Strenge, maar geliefde lerares

Bij Ida Gerhardt gaan het alledaagse en het eeuwige schijnbaar moeiteloos samen. Ze was religieus, maar ook een criticus van benepen calvinistische milieus. Vandaag het slot van de tiendelige poëzieserie van Trouw.

ROB SCHOUTEN

I da Gerhardt (1905-1997) stond van 1939 tot 1963 als lerares klassieke talen voor de klas in Kampen en Bilthoven. Iets van die lerares zie je in haar gedichten terug. Veel van haar verzen klinken wat streng. Ze laten zien dat de dichteres vond dat ze een opvoedkundige taak in deze wereld had. Daar staat tegenover dat haar gedichten tot de mooiste en diepste uit de Nederlandse literatuur behoren. Ze heeft een oeuvre nagelaten waar de lezer uren in kan ronddwalen.

In 1942 promoveerde Gerhardt op een gedeeltelijke vertaling van Lucretius' 'De rerum natura'. Vlak daarvoor, in 1940, was ze als dichteres gedebuteerd met de bundel 'Kosmos', die in de loop der jaren gevolgd werd door meer dan twintig dichtbundels.

Haar verzen staan in de klassieke traditie van de symbolisten, dichters van rond de vorige eeuwwisseling die probeerden in hun verzen de eenheid in de natuur op te roepen. Met name de dichters J.H. Leopold (Gerhardts leraar op het gymnasium) en Herman Gorter hebben haar werk beïnvloed. In het gedicht 'Kinderspel' bijvoorbeeld, een van haar vroegste, staat het geconcentreerd spelende kind symbool voor het werk van de dichter die opeens de verwantschap in bezigheden ontdekt: 'Sober spel, omgeven/ van een zó grote stilte, dat ook wij gevangen/ toezagen, - dan een flitsend even/ elkaar aanzien: wij lazen een gelijk verlangen.'

Volgens Gerhardt heeft de dichter een belangrijke taak om de geheimen van de kosmos en de microkosmos voor de mensen te bewaren en te openbaren. Met de onafheid, het toeval, de experimenteerzucht van de moderne poëzie had ze niet veel op. Soms proef je in haar poëzie ook wel verzet tegen de moderne tijd; ergens heeft ze het over 'een warse plant, met zon en maan alleen', het gaat over een acanthus, maar het zou heel goed op haar eigen dichterschap kunnen slaan; dwars en eenzaam ging ze haar weg.

Dat klinkt misschien allemaal erg stekelig, maar in werkelijkheid had Gerhardt een open oog voor mensen van nu, voor de kracht en de zwakheid van de wereld. Dat maakt, samen met die enorme taalbeheersing, dat ze ook na haar dood een veelgelezen dichteres bleef.

Aanvankelijk schreef Ida Gerhardt vooral natuurgedichten, waarin ze haar eigen kijk en de plaats in het heelal liet meezingen. Eind jaren zestig verhuisde ze met haar huisgenote en collega Marie H. van der Zeyde naar Eefde bij Zutphen, een streek die veel in haar gedichten voorkomt.

In veel opzichten is ze een typisch Hollandse dichteres; je merkt dat het rivierlandschap - de Waal, de IJssel, de Lek - haar warme belangstelling heeft. Dat klinkt ook door in het beroemde gedicht 'Radiobericht', dat over zoiets alledaags als de waterstanden gaat, maar waarin ze iets van haar eigen geschiedenis en die van het mensenlot weet te vervlechten. Al was Ida Gerhardt geen modern en zeker geen experimenteel dichter, dit werk klinkt toch heel bijzonder en onalledaags met die magische herhaling van alleen de naam al: 'Grave beneden de Sluis'.

Later krijgt haar werk een meer maatschappelijke inslag. Ze maakt zich in haar gedichten vaak boos over de neergang van de cultuur en de manier waarop mensen met elkaar omgaan; tegenover materialisme en oppervlakkigheid breekt zij een lans voor aandachtige en zorgvuldige omgang met het leven. De dichter, de eenling, heeft de opdracht de wereld te waarschuwen en een spiegel voor te houden. Je zou ook kunnen zeggen dat het uiterlijke landschap van het begin plaatsmaakt voor het innerlijk landschap; ze stort meer dan in haar vroege werk ook haar gemoed uit.

De strenge toon uit haar eerste bundels, zoals 'Het levend monogram' uit 1955, wordt later trouwens wel wat milder, soms zelfs toont ze zich verbaasd over de schoonheid van de gewone wereld. Dat merk je duidelijk in een bundel als 'De zomen van het licht' waarin het volgende gedicht staat:

Het verstoorde wereldbeeld

Hoe kán dat: dagpauwogen in de hof

van Breeklenkamp naast ons - Niet te geloven.

Hun wiekenpracht gaat het verstand te boven:

vier zonnen op een veld van sterrestof.

Hij had dit jaar brandnetels in het gras,

de oude boer, wat achterop met werk,

daar er een erfenis met ruzie was:

pauwogen fladderen van perk tot perk.

Hij cijfert achter de gordijnen uren

terwijl ze nectar uit zijn tuintje puren.

Zondags zit hij - zijn zaak is vóór geweest -

stil op de bank voor huis, verkalkt en blauw;

dan zitten er pauwogen op zijn mouw,

wier tekenen hij bevreemd en bevend leest.

Een mooi gedicht, waarin Gerhardt het alledaagse en triviale van de afgeleefde boer, agrarische tegenslag en onverkwikkelijke familieruzies spiegelt aan de bovenmenselijke schoonheid van dagpauwogen die toch ook aangewezen zijn op de 'nectar uit zijn tuintje'. Mooi is ook dat de titel 'Het verstoorde wereldbeeld' meerdere kanten op gaat: de dichteres is verrast door wat ze ziet, net als de boer zelf. Hij zit een beetje krenterig te cijferen, maar wordt ongemerkt overvallen door zoveel pure schoonheid. Je ziet aan dit gedicht Gerhardts vakmanschap, haar beheersing van de vorm. Dit is een sonnet, streng metrisch en rijmend, met een wending na regel acht, precies zoals het hoort, maar in die strenge vorm weet ze een heel verhaal te vertellen en te suggereren, anekdotisch en magisch tegelijk.

Het is een typisch voorbeeld van Gerhardts poëzie waarin het alledaagse en het eeuwige vaak samengaan. Daarnaast zie je dat ze in haar gedichten verschillende stijlen beoefent. Nu eens gebruikt ze doelbewust eenvoudige taal, tot zelfs kindertaal en springtouwliedjes aan toe, dan weer bezigt ze juist archaïsmen. Daarmee wil ze enerzijds de zuiverheid van het kind benadrukken en anderzijds laten zien hoezeer ze zich met het verleden verbonden voelt.

Al met al geeft haar zorgvuldig gebeeldhouwde taalgebruik je een gevoel van tijdloze helderheid. Juist dat heeft ervoor gezorgd dat haar werk door zeer veel lezers buitengewoon hoog wordt geschat.

Dat ze naast haar eigen oeuvre ook zulke diverse werken als de bijbelse 'Psalmen' (samen met Marie van der Zeyde) en Vergilius' 'Georgica' vertaalde, laat wel zien hoezeer ze deel wil uitmaken van de christelijk-klassieke traditie in de literatuur.

In 1979 kreeg ze de P.C. Hooftprijs voor haar poëzie, en daarmee de erkenning dat ze een van de belangrijkste dichteressen van het Nederlandse taalgebied is.

undefined

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden