Strijd om de gentech macht

Terwijl Europa discussieert over het al dan niet toelaten van genetisch gemodificeerde gewassen, woedt elders in de wereld een strijd over de vraag hoe gentechnologie in de landbouw kan worden ingezet. En wie er aan mag verdienen.

Vorig jaar gaf de Chinese overheid toestemming voor veldproeven met twee genetisch gemodificeerde rijstrassen Huahui-1 en Shanyou-63. Beide bevatten een toegevoegd gen, afkomstig van de bodembacterie Bacillus thuringiensis. Dat extra gen zorgt ervoor dat sommige insecten, zoals de stengelboorder, worden vergiftigd als zij van de rijstplant eten. Het betreffende gif, Bt genaamd, wordt al decennia gebruikt als insectenverdelger in de biologische landbouw.

Volgens onderzoekers van de Huazhong Landbouwuniversiteit in Wuhan gaat het om rijstrassen die ze zelf ontwikkeld hebben, zonder gebruik te maken van Westerse kennis. Dat lijkt op zijn minst onwaarschijnlijk. De techniek om het zogeheten Bt-gen in te bouwen wordt al een aantal jaren gebruikt voor katoen en maïs en is dichtgetimmerd met octrooien van onder meer Monsanto en Syngenta. Volgens Greenpeace zou er voor de ontwikkeling van de Bt-rijstrassen inbreuk zijn gemaakt op elf buitenlandse octrooien.

Tot nu toe houden de betrokken ondernemingen zich stil – het gaat immers alleen nog maar om proefvelden. De vraag is wat ze zullen doen als de rijstrassen op grote schaal geteeld gaan worden. De rijstverbouw in China beslaat 30 miljoen hectare (vijftien keer zoveel als het Nederlandse landbouwareaal). Bij gebleken succes zullen ook andere landen die rijstrassen willen gebruiken. Hoe zullen de ondernemingen reageren op deze inbreuken op hun octrooi?

Volgens Niels Louwaars woedt er achter de schermen een stevige machtsstrijd over het intellectueel eigendomsrecht van plantenmateriaal. „De uitkomst zal bepalen wie er uiteindelijk aan de knoppen zit van de gentechnologie.” Louwaars is onderzoeker bij het Centrum Genetische Bronnen Nederland, een organisatie die deel uitmaakt van Wageningse universiteit en belast is met het behouden en het stimuleren van het gebruik van de verscheidenheid aan soorten voor veredeling van planten en dieren.

Louwaars vindt gentechnologie een nuttig gereedschap voor plantenveredelaars. Van vele planten is inmiddels het erfelijk materiaal (DNA) in kaart gebracht. Met behulp van dat DNA kun je soorten met bepaalde ziekteresistenties selecteren. De genen die daarvoor verantwoordelijk zijn kun je merken en overbrengen naar de plant die je wilt verbeteren (zie kader). „Met gebruik van die genetische merkers kun je de klassieke veredeling behoorlijk versnellen, omdat je planten met de gewenste eigenschappen veel eerder kunt selecteren. Waar je vroeger tien of twaalf jaar nodig had om resistentie tegen een bepaalde ziekte in te kruisen, kan het tegenwoordig in twee, drie jaar.”

De genetische merkers hebben recentelijk hun vruchten afgeworpen in de strijd tegen een nieuwe soort roest, een zeer besmettelijke ziekte in tarwe, die de graanschuren van India en China bedreigde. Weliswaar kon resistentie snel worden ingebouwd, maar daarmee ben je er nog niet, zegt Louwaars. „Daarna volgt nog een tijdrovend proces om verschillende variëteiten te ontwikkelen voor ecologisch zeer uiteenlopende gebieden. In de heuvels van Rwanda kun je niet dezelfde variëteit tarwe kweken als in de vruchtbare vlakten van de Punjab in India.”

Ook genetische modificatie, het veranderen van erfelijke eigenschappen, werpt zijn vruchten af in de plantenveredeling, zowel voor het inbouwen van soorteigen als van soortvreemde genen. Een voorbeeld van het eerste is het inbouwen van genen uit wilde aardappelen die onze aardappelen bestand maken tegen de gevreesde aardappelziekte fytoftora.

Het eerdergenoemde Bt-gen, dat afkomstig is van een bodembacterie is een voorbeeld van het inbouwen van soortvreemde genen. Een ander voorbeeld is Gouden Rijst, een rijstras dat betacaroteen – een voorloper van vitamine A – produceert. Het betreffende gen komt uit de narcis of recentelijk ook uit maïs.

Zeker bij stijgende voedselprijzen, zoals nu, wordt al snel geroepen dat gentechnologie nodig is voor de wereldvoedselvoorziening. Louise Fresco, universiteitshoogleraar Duurzame Ontwikkeling aan de Universiteit van Amsterdam, relativeert dat. „De landbouwproductie moet de komende decennia inderdaad bijna verdubbelen om de groei van de wereldbevolking en de veranderingen in het voedingspatroon bij te houden. Maar die stijging kunnen we makkelijk bijbenen door het inzetten van bestaande kennis en technieken; daar hebben we geen gentechnologie voor nodig.”

Gentechnologie is volgens haar wel prima te gebruiken om de landbouw efficiënter en dus duurzamer te maken. „Als je gewassen kunt ontwikkelen, die meststoffen beter opnemen heb je er minder van nodig terwijl je bovendien het milieu minder belast. Hetzelfde geldt voor bestrijdingsmiddelen. Chinees onderzoek laat zien dat boeren die rijstrassen gebruiken waarin het gen voor een natuurlijke insectenverdelger is ingebouwd, minder spuiten dan boeren die gewone rijst telen. Dat is goed voor de gezondheid van de boer, voor zijn portemonnee en voor het milieu.”

Volgens Dominic Glover wordt bij de huidige generatie genetische gemodificeerde gewassen echter nauwelijks rekening gehouden met de behoeften van en de omstandigheden waaronder boeren in ontwikkelingslanden werken. Zowel de keuze van gewassen (vooral katoen, soja, koolzaad en maïs) als de keuze van eigenschappen (tolerantie voor een onkruidverdelger, productie van een insectenverdelger) lijken vooral afgestemd op de grote, industrieel producerende boeren in Noord-Amerika. Glover is een Britse sociale wetenschapper, die momenteel onderzoek doet bij de afdeling Technologie en Agrarische Ontwikkeling van de Wageningen Universiteit. Hij heeft onderzoek gedaan naar het gebruik van genetisch gemodificeerde katoen door kleine boeren in India.

Als voorbeeld hoe het ook anders kan, noemt Glover het werk van de Amerikaanse antropoloog Glenn Stone. Een paar jaar geleden heeft hij tot in detail uitgezocht of het mogelijk was om gentechnologie te gebruiken om de voedingswaarde van cassave te verhogen en de weerstand tegen ziektes te verbeteren. Boeren in Afrika zouden daar veel baat bij kunnen hebben, want cassave is een gewas dat niet veel vraagt en gemakkelijk te telen is. Glover: „Voor de grote leveranciers van plantmateriaal is zo’n gewas niet interessant, omdat je cassave ook kunt vermeerderen door stekken. Ze kunnen dus niets verdienen aan het zaaizaad.’

Ook om die reden is het volgens hem van belang wie er aan de knoppen zit van de gentechnologie. Wie bepaalt welke gewassen en welke eigenschappen belangrijk zijn voor boeren in ontwikkelingslanden? Tot voor tien, vijftien jaar gebeurde dat grotendeels in het publieke domein. Agrarische universiteiten en kennisinstituten vormden een losjes georganiseerd wereldwijd netwerk. Op basis van ontwikkelingen in het veld probeerden ze zo goed mogelijk in te schatten aan welke genetische eigenschappen nieuwe rassen zouden moeten voldoen.

Dat veranderde met de opkomst van moderne gentechnologie. Doordat chemische en farmaceutische bedrijven zoals Monsanto, Dupont, Syngenta en BASF mogelijkheden zagen in genetisch gemodificeerde gewassen, deed ook het begrip ’octrooirecht’ zijn intrede in de landbouw. Waar resultaten van onderzoek vroeger zonder al te veel belemmeringen werden uitgewisseld, worden gentechnologische ontwikkelingen steeds meer dichtgespijkerd met octrooien en licenties. Niet alleen door commerciële bedrijven overigens; ook de universiteiten zagen in octrooien een goede gelegenheid om hun inkomsten te vergroten.

Louise Fresco: „Het probleem zit hem niet zozeer in het octrooi op zich als wel in de publieke beschikbaarheid van de kennis. Verbeterd zaaizaad mag best wat kosten, maar de problemen ontstaan doordat bepaalde technieken niet of alleen tegen hoge kosten beschikbaar zijn voor anderen.” Ook Niels Louwaars heeft sterke aanwijzingen dat octrooibescherming een steeds grotere belemmering vormt voor ontwikkeling van nieuwe gewassen. Niet alleen voor de publieke kennisinstituten, maar ook voor middelgrote en kleinere zaaizaadbedrijven.

Onder aanvoering van China en India komt er een tegenbeweging op gang. Beide landen investeren fors in gentechnologie omdat ze er een middel in zien om hun groeiende bevolking te voeden. Met de ontwikkeling van de nieuwe rijstrassen lijkt het erop dat met name China zich het recht voorbehoudt om zonder voorafgaande toestemming van de eigenaar gebruik te maken van geoctrooieerde kennis.

De eigenaar van de octrooien kan daar weinig tegen doen. Via zijn nationale overheid kan hij een klacht indienen bij de Wereldhandelsorganisatie, maar de procedure is omslachtig en duurt lang. Afgezien daarvan kan het betrokken bedrijf ook zomaar ineens zijn overgenomen door een Chinees (staats-)bedrijf. Vanaf eind vorig jaar deden geruchten de ronde over een mogelijke overname van Monsanto, een van de grote spelers. Vooropgesteld dat die geruchten op waarheid berustten, zou die belangstelling best van een Chinees bedrijf kunnen komen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden