STRELEND ZINGENOT IN EEN BOURGONDISCHE STAD

De Franse minister Jacques Toubon die kort geleden het ministerie van cultuur van zijn aanzienlijk flamboyantere voorganger Jack Lang overnam, heeft behalve de kunst (en dat is in zijn Frankrijk heel wat) ook de Francophonie in zijn portefeuille. Dat laatste betekent dat hij onvervalst chauvinistisch mag zijn als het zo te pas komt.

CEES STRAUS

En het komt hem van pas als hij aan een ellenlange toespraak begint die uitmondt in de opening van de tentoonstelling van Hollandse en Vlaamse meesters uit de Hermitage in Sint Petersburg in het Museum voor Schone Kunsten in Dijon.

Toubon heeft het over de innige contacten die er altijd tussen Frankrijk en Rusland zijn geweest, “weten we wel dat er lange tijd aan het hof in Sint Petersburg Frans werd gesproken?”. Dat Catharina de Grote des te meer van Hollandse schilders hield, onthoudt de minister zijn ronddrentelende en al lang niet meer aandachtig luisterende gehoor: je zult toch maar moeten toegeven dat er in het Frans over die platte cultuur van Hollandse kaaskoppen werd gesproken.

Er hangt geen likje Franse verf op deze expositie in het Dijonese museum, in tegendeel, het is Holland en Vlaanderen wat de klok slaat. En dat is uiterst fraaie schilderkunst, geeft conservatrice Helene Meyer toe, die met haar collega Emmanuel Starcky de expositie heeft samengesteld. Nog voor het vernissagepubliek de entree heeft genomen - een activiteit die een dik uur kost vanwege alle veiligheidsmaatregelen rond het prestigieuze bezoek van Franse en Russische overheidsdignitarissen - heeft Meyer al het een en ander over de collectie verteld. Het museum wilde graag werken uit de collectie van de Russische schatkamer tonen, maakte daar ter plaatse een keuze uit, maar kreeg niet alles wat het wilde hebben. Nee, een Rembrandt zat er niet in, maar we hebben wel een Frans Hals gekregen, een heel mooie Ruisdael (dat uit haar mond prachtig verbasterd klinkt, zodat je twee keer moet vragen wie ze nu bedoelt), en wat vind je straks van Melchior de Hondecoeter en van Jan Both?

Ik beken dat ik daar niet acht uur voor in de auto heb gezeten om redelijk goede, maar toch doorsnee schilders uit de zo rijke Gouden Eeuw te kunnen aanschouwen, maar wil mevrouw Meyer graag het voordeel van de twijfel geven.

Omdat de toegang tot het museum inmiddels meer dan verstopt zit en de keukenbrigade de eerste hapjes begint aan te reiken, moet eerst maar een bankje worden opgezocht om deze vernissage te bekijken. Het wordt in de hoofdstad van Bourgondie een groots volksfeest. Hoewel er een geselecteerd aantal uitnodigingskaarten is verspreid, lijkt de hele stad aanwezig. Ooit gedacht dat Nederlanders en masse uitliepen als ze gratis konden eten en drinken, maar Fransen kunnen er ook wat van. Comfortabel gezeten, enkele meters achter lange tafels met champagne en kaviaar - nee, kinderachtig zijn ze hier allerminst - heb je uitzicht op tout Dijon dat hier vlak voor je neus hun diner komt wegsnaaien. Een vogeltje, in bourgeois verenpakje, dus met plisserok en parelkettinkje, geschatte leeftijd vier-en-zeventig, schuifelt keurend van dienblad tot dienblad om dan met een snelle haal de eerste keus te doen.

Gedurende het komende half uur zal ze niet uit het zicht verdwijnen. .

Mijn twee Dijonese buurvrouwen krijgen haar ook in het oog. Als ze ten lange leste is uitgegeten, tel ik 23 keer, mijn buren komen evenwel op 26 snacks die ze tot zich heeft genomen. “Oh ja, we kennen haar wel van dit soort gelegenheden. Zij en haar man, die de tafels van de andere kant aanvalt, zijn hier gekend vanwege dit soort activiteit.” De tafels zijn na een uur volkomen leeg gegeten en daarmee ook verlaten. Eerst drank en eten, dan het geestelijk voedsel.

Zo monter gestemd kun je de tentoonstelling met een welwillend oog bekijken.

Nee, een reprise van wat Boymans-van Beuningen in Rotterdam in 1985 deed, is het niet. Van de veertig schilderijen op deze niet overdadig grote expositie, zijn er vlug geschat zo'n tien doeken die ook al in Rotterdam te zien waren.

Daar zit die prachtige Ruisdael bij, een idyllisch en gefingeerd landschap dat de schilder in Noorwegen heeft gesitueerd, waar hij evenwel nooit is geweest, want verder dan Kleef en Bentheim aan de Nederlands-Duitse grens moeten zijn reizen niet zijn gegaan. Het is ook helemaal niet zo'n Scandinavisch landschap, veel eerder Italiaans. Wat niet zo vreemd is, zo vertelt mevrouw Meyer, als je weet dat Ruisdael met dit thema geinspireerd werd door de Italianisanten, de reizigers op Rome, onder wie Allaert van Everdingen die de 'uitvinder' van het onderwerp was.

De Ruisdael is lang niet de enige topper op deze presentatie. In weerwil van de verontschuldigende woorden van de conservatrice: er zijn aanzienlijk meer belangrijke stukken uit Sint Petersburg mee gekomen. De 'Tobias en de engel'

van Abraham Bloemaert bijvoorbeeld is een prachtig werk, dat deze in Nederland eigenlijk genegeerde schilder ten voeten uit toont. En stilstaan wil de bezoeker ook graag bij het concerterend gezelschap van Dirck van Baburen, een van die Utrechtse caravaggisten die in Dijon kennelijk nu pas worden ontdekt, want mevrouw Meyer noemt hem een 'revelatie'. Van Caravaggio is bekend dat hij zijn modellen van de straat haalde en dat hij ze vervolgens levensgetrouw, dat wil zeggen heel realistisch uitbeeldde. Waren ze bruin verbrand van de Italiaanse zon, dan gaf de schilder ze niet een porseleinwit huidje mee, maar verbeeldde hij ze ook krokantkleurig.

Bij Van Baburen krijg je van hetzelfde laken een pak. De luitspeler, die net als de zangeres in het gezelschap het publiek aankijkt (dat is altijd een voorbeeld van hoog opgevoerd realisme geweest, vergelijk de Olympia en Le dejeuner sur l'herbe van Manet daarmee), heeft een blote tors die in het helle licht prachtig kaarsgeel oplicht.

Het is door deze Van Baburen dat het me plotseling opvalt hoe zinnelijk de Hollandse en Vlaamse meesters in de 17de eeuw schilderden. Ja, van Rubens, die met een handvol schetsen prominent aanwezig is en van Jordaens, zijn hun fysieke interesses voor de menselijke verschijning wel bekend, maar ook bij de Noordnederlanders is het toch een en al een oproep om te strelen en aaien, te ruiken en te proeven. Nee, niet een Vermeer (die hier trouwens ontbreekt) of zo'n burgerlijk Hollands binnenhuisje van Pieter de Hooch, poezelt het oog.

Maar zelfs zo'n doorsnee fruitstilleven van Adriaen van Utrecht of Frans Snyders, die beiden lijken weg te vallen als ze worden vergeleken met het prachtige groenten- en fruitstilleven van Jan Davidsz. de Heem, is helemaal geschilderd met de bedoeling om het oog in vervoering te brengen, de zinnen te koesteren.

Als ik de expositie beeindig, realiseer ik me plotseling dat elke zaal z'n eigen kleur heeft. Dat wordt dus weer de wandeling in omgekeerde volgorde, dwars tegen de wassende stroom bezoekers in. Dan begrijp je ook wat die kleur betekent: werken uit een zaal komen uit een bepaalde collectie. Je kijkt tenslotte naar de aankopen die de Russische keizerin Catharina de Grote in de laatste dertig jaar van haar leven (1764-1797) heeft gedaan. “Erg cultureel was het bepaald niet aan haar hof, waar nog middeleeuwse toestanden heersten”, vertelt Helene Meyer. Onder Peter de Grote, wiens roem in Nederland voorgoed gevestigd werd met het als museum geconserveerde logeerpandje in Zaandam, werden er al pogingen gedaan om het hof enige Europese allure te geven. Maar onder Catharina de Grote, die trouwde met Peter III, de kleinzoon van Peter de Grote, brak de kunstzin volstrekt ongeremd los.

Geadviseerd door haar raadgevers, onder wie ambassadeurs maar ook kunstkenners en wetenschappers in de diverse Westeuropese landen, sloeg ze de schilderijen bij honderden in. Niet zelden haalde ze complete veilingen naar Rusland om in haar eigen omgeving de eerste keus te maken, zodat de rest weer terug kon.

Natuurlijk, Catharina hield van kunst, maar of dit haar eigen smaak was, moet nog bezien worden. Feit is, zo zegt Helene Meyer, dat ze helemaal afging op de smaak van de tijd. Die richtte zich, internationaal gezien, in de 18de eeuw vooral op de schilderkunst van de Nederlanden. En dus kwamen de Rembrandts, de Frans Halsen en al die andere, ook in vroegere tijd, zo populaire schilders uit de Gouden Eeuw het aloude Rusland binnen.

Niet bekend

Met deze Berckheyde, de Ruisdael, Hals en al die andere Gouden Eeuwers wordt de keus van Catharina de Grote duidelijk. Ze wilde het hof, en daarmee heel haar achterlijke Rusland, in een slag terugbrengen op de kaart van Europa.

Geadviseerd door rapporteurs die veel smaak bezaten, kocht ze zich aanzien en prestige, ook al deed ze dat met kunst die op dat moment al honderd tot honderdvijftig jaar oud was. In een voorportaaltje aan het begin van de tentoonstelling hangt een anonieme Franse aquarel met haar portret. Een vrouw die zich als alle vorsten van haar tijd kleedde: een hermelijnen mantel om de forse schouders geslagen, de borst overdadig gedecoreerd met kruizen en adelaars. Boven dat alles een imperatieve blik, een keizerin waardig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden