Strijd om verzoening was een gevecht over het karakter van de kerken

Eerder dit jaar publiceerde de gereformeerde hoogleraar C. J. den Heyer zijn inmiddels omstreden notities bij het thema verzoening. Discussies daarover worden breeduit gevoerd, soms met een heftigheid die doet denken aan een eerdere 'kwestie' binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland. Daarbij stond hetzelfde thema centraal en speelde deels dezelfde groep verontrusten een rol. De strijd om verzoening was - en is - onder meer een gevecht over het karakter van die kerken, dat juist in (en door?) de kwestie-Wiersinga ingrijpend veranderde. De roep om ontslag van Den Heyer zal geen gehoor vinden, dat moge uit wat volgt wel duidelijk worden.

Het begon op een vroege vrijdagmiddag. Heuse gereformeerde kunst sierde de buitenmuur van het gebouw waarin die middag als zo vaak een promotiebijeenkomst zou plaatsvinden. Plaats van handeling: het Woestduin-complex, tevens in gebruik als Aula van de Vrije Universiteit. Een gereformeerd bolwerk in Amsterdam-Zuid.

Bezoekers die er voor het binnengaan oog voor hadden, zagen een reliëfbeeldhouwwerk dat de overbekende trits ellende-verlossing-dankbaarheid moest uitbeelden. Bekend voor wie vertrouwd was met 16de-eeuwse belijdenisgeschriften, tenminste. Wie al wat had kunnen lezen in de dissertatie die zo dadelijk zou worden verdedigd, wist dat de schrijver ervan opmerkelijk veel slooparbeid had verricht, die van onderdelen uit die geloofsbelijdenissen weinig heel liet.

Niet alleen buiten prijkte gereformeerde kunst, ook binnen. Wie tijdens de academische plechtigheid de aandacht er even niet bij kon houden, liet de ogen dwalen en zag boven een uitbouw van de kerkzaal een groot, bijna manshoog kruis hangen, dat een slang verpletterde. Verbeelding van verzoening.

We schrijven 15 januari 1971. Voor het verlossende 'hora est' was er die vrijdag behoorlijk wat door de hoofden van de aanwezigen gegaan. De aanstaande jonge doctor, de Amsterdamse studentenpredikant Herman Wiersinga, was natuurlijk nerveus. Maar sommigen voelden, dat enkele hoogleraren nog wel zenuwachtiger leken dan het middelpunt van de bijeenkomst. Twee weken tevoren bleek het proefschrift enkelen van hen pijnlijk getroffen te hebben, maar zelfs overleg op de ochtend voor de promotie had de gemoederen niet volledig bedaard. Eén hoogleraar bleef uit protest weg.

De kritiek van een der opponenten was niet mals: hij wees erop dat in de dissertatie niet minder dan de hoeksteen van het christelijk geloof werd aangetast. Onwillekeurig trok het oog weer naar het kruis-met-slang en herkende er het gereformeerd serpent in: over die slang was in 1926 het gereformeerd palingoproer ontstaan. Toen was hij inzet van een conflict geworden, dit reptiel, dat hier verbrijzeld werd omdat hij ooit slinks had gezegd “Gij zult als God zijn” - maar hoe was dat gezegd? Zintuiglijk waarneembaar? J. G. Geelkerken meende van niet. De gereformeerde synode dacht van wel. En dus had Geelkerken met een aantal geestverwanten, onder wie J. J. Buskes, het veld moeten ruimen - de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband waren het resultaat.

Enige tijd voor de aanstaande promotie had promotor G. C. Berkouwer enkele stukken van de dissertatie-in-wording voor de zekerheid aan een hooggeleerde collega laten lezen. Deze had ze voor ongereformeerd versleten, maar vond dat niet zo'n probleem. Ook Berkouwer sloeg geen alarm. Zijn lofrede, afgestoken na de eigenlijke promotieplechtigheid was daarom opmerkelijk en trok aller aandacht: hierin zette hij zijn juist gepromoveerde leerling nauwelijks in het zonnetje, maar sprak veel waarschuwingen uit, alsof hij onverhoeds met een probleem was geconfronteerd en nu probeerde mogelijke schade te beperken. Hoe naïef het ook moge klinken voor iemand die als gereformeerd dogmaticus jaren met de materie bezig was geweest - pas bij deze rede realiseerde Herman Wiersinga zich, dat zijn dissertatie, De verzoening in de theologische discussie, veel stof zou doen opwaaien.

Wiersinga's variant van de verzoeningsleer draait om effectiviteit. Christus' kruisdood is niet het een en het al, maar de aanzet tot onze menselijke verandering. Pas in onze reactie ontstaat complete verzoening. Deze opvatting keerde zich duidelijk tegen elementen in de geloofsbelijdenissen, zoals die door Wiersinga's geloofsgemeenschap werden onderschreven. Ook hij had zich ooit zelf loyaal betoond tegenover deze documenten. Mocht er aan deze geloofspapieren getornd worden?

De Gereformeerde Kerken hadden met afwijkende opvattingen enige ervaring opgedaan. Niet alleen in l926 in de kwestie-Geelkerken c.s., maar ook tijdens de tweede wereldoorlog, toen K. Schilder in een vrijwel ondoorgrondelijk leergeschil met zijn synode verzeild raakte. De synode handelde ook hier zelf de kwestie af, eraan voorbijgaand dat zulke bevoegdheden eigenlijk voorbehouden waren aan plaatselijke kerken. Dit leidde tot de Vrijmaking, een kerkscheuring van formaat.

Synodevoorzitter was toentertijd Berkouwer, die nadien van een “verschrikkelijk drama” sprak, “één van de diepst ingrijpende dingen in mijn leven.” Berkouwer ontwikkelde zich tot een theoloog die bleef luisteren tot hij iemand echt begreep, met schier ongereformeerd geduld. Waarbij wel altijd een rol gespeeld zal hebben, dat het trauma van de Vrijmaking hem tot uiterste terughoudendheid bracht als het ging om maatregelen nemen tegen iemand. Zoals tegen zijn leerling Wiersinga.

In bladen die het gereformeerde volksdeel informeerden over het kerkelijk leven, mocht het net openbaar geworden proefschrift op weinig instemming rekenen. Saillant detail is dat de vrij positieve recensie van voormalig tucht-slachtoffer J. J. Buskes in deze krant aanjager van veel commotie werd: de studie was volgens hem een oproep tot bezinning op verzoening, die “in Godsnaam geen aanleiding (moest) worden tot ketterjagerij en kerkelijke ruzie.” Dat had hij beter niet kunnen zeggen.

In nog geen half jaar tijds was de naam Wiersinga gevestigd. Heftige en emotionele reacties waren zijn deel, omdat er minstens drie zaken op het spel stonden.

Ten eerste: de door Wiersinga bestreden traditionele verzoeningsleer - Christus draagt in zijn sterven in onze plaats de straf der zonden - is voor veel gelovigen een uiterst dierbaar geloofselement. Ten tweede: was men er met veel pijn en moeite in de kerk een beetje aan gewend geraakt dat in de Bijbel zoiets als kern en rand te onderscheiden zijn, komt door Wiersinga de vraag op of er overeenstemming over de kern bestaat. Ten derde: als Wiersinga, die de belijdenis op essentiële punten aanvecht, predikant kan blijven in de Gereformeerde Kerken, wat blijft dan over van die belijdenishandhavende kerk die ze altijd was?

Hoe de binding aan de belijdenis precies zou moeten worden ingevuld, was op synodevergaderingen al enige tijd een agendapunt. Door de reacties op Wiersinga's proefschrift was een 'kwestie' ontstaan die direct de proef op de som kon worden. Zelf zou hij jaren later vaststellen, dat hij eigenlijk niet meer met de kern van de reformatorische leer instemde; toen ontkende hij dat nog. En zou dat langdurig en hardnekkig volhouden.

In het najaar van 1971 meldt de synode, geconfronteerd met een regen van bezwaarschriften, dat er geen onduidelijkheid bestaat over de verzoening. Dat Wiersinga de belijdenisgeschriften op dat punt niet wenste na te zeggen, was echter even duidelijk. In de dagen van Geelkerken en Schilder zou in zo'n situatie de uitkomst op voorhand vastgestaan hebben: komt de ketter niet tot in- en omkeer, dan wordt hij de kerk uitgezet. Maar gereformeerd anno 1971 was niet meer wat het ooit was: nu werd er gedialogeerd.

Zo voerden enkele wijze heren in opdracht van de synode in totaal 70 uur gesprekken met Wiersinga. Deze uitputtingsslag leverde een gematigd advies aan de synode op, dat hetzelfde lot beschoren was als latere aanbevelingen van weer andere wijze mannen: de synode sloeg de vrij milde toon in de wind en verscherpte de veroordelingen van Wiersinga.

Achtergrond daarvan was dat verontrusten zich toenemend roerden. Deze groepering maakte zich ernstige zorgen over de toenemende invloed van de 'nieuwe theologie'. Deze bonte kluts van niet-traditioneel gedachtegoed kenmerkte zich vooral door de nadruk op het aards bestaan, meer dan op het eeuwig onveranderlijke goddelijke.

Gematigde verontrusten hadden zich in 1970 tot Confessioneel Gereformeerd Beraad verenigd dat eerst stille invloed nastreefde, maar allengs openlijker macht trachtte te krijgen. De schok die de 'nieuwe theoloog' Wiersinga met zijn dissertatie bij hen teweegbracht, heeft die verandering gemarkeerd.

Een Open Brief van het CGB in 1974 mobiliseerde veel protest uit behoudende hoek. Gevoegd bij de toenemende druk van buitenlandse zusterkerken die aarzelend optreden van de Nederlandse gereformeerden niet waardeerden, zette dit de synode aan tot een fellere veroordeling van Wiersinga's opvattingen.

Dit effect maakte een tegengesteld, maar minder omvangrijk protest wakker: mensen uit 'academiesteden' waarschuwden tegen eventuele tuchtmaatregelen tegen Wiersinga. Zijn Amsterdamse kerkenraad steunde hem, net als zijn classis.

De climax bereikte de kwestie-Wiersinga in 1976, toen de synode het “niet toelaatbaar” over zijn ideeën uitsprak. Maar de consequentie daarvan, zoals een dreigende schorsing, bleef uit. De synode gebruikte daarvoor een kerkpolitiek slimmigheidje dat verontrusten die hoopten op maatregelen tegen Wiersinga flink gefrustreerd moet hebben: de synode achtte zich wel bevoegd om Wiersinga's opvattingen te veroordelen, maar niet, om maatregelen te nemen. Dat had ze wel tegen Geelkerken en Schilder gedaan, maar dat was een beetje tegen de gereformeerde regels geweest. Zou er handelend opgetreden moeten worden tegen Wiersinga, dan door zijn kerkenraad. En iedereen kon weten dat die dat nooit zou doen. Integendeel: de synode legde zich neer bij de weerstand van die raad tegen het synodale optreden.

Zo verzandde de kwestie-Wiersinga en spaarde de synode de kool - de leer was officieel zuiver gebleven - en de geit - een afzetting en mogelijk scheuring binnen de kerk bleef uit.

Een poging van confessionele zijde om Wiersinga alsnog te laten tuchtigen toen hij predikant te Leiden werd, strandde al voor hij begonnen was; immers: wie beroept een predikant om hem te gaan schorsen?

Het gereformeerde schip der kerk hield Wiersinga binnen boord. Gedwongen tot almaar voortgaand gesprek rekte de leerstellige speelruimte binnen de Gereformeerde Kerken op en kon er openlijk een veelheid van verschillende, soms tegenstrijdige geloofswijzen in opbloeien. De overeenkomst met de Nederlandse Hervormde Kerk kan niemand ontgaan.

De Dikke Van Dale meldde onder 'tucht' in de editie 1984, dat het een “nagenoeg verouderde term” was - en dat zou anders geweest zijn als Wiersinga zou zijn gesneuveld op het slagveld der verzoening.

Wie nu ontslag van Den Heyer eist, dient zich te vergewissen van het feit dat de hoop op inwilliging van zo'n verzoek ijdel is; wie die hoop bij anderen voedt, zadelt hen slechts op met frustratie.

De Gereformeerde Kerken voeren tegenwoordig in hun stijdbanier geen belijdenisgeschriften meer, maar, zoals elk zichzelf respecterend bedrijf, een 'mission statement'. Daarin aandacht voor het gaan in Jezus' spoor, maar geen woord over verzoening en andere klassiekers, zoals zonde of genade.

'Breekijzer' Wiersinga is inmiddels 70. Met enkele theologische studievrienden, onder wie Kuitert en Rothuizen, vormde hij ooit een kongsi die de kerk wilde veranderen. En zo is geschied. Zelf verkeert Wiersinga naar eigen zeggen nu vrijwel aan de rand van het christelijk geloof.

Het gebouw, een kwart eeuw geleden startpunt voor het tegendeel van verzoening is nog altijd een kerk, nu 'bewoond' door gereformeerden en hervormden samen. Buiten scheidt een hondenuitlaatveldje de argeloze wandelaar van het complex. Het kunstwerk 'ellende-verlossing-dankbaarheid', ooit bedoeld als zichtbare verkondiging voor de buitenwereld heeft standgehouden. Het doet nog het meest denken aan een wat verwaarloosde, vroeg-christelijke sculptuur die nodig in bad moet, mysterieus en verweerd als hij is. Een deskundige gids zou belangstellenden toelichting moeten geven, want van de betekenis van het religieus reliëf snapt bijna geen mens meer iets. Het is, zoals de gereformeerde beeldhouwer het destijds met onverwacht profetische blik al treffend noemde, een versteende belijdenis.

Binnen, in de kerkzaal, heeft het kruis met de vermorzelde slang - houten verbeelding van de verzoening anno jaren vijftig en letterlijk voor binnenkerkelijk gebruik bedoeld - nog jaren gehangen, ongenaakbaar hoog en vanzelfsprekend. Omdat het in het huidige interieur niet meer paste, is het enkele jaren geleden naar een opslagplaats verbannen, waar het zijn dagen slijt naast andere halfvergeten spullen. Verzoening in de bezemkast.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden