Strafschop Ronald Koeman zonder toeval niet te stoppen

Twee weken geleden joeg de tennisser Mark Philippousis de bal met een snelheid van 228,5 kilometer per uur over het net. Een raket van een ace, een nieuw wereldrecord. Tegenstander Black wist niet wat te zeggen: “Ik heb er niet veel van gezien.” Met de ogen kun je wel zien, maar niet alles volgen. Een verhaal over het zicht in de sport.

FRED TROOST

Op die laatste vraag denkt Ten Napel het antwoord te weten: “De gevoelsinformatie is vele malen belangrijker dan de visuele informatie. Een basketballer of een hand- of korfballer heeft de bal in handen. Dat gevoel levert genoeg informatie om de bal naar het doel te sturen. Een voetballer mist dat gevoel, dus kijkt hij naar de bal. Dat frappeert mij en ik zou daar onderzoek naar willen doen. Kun je voetballers erin trainen te voelen waar de bal is? Dat is belangrijk om te weten, want als dat kan, heeft een voetballer meer tijd om rond te kijken en beter te plaatsen. Op die manier zou je bijvoorbeeld het rendement van de vrije schop kunnen vergroten.” Vraagstukken als deze boeien Ten Napel in hoge mate. Hij trekt er conclusies uit. “Een penalty van Ronald Koeman, die met 150 km/u op je afkomt, is nooit te stoppen”, meent hij. “Zo'n strafschop doet 0,26 seconde over elf meter. Die snelheid kan het keepersoog niet volgen. Als een keeper de bal houdt, is dat toeval. Hij gokt op de goede hoek en bevindt zich bij toeval in de baan van het schot. Maar hij ziet de bal niet.”

Ook bij andere sporten is een snelle bal nauwelijks door het oog te volgen. Als Richard Krajicek een bal slaat met 200 km/u, heeft het object al drie meter afgelegd vóór de speler aan de andere kant van het net hem kan waarnemen. “Bedenken we dat ook voor de motorische reactie tijd nodig is, dan valt het te begrijpen dat zo'n keihard geslagen bal moeilijk is te retourneren.” Een ander voorbeeld betreft honkbal. Ten Napel: “Een pitcher uit de World Series gooit de bal met een snelheid van 150km/u, dat is 42 meter per seconde. De slagman moet die bal volgen. De volgbeweging wordt bepaald door de snelheid van het oog. De tijd die nodig is voor het signaal van het oog in de hersenen is aangekomen, is gemiddeld 36 milliseconden. Dan is die bal al een meter onderweg. Omdat de bal sneller gaat dan het oog kan volgen, kan de slagman de bal op maar dertig procent van het traject zien. Dan is hij uit beeld. Tel je er de vertraging bij op voor de volgbeweging begint (het oog moet op gang komen), dan zit je al snel op 0,4 seconde. In die tijd heeft de bal zeventien meter afgelegd van de 18,45 meter afstand tussen de heuvel en de plaat. Het kost 0,2 seconden om te slaan, dus heeft de slagman 0,2 seconden over om te beslissen wat hij doet. In die tijd moet hij ook nog de baan van de bal berekenen.”

Het is dus logisch dat een slagman kijkt naar de vingers van de werper (die ze daarom zo lang mogelijk in de handschoen verbergt), want die vingers geven hem informatie over wat voor soort worp hij zal krijgen. Een voetbalkeeper zal bij een strafschop meer op de voet van de nemer letten dan op de bal.

In een voetbalwedstrijd werd eind vorig jaar geëxperimenteerd met technische vernuftigheden die kunnen helpen het aantal arbitrale fouten te verminderen. Camera's en monitoren om een waarnemer op de tribune het eindoordeel te laten uitspreken over buitenspel. Een laserapparaatje om het muurtje op écht 9.15 meter te zetten. En camera's op de doellijn om twijfels over het al dan niet door de bal passeren ervan weg te nemen. Vooral over dat laatste is Ten Napel enthousiast. “Het geeft zekerheid die de waarneming van de scheidsrechter nooit zal geven. Stel de positie van de scheidsrechter op de rand van het penaltygebied, op zestien meter. Dan kan hij nooit waarnemen of een van de lat stuitende bal voor of achter de doellijn terecht komt. Dat heeft met drie factoren te maken: diepte zien, contrast waarnemen en oog bewegen. Drie essentiële zaken.”

Hij licht toe: “Diepte zien kan vanaf tien meter alleen als er tien centimeter verschil is tussen de objecten. Contrast is er niet met een witte bal op een witte lijn. Niet voor niets zijn ballen bij tennis geel. En waarom wordt er bij sneeuw met een oranje bal gevoetbald? Het zou beter zijn die doellijnen ook oranje te verven.”

“Wat de oogbeweging betreft, een met honderd km/u geschoten bal is voor de scheidsrechter de eerste meters niet te volgen. Bij de hoek die de bal maakt als hij van de lat stuit, is de scheidsrechter hem gewoon 35 milliseconden kwijt en dan is de bal al een meter onderweg. Eigenlijk neemt de arbiter de bal pas weer waar als hij de grond al raakt.”

Ook de technische hulpmiddelen bij het plaatsen van het muurtje vindt Ten Napel een logische stap. “Ik heb me er altijd al over verbaasd dat men niet eerder zoiets heeft bedacht. Afstand meten met het blote oog is hondsmoeilijk. Die negen meter vijftien wordt bijna altijd korter geschat. Met een laser of met radar kun je dat voorkomen.” Hij voegt wel een voorbehoud toe. “Ik hoop dat ze een onschuldige laser gebruikt hebben, want sommige zijn potentieel gevaarlijk voor het oog.”

Dat brengt hem op een schaduwkant van sportbeoefening. “Er worden in Nederland per jaar zo'n 150 ogen maatschappelijk blind door sportdeelname. Dat wil zeggen dat zo'n oog minder dan tien procent zicht heeft. Ik ben van mening dat negentig procent van die blessures te voorkomen is.”

Hij wijst op ervaringen uit Canada en Amerika. “In die landen worden al jaren alle blessures geregistreerd. Op basis daarvan wordt onderzoek gedaan en worden preventieve maatregelen genomen. Zo is de Canadese ijshockeyjeugd sinds 1983 verplicht met beschermmaskers te spelen. In dat jaar nam het aantal blessures in die groep met 57 procent af, terwijl dat getal bij oudere spelers (zonder masker) met 110 procent steeg. In de Verenigde Staten zijn squashers verplicht met een beschermbril te spelen. In Canada is badminton 'booming' wat blessuretoename betreft. Dus mag je op termijn maatregelen verwachten.” Ten Napel zou in Nederland ook graag dergelijke maatregelen zien. Hij pleit daarom voor een blessure-registratiesysteem, maar pogingen die hij op dat gebied ondernam zijn vooralsnog op niets uitgelopen.

Ten Napel weet wat bij elke sport het effect is van een bal op het oog. “Zowel bij tennis als bij squash raakt de bal de voorkant. Zo'n balletje past precies in de oogkas en zuigt zich aan het oog vast. Dat is nog tamelijk gunstig. Wie een voetbal op z'n oog krijgt, loopt door het vacuüm-effect van de bal het risico dat de achterkant van het oog beschadigd wordt. Dat is kwalijker.”

Voor Ten Napel is de fascinatie voor de combinatie oog en sport een passie geworden, die hij vanuit twee invalshoeken beleeft: de blessurepreventie en het onderzoek naar de werking van het oog bij sportdeelname. Vanuit die tweede invalshoek zal hij op het Wereldcongres oogheelkunde, dat in 1998 in Nederland wordt gehouden, het subthema 'Sport en zien' organiseren.

Toch kan hij, zeker wat dit punt betreft, op zijn tijd ook relativeren. “De kwaliteit van het oog is minder belangrijk dan de kwaliteit van de reactiesnelheid van de spieren. Het trainen van de ogen om enkele milliseconden te winnen is veel minder zinvol dan ervoor zorgen dat je contactlens schoon is”, zegt hij. En, om elke twijfel weg te nemen: “Babe Ruth, de recordhouder home-runs in Amerika, had een lui oog.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden