Stotteren over God

nieuwkomer | Stephan Sanders ging een beetje proefgeloven: 'Ik neem het woord God in de mond, om te zien of ik het kan uitspreken zonder te giechelen.' Op deze plek doet hij maandelijks verslag van zijn vorderingen.

Het is één ding om jezelf gelovig te noemen, een tweede om dat geloof te verkondigen. Ik doe dat stiekem al, bijvoorbeeld door deze stukken te schrijven. Het woord 'stiekem' lijkt misplaatst, want mijn woorden worden in alle openheid en ondertekend gepubliceerd, het lijkt niet op samizdat.

Maar nu het verhaal over het geheimzinnige proces van schrijven: ja, je spreekt iemand aan, de Lezer, die nog behoorlijk anoniem kan blijven, en die uiteindelijk ook jijzelf bent. Je schrijft de column of het essay dat je zelf had willen lezen en schrijven. Er treedt een merkwaardige rolverwarring op, lezer en schrijver nemen het telkens van elkaar over.

En dit schrijven voor een publiek, dat er wel en niet is, gebeurt wat mij betreft altijd in eenzaamheid. Daar bedoel ik niets dramatisch mee; ik moet gewoon alleen zijn. Liefst niemand in huis, ook geen gestommel beneden. Huishoudelijk geluid (een afwasmachine die aanstaat) is prettig.

Schrijven, ook over geloof, is dus 'stiekem' verkondigen, in de zin dat je je publiek niet aankijkt en het gesnuif om je heen niet hoort. De opgetrokken wenkbrauw die je ziet, is altijd een innerlijk opgetrokken wenkbrauw.

Een lezing voor publiek over het geloof: ook gedaan, en zo'n praatje lijkt toch nog verdacht veel op schrijven, omdat je achter een spreekgestoelte staat (of modern rondhuppelt met een headset) en monologiseert. Je praat tégen, en niet per se mét mensen. Ja, na afloop, tijdens de discussieronde - en daar wordt het 'stiekeme' al penibel, omdat iemand je terecht aanspreekt op het woord dat je net hebt uitgesproken. En plotseling ben jij het die een mening of zelfs een geloof belichaamt, en daarop aangevallen kan worden. Die overgang van een getypt idee naar een lichaam dat daar voor het voetlicht treedt en ter plekke bevraagd wordt, - 'gefouilleerd' denk ik in mijn meer melodramatische buien - maakt dat je ineens iets loopt te verkondigen. Jouw geloof. Aansteller. Uitslover. (Heiligschenner ook: wie kan pretenderen God te kennen.)

Dan nog: zo'n praatje over je eigen geloofservaring vindt bijna altijd plaats voor een welwillend publiek. De toehoorders zijn je op voorhand toegenegen, want op z'n minst geïnteresseerd in de kwestie.

Belijden

Wanneer heb ik mijn geloof ter sprake gebracht in een klein gezelschap dat daar niet specifiek naar vroeg? Heel, heel zelden. Het oude beleefdheidsidee zegt: als je het 'gezellig' wilt houden, begin dan in gezelschap nooit over twee dingen, politiek en religie. Want dat wordt hommeles. Fitna. Herrie in de keuken.

En waarom zou je ook? Nu, omdat het idee van christendom gebaseerd is op het verkondigen van de blijde boodschap. De Joden kennen het niet, die bekeringsijver, en dat is eigenlijk wel zo beschaafd, heb ik altijd gevonden. Maar het Jodendom is van oudsher ook een geloof voor Joden en niet voor die-van-daarbuiten, terwijl christenen pretenderen een universele boodschap te hebben, geldig voor iedereen, los van afkomst, achtergrond of geloof. Net als de islam rekent het christendom de ganse wereld tot haar missieterrein. Zo ben ik ook gevangen.

Ik vind dat filosofisch zeer juist, die radicale doorbreking van stamverbanden, het preken voor andermans parochie, maar praktisch gesproken vind ik het totaal ongepast: dat zomaar, ongevraagd, anderen jouw geloof opdringen, goed, daarover vertellen. Hier spreekt niet de beginnende gelovige, hier spreekt een middle class man die denkt te weten wat netjes is en comme il faut. De etiquette-evangelist, die zijn werk ook nog eens in stilte verricht, en wel zo dat 'de situatie wordt gered'. Ik geloof dat dit het allerhoogste gebod was in mijn jeugd.

Liever een ander

En de Jehova's getuigen dan? En de mensen die op straat, met gitaar en tamboerijn in de hand het Woord verkondigen? Mijn eerste reactie: gewoon onbeleefd. Dan volgt er heel lang niets.

En dan moet ik toegeven: als het menens is, dan moet iemand je toch vertellen van God, zoals iemand je ooit voor het eerst Bach heeft laten horen. En meteen daar achteraan: zolang ik het maar niet hoef te zijn, die langs de deuren gaat.

Het missiewerk heeft in de loop van eeuwen en eeuwen een slechte naam opgebouwd: het is doortrokken van westerse suprematie, kolonialisme, minachting jegens anders-gelovigen en kent een ongelooflijke ponteneur, die je farizeïsch mag noemen.

Maar als iedereen er zo deftig liberaal over dacht als ik, was het nooit wat geworden met dat christelijk geloof. U kent de codes: je geloof is een privé-kwestie, enkel te bespreken met geloofsgenoten of zeer goede vrienden - 'die ervan weten'. En plein publique: geen sjoege. Neutraal. Geen uiterlijke tekenen. Het is in het kort of je leest over de zomaar over straat lopende 'homofiel' uit de de vroege jaren vijftig. Vooral: geen aanstoot geven.

Het ongemak is verhuisd van de seks naar het geloof. Toen de eerste, stotterende bekentenis tegenover de Goede Vriendin over de eerste Jongen. En nu weer stotteren over God?

Nee, wij hebben besloten - dat ga ik niet meer doen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden