STRAND

Het vogeltje op wieltjes

De drieteenstrandloper is het gewend om in alle haast van de vloer te eten. Het is de enige vogel die zich buiten broedtijd uitsluitend voedt met de levende have die golven achterlaten op het strand. Wormpjes vooral, en soms krabbe- en viseitjes. Terwijl andere (viertenige, en daardoor ietwat tragere) strandlopers doorgaans op het wad hun kostje bij elkaar scharrelen, maakt hun drietenige neef het zichzelf moeilijk door in dat moordende tempo een maaltijd bij elkaar te pikken die eigenlijk al in het afvoerputje aan het verdwijnen is.

Want: de wormpjes die door de golven worden aangevoerd, duiken direct onder in het strandzand. De toegesnelde drieteenstrandloper ziet al het lekkers dus om zich heen wegfloepen in de grond. Hij kan dan nog slechts afgaan op het priegelige beetje slijm dat het wormpje afscheidt bij de entree van het onderduikadres. Daar blijven een paar zandkorreltjes aan elkaar kleven en precies daar boort de drieteenstrandloper zijn puntige snavel in het zand. Dan is het weer snel wegwezen: de volgende golf komt aanrollen. “Het is zo'n vogeltje op wieltjes”, verklaart bioloog dr. C. Swennen nog eens ten overvloede. Swennen was voor zijn recente pensionering verbonden aan het Nederlands instituut voor onderzoek der zee (Nioz) op Texel. De drieteenstrandloper was er zijn oogappel. “Het is de lichtst gekleurde strandloper; hij is in hoofdzaak wit. Het is een zeer bijzonder diertje, dat broedt op enkele zeer noordelijk gelegen plaatsen in Alaska, Canada en Noord-Siberië. Na drie maanden broeden wordt het daar te koud en gaat-ie naar het strand. Het strand van de wereld, want hij komt tot in Patagonië, Zuid-Afrika en Nieuw-Zeeland.”

Een zucht van warme lucht

Strandweer is speciaal genoeg voor een eigen 06-lijn van het KNMI. Meteorologen weten het allang: als het elders in het land gewoon zonnig is, is het aan het strand dikwijls extra zonnig. Dat geldt vooral voor deze tijd van het jaar.

Hoe dat kan? Hoofdmeteoroloog Jacob Kuiper van het KNMI legt uit dat het aan de thermiekbellen ligt. Wordt land door de zon flink opgewarmd, dan komt er een moment dat er een zucht van warme lucht aan de aarde ontsnapt. Zo'n bel stijgt op en vormt een cumuluswolk. Kuiper: “Dat zijn de mooie, witte wolken die je in de zomer ziet. Die bedekken een stuk hemel en daardoor wordt een deel van de zonneschijn tegengehouden.”

“Heerst er in het voorjaar of in de vroege zomer een westenwind, dan wordt er vanuit zee vrij koele lucht landinwaarts geblazen. Daar wordt het dan net niet warm genoeg om de thermiekbellen te laten opstijgen en ze wolken te laten vormen. De starttemperatuur voor de ontwikkeling van zo'n bel wordt gewoon niet gehaald. Daardoor is het vlak aan zee vaak geheel onbewolkt, terwijl er verder landinwaarts wèl wolken worden gevormd. Later in de zomer, als het zeewater is opgewarmd, verdwijnt dit effect vrijwel geheel.”

Snel opstijgende thermiekbellen zorgen ook voor de bekende verkoelende zeewind. Doordat er in het binnenland massaal warme bellen opstijgen, ontstaat er net boven de hete grond korte tijd een gebrek aan lucht, dat direct wordt opgevuld door koele wind vanuit zee. Zeewind is vaak kilometers landinwaarts voelbaar; op het strand is het een plotseling opstekend fris briesje dat parasols doet klapperen.

Hetzelfde verschijnsel speelt zich ook af op veel kleinere schaal. Opstijgende warme luchtbellen boven de duinen kunnen stofhoosjes doen ontstaan. Tussen het natte strand en het droge duin heerst zo'n temperatuursverschil dat het binnen een paar vierkante meter ineens flink kan gaan wervelen.

Vlooien met duinzicht

Strandgangers mòeten haast wel een hekel hebben aan al wat groeit en bloeit. Uiterlijk fraaie plantjes en beestjes zie je namelijk niet aan het strand en wat rest is daarmee gedegradeerd tot ongemak: het kriebelt of het steekt.

Het strand telt niet veel vaste bewoners die groter zijn dan, zeg, een millimeter. Stuk voor stuk dwingen ze bewondering af om hun uithoudingsvermogen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld vogels, krabben en kevers kunnen ze het strand niet verlaten als het getij ze ongunstig uitkomt. Ze graven zich maar in en hopen dat ze niet uitdrogen. Komen ze naar boven, dan is dat doorgaans om te eten. In de praktijk geldt: wat de pot schaft is sterk afhankelijk van de afstand tussen het diertje en het water.

Strandvlooien behoren tot de beweeglijkste bewoners van de zandkust. 's Nachts komen ze uit het zand boven de vloedlijn gekropen om zich tegoed te doen aan rottend zeewier en ander organisch afval lager op het strand. Als de zon opkomt, spoeden ze zich terug naar hun hoge, droge schuilplaats.

Hoe de vlooien de weg terug weten te vinden, is bekend: hun oriëntatiegevoel wijst hen in de richting van alles wat contrasteert met de achtergrond. In dit geval: de duinen. Maar hoe ze in staat zijn om zich tegen hun richtinggevoel in te verwijderen van dit veilige baken om lager op het strand te gaan dineren, is lange tijd een raadsel geweest.

In 1989 gingen biologen van het University College of North Wales naar het strand om het verschijnsel te verklaren. Ze ontdekten dat het 'thuisbaken' van de vlo is gekoppeld aan een interne klok. Zodra het donker wordt, verdwijnt de drang om de duinen op te zoeken. Bij zonsopgang springt de klok weer aan, zodat de vlo nog juist gelegenheid heeft bijtijds zijn schuilplaats te bereiken.

Andere stranddieren zijn minder mobiel. In het 'midden' van het strand liggen de meeste dode en stervende diersoorten die het water meevoerde; kwallen en schelpenbanken. Hier komen vooral de agaatpissebedden op af; zij hebben ook een voorkeur voor rottende vis.

Dichter bij het water, in het zand dat het langst vochtig blijft, leeft onder meer de knikspriet. Het is een zogeheten 'zandlikker'; het diertje voedt zich door een zandkorrel tussen de kaken te nemen en schoon te likken.

In dezelfde contreien begeeft zich de zandkreeft, die zo'n korrel als het ware leegzuigt en borstelhaartjes gebruikt om de organische deeltjes eruit te zeven. Minder plaatsgebonden is de vuilgroene gemsworm, die zich tijdens hoog water met plankton voedt. Evenmin plaatsgebonden is de gebronsde tweevoeter vlak boven hem, maar die neemt zijn voedsel van thuis mee.

Noten jutten

Hoe komt een afgelegen eilandje aan zijn begroeiing? Dat vogels zaden vervoeren in hun bek en maag is bekend, maar een ander deel van het antwoord spoelt aan op het strand.

Als zaden blijven drijven kunnen ze ver komen. Tot Nederland aan toe. Dr. Gerhard Cadee, een bioloog in dienst van het Nederlands Instituut voor onderzoek der zee (Nioz), jut met speciaal genoegen naar zaden uit de tropen.

Zijn inncasseringsvermogen wordt daarbij wel op de proef gesteld. Zo gek veel tropische verassingen zijn er niet te vinden op de Nederlandse stranden. En in verreweg de meeste gevallen zegt de logica dat ze gewoon van een schip zijn afgevallen. “Het is nauwelijks objectief vast te stellen waar de zaden vandaan komen”, zegt Cadee. “Meestal zal de mens een handje hebben geholpen bij het transport.”

En toch. In september 1988 vond Cadee tijdens het wachten op de boot naar Texel aan de kade van Den Helder een noot die “enige oppervlakkige gelijkenis vertoonde met een afgeplatte perzikpit”. Bij nadere bestudering bleek het een tropische amandel (Terminalia Catappa) te zijn. Het was een zeldzame vondst: nummer twee van heel Europa. Inmiddels is nummer drie opgeraapt van het Texelse strand.

Cadee ontdekte dat de tropische amandel een noot is die maar moeilijk valt te kraken en eigenlijk alleen door de bevolking op de plaats van herkomst (het Caraibisch gebied, Midden- en Zuid-Amerika) wordt gegeten. Export voor consumptie is niet waarschijnlijk en dus zouden er ook geen exemplaren van schepen kunnen vallen.

Helaas voor het verhaal worden tropische zaden steeds populairder als decoratie in kerststukjes. Menige kerstmarkt loopt voor Cadee uit op een ware desillusie: geregeld vindt hij er zaden die ook op het strand lagen en dus vrijwel zeker per schip in Europa zijn gearriveerd.

In het geval van de tropische amandel is het verdacht dat er maar zo weinig exemplaren van zijn gevonden; de golfstroom zou er veel meer kunnen meenemen. Technisch gezien kan de noot de reis echter zelfstandig hebben volbracht; ze kan twee jaar blijven drijven zonder kiemkracht te verliezen. Dat is voldoende reistijd voor een enkeltje Caraiben-Texel: van de drijfles is bekend dat die er een tot twee jaar over doet.

Samengeperste schuimkoppen

Nergens hebben ze rust, de voetballers in dienst van Oranje. Hun babykamers worden gefilmd, hun trainingspotjes bespioneerd en hun wedstrijden geanalyseerd. En sinds maart loeren er zelfs elektronische ogen mee tijdens de traditionele strandwandeling in Noordwijk die aan elke interland vooraf gaat.

Ze staan op het dak van hotel Huis ter Duin, het vaste logeeradres van het Nederlands elftal. De ene camera blikt noordwaarts, de andere zuidwaarts. In beeld: een flink deel van het strand en de branding.

De camera's zijn er voor onbepaalde tijd geplaatst door Rob Holman, hoogleraar kustmorfologie aan de Universiteit van Oregon. Langs de Amerikaanse kust staan er al zes; Noordwijk is het eerste kustgebied buiten de VS met wetenschappelijke videobewaking.

Want Holman, dat moge duidelijk zijn, heeft niet de eerste op afstand bediende strandwacht uitgevonden. Er zit méér achter. Instituten als de Universiteit Utrecht, de Technische Universiteit Delft, het Waterloopkundig laboratorium en het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ) verenigd in het Nederlands Centrum voor Kustonderzoek zijn nauw betrokken bij het project.

“Het gaat ons om de golven voor de kust”, zegt dr. Jan Mulder, hoofd van de onderafdeling morfologie van het RIKZ. “Of beter gezegd: om de schuimkoppen die door brekende golven worden gevormd. Dat gebeurt op plaatsen waar het relatief ondiep is en die plaatsen willen we in kaart brengen. Nu gebeurt dat eens per jaar met echolodingen door een schip van Rijkswaterstaat. Maar met die camera's beschikken we over een permanente observatiepost.”

Elke tien minuten maakt een PC die aan de videocamera's is gekoppeld een samenvatting van het voorafgaande: van elk beeldelement wordt de gemiddelde lichtsterkte in die periode uitgerekend. Zo ontstaat een plaatje waarin alle gefilmde evenementen van de voorbije tien minuten zijn samengeperst. En dan blijken de schuimkoppen zich aaneen te rijgen tot witte strepen; de contouren van de zandbanken worden zichtbaar.

Mulder: “We zijn nog maar korte tijd bezig, maar nu al blijkt uit de beelden dat de zandbanken een fantastische dynamiek hebben; de ene keer zijn ze gesloten, de andere keer zijn ze opengebroken. Dat brengt ons tot de prangende vraag: waar hebben we tot dusver naar gekeken? Wat er tussen twee jaarlijkse echolodingen gebeurde, wisten we niet. Nu kunnen we de beelden combineren met golf- en stromingsmodellen in de computer. Daaruit kan dan de plaatselijke diepte van het water worden afgeleid en zo streven we uiteindelijk naar een actuele onderwaterkaart van de zeebodem.”

Op de thuisbasis van kustmorfoloog Holman in Oregon komen de beelden uit Noordwijk live binnen via Internet. Ook in Utrecht is het dagelijks smullen voor de kustonderzoekers.

Mulder: “Het is natuurlijk aardig, en heel stimulerend, om s'ochtends op je werk in te loggen en even te kijken hoe de kust erbij ligt.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden