten over de situatie in zijn stad. Hij wijst erop dat veel aanslagen plaatsvinden in wijken die onder Koerdische controle staan. Dat de moordenaars professionals lijken – in enkele gevallen werkten ze met geluiddempers op hun pistolen – die zijn ingehuurd voor de klus. Hij ziet een verband met het streven naar een autonome christelijke regio in Nineveh; een plan van christelijke Iraakse ballingen dat de christenen veiligheid zou moeten brengen, maar dat onderdeel is geworden van de politieke strijd. Want de Koerden willen die regio dan onder hun bescherming trekken, en daarmee de Koerdische federale staat, en haar aandeel uit de Bagdadse schatkist vergroten.

De suggestie is dat de aanvallen op christenen in Mosoel bedoeld zijn om een status quo te forceren: alle christenen zitten na hun vlucht immers al in die gedroomde autonome regio, waarvan Al Qosh onderdeel is. Dat dit een Koerdisch belang is, wordt in Al Qosh hartstochtelijk tegengesproken. „De Koerdische regering is er helemaal niet blij mee. Al die mensen komen hier en hebben hulp nodig. Bovendien: die christenen zouden toch niet komen als ze de Koerden niet vertrouwden?”

De Koerdische president Barzani heeft dat in een toespraak deze week nog eens onderstreept. En ook de matran lijkt niet in dit verhaal te geloven. Hij legt de schuld elders, in het buitenland. „Veel landen wilden dat dit zou gebeuren, om de christenen uit Irak te kunnen gebruiken als goedkope arbeidskrachten, of opdat we hen zouden smeken om hulp.” Waarmee hij zowel westerse als Arabische landen beschuldigd.

Het officiële verhaal is dat de aanslagen in Mosoel het werk zijn van radicale soennieten, al dan niet aangesloten bij Al-Kaida. Die willen de jazidi’s kwijt omdat ze duivelaanbidders zouden zijn, de sjiieten omdat ze afvalligen zouden zijn, de christenen omdat ze het verkeerde geloof hebben. Ontheemde christenen melden dat de stad sinds 2003 meer islamitisch is geworden. Meer disdasja’s (de Arabische mannenjurk), meer baarden, meer streng gehoofddoekte vrouwen, meer moskeeën. „Het zijn mensen uit de omliggende dorpen die naar de stad zijn gekomen”, meent een van de mannen in Sayid Mariam. „Die brengen de verandering.” Een ander maakt melding van mensen uit het buitenland, wat bij doorvragen Syrië en Saoedi-Arabië moeten zijn, die de strenge wahabitische islam naar Mosoel zouden hebben gebracht.

Bijkomend probleem is dat campagnes tegen Al-Kaida en criminele bendes in Bagdad en elders in Irak het effect hebben gehad van een lekke tube tandpasta. Je stopt een gat, en elders ontstaat een nieuw. Radicale moslims zijn naar Kirkoek en Mosoel gekomen, net als de criminelen die sinds Saddam de gevangenissen in 2003 opende, in milities en bendes hun geld verdienden met moorden, afpersingen en ontvoeringen.

De ontheemden uit Mosoel weten dan ook niet voor wie ze bang zijn. „We zijn in strijd met een onbekende vijand. Je kunt niemand meer vertrouwen”, zegt Omar, die met zijn gezin toevlucht heeft gezocht in het klooster in Al Qosh. „Ik kreeg een sms met een bedreiging. Die moet dus van iemand zijn die me kent. Ik wilde niet langer wachten tot ze me kwamen doden.”

Veel christenen kwamen al nauwelijks meer op straat uit angst als christen herkend te worden. „Mijn buren gingen voor me naar de markt”, vertelt een van hen. „Op straat lopen was niet veilig meer.”

De autoriteiten in Mosoel falen, is hun boodschap. „Na de val van Saddam is het steeds slechter gegaan. De politici vechten alleen maar met elkaar om de zetels. Voor ons hebben ze niets gedaan”, zegt Rean. „Vorig jaar stuurde Bagdad militairen, maar die zijn nu weer weg.” Zijn vrouw Agnes, die les geeft aan de universiteit in Mosoel, vertelt dat de overheid zelfs de voedselbonnen die al sinds het embargo tegen Irak in de jaren negentig velen van basisbehoeften voorzien, in hun wijk niet meer verspreidt. „Ik weet niet of het toeval is, maar in onze wijk wonen vooral christenen.”

Toch hopen ze net als de vorige keer naar Mosoel te kunnen terugkeren. Na de verkiezingen wordt het rustiger, houden ze zichzelf voor. Ook Agnes, die zes maanden zwanger is. „Ik wil bij mijn familie bevallen.” Haar tante Senah vermengt haar wanhoop met tranen. „Ik geloof niet dat het beter wordt na de verkiezingen. En zolang de terroristen daar zijn, kan ik niet terug.”

Christenen in Al Qosh dragen spandoeken met leuzen die om vrede vragen, en Iraakse vlaggen. (FOTO JUDIT NEURINK) Beeld
Christenen in Al Qosh dragen spandoeken met leuzen die om vrede vragen, en Iraakse vlaggen. (FOTO JUDIT NEURINK)
(Trouw) Beeld ©Eddy van Wessel
(Trouw)Beeld ©Eddy van Wessel
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden