Stop de theologische uitverkoop

Wil de kerk op de huidige relimarkt overleven, zegt filosoof Govert Buijs, dan zal ze haar geloofsgoed krachtiger onder woorden moeten brengen. Zo moeilijk is dat niet. De God van Israël is uniek onder de goden: hij is met mensen in gesprek.

De afgelopen decennia werd het christelijk geloof – althans in Nederland – het geloof van een minderheid. Sociologen en theologen dachten dat dit het einde zou betekenen van de religie. Het omgekeerde is het geval. Onder de ’ontkerkelijkingsradar’ van de kerk door heeft zich een nieuwe ’kerk’ gevormd, van ’ongebonden spirituelen’ (volgens onderzoek van Motivaction zo’n 25 procent van de bevolking). Er is een levendige relimarkt ontstaan, waarop de kerk een van de vele spelers is geworden.

Dit proces heeft diepe sporen getrokken in de kerk. Het leidde tot onzekerheid, besmuiktheid, vlucht in ethiek, tot zelfkwelling (diep in mijn hart ben ik nog christen, maar ik sta het mezelf intellectueel niet meer toe), tot beschaamdheid. De kerk heeft zich murw laten beuken door gefrustreerde babyboomers.

Weinigen binnen de kerk kunnen zich voorstellen dat mensen ooit christen gewórden zijn, uit eigen keuze. Augustinus, C.S. Lewis of Willem Jan Otten ontmoeten binnen de kerk misschien wel net zo veel onbegrip als binnen de grachtengordel hoon.

Maar bovenal leidde dit proces tot onhandigheid. Opereren op een markt waar je ooit monopolist geweest bent en de klanten dus vanzelf wel kwamen, is niet eenvoudig. Een monopolist wordt door iedereen gekend. Een marktspeler moet voortdurend de aandacht op zich vestigen, en actief pr bedrijven. De klandizie komt niet vanzelf.

De kerk dient die situatie frank en vrij onder ogen te zien. Ik pleit niet voor het invoeren van markttermen als groei en winst en efficiencyverbetering. Integendeel. Het gaat mij om de erkenning van de grote levensbeschouwelijke verscheidenheid in ons land. Die pluraliteit en het vrijwel ontbreken van automatische overdrachtsmechanismen (je ouders zijn christen, dus jij bent het ook) vergt heroriëntatie van de kerk. Niet alleen op het punt van de geloofsoverdracht, maar ook van de doordenking van het eigen geloofsgoed. Wie voortdurend theologische uitverkoop houdt, moet niet verbaasd zijn dat hij zijn boodschap aan de straatstenen niet kwijt raakt.

In de huidige markt moet je durven zeggen dat het christelijk geloof een eigen, waardevol verhaal is. Als dat niet gebeurt is het einde snel in zicht. Meer dan ooit geldt in deze marktsituatie: de kerk die niet werft, die sterft.

Maar wat heeft de kerk dan in de aanbieding? Wat ligt er op haar santenkraam?

Om dat in het vizier te krijgen is een oude mythe van Plato, de mythe van Er, behulpzaam. Mensen staan op enigerlei moment voor een bak met levenspatronen met bijbehorende ’geesten’, goden. Al die levenspatronen hebben hun eigen aantrekkingskracht: tiran zijn, mooi zijn, rijk zijn. Wanneer je een bepaald patroon kiest, stelt je je ook open voor de ’geest’, de god van dat levenspatroon. Deze nestelt zich in de ziel. Dat is de menselijke situatie: de confrontatie met allerlei patronen, krachten, stemmen. Oriëntatie is dus dringend gewenst.

Te midden van al die krachten en stemmen manifesteert zich ook de God van Israël. Ook Hij zendt op enigerlei wijze signalen uit. En er zijn mensen die die signalen opvangen – of er op bijzondere wijze aandacht aan schenken.

We zijn er niet bij geweest. Was er ooit een Abraham, een Mozes, een Elia, een David die psalmen dichtte? Zijn al die verhalen pas bedacht tijdens de ballingschap? Er is veel te zeggen voor een ja op de eerste vragen en een nee op de laatste. Maar het resultaat is voor ons hetzelfde: de bijbelverhalen bieden een verslag van het op weg gaan met een god/stem/macht die niet manipulatief is. Die zichzelf – dat wordt geleidelijk duidelijk – niet manifesteert in kracht, donder en geweld, maar in het suizen van stilte. Hij is een God die er van begin af aan op uit is om met mensen in zekere zin op voet van gelijkheid te verkeren. Een God die zelfs met hen overlegt over wat te doen met bijvoorbeeld een stad vol vrouwenverkrachters. Een God ook, die het mensenoffer afwijst (en die pas dan door de verteller met een eigen naam wordt aangeduid: nu is het verschil met andere goden pas echt duidelijk). Een God die uit is op communicatie, op partnerschap, die een verbond met mensen aangaat. Natuurlijk, er zijn vele goden, maar Israël is zich er zeer wel van bewust dat hun God in dat geheel een Vreemde Vogel is.

In het verkeer met de God van Israël wordt ook duidelijk dat je de aarde kunt zien als een kunstwerk dat in alle stilte is uitgebroed en daarom ’goed’ is, of zelfs ’zeer goed’. Dat is verrassend.

Veel voor de hand liggender is het de wereld te beschouwen als een strijdtoneel, een arena vol struggle for life en survival of the fittest. Voor de hand liggender is het ook om je leven daarop af te stemmen en de mensen – à la Nietzsche, of à la de hedendaagse marktideologie – in te delen in winners en losers. En trachten zelf tot de winnaars te behoren.

Anderen menen juist dat deze wereld intrinsiek boos is, het product van een kwaadaardige genius. De gnostiek heeft deze opvatting gecultiveerd. Trek je terug uit de wereld. Zoek niet naar bronnen van dankbaarheid, maar maak je spiritueel uit de voeten.

In de omgang met de God van Israël licht een nieuwe mogelijkheid op: die van betrokkenheid bij de wereld, juist in het raadselachtige lijden. Die van een beaming van de wereld die verder reikt dan het kwaad.

Deze God toont zich een God die bevrijdt, onrecht bestrijdt, een richtingwijzer. Hij is een God die het manipulatieve koningschap afwijst (koningen in Israël zijn geen goden maar mensen), die mensen niet langer als collectief maar als enkeling ziet, die zich laat portretteren als de altijd op terugkeer hopende echtgenoot, die tegelijk weet dat hij bedrogen wordt waar hij bij staat (in de geschriften van Hosea en Deutero-Jesaja).

Als deze God koning gemaakt kon worden, dan zou de wereld er wellicht heel anders uitzien. Anders dan wanneer Moloch, Marduk, Mammon, Mars of Dionysus, Ratio, Markt, Staat of Zelfontplooiing de goden zijn.

Deze God schijnt dat ook wel te willen, maar hij wenst zich niet op te dringen. Hij kan niet anders dan spreken, want alleen het woord kan mogelijkerwijs het hart raken. En door de tijd heen ontspint zich een soort dialoog, in de kern een dialoog die doorgaat tot op vandaag, in onze eigen ziel. Inderdaad te vergelijken met de woorden van een man die probeert een vrouw voor zich te winnen.

In Israëls geschriften zijn we dus getuige van een echt gesprek. Niet met Iets maar met Iemand. En niet met iemand-als-overweldiger, maar met iemand-als-partner. Dat maakt het buitengewoon spannend en riskant: een Iets lijk je onder controle te hebben, een Iemand vraagt openheid en maakt je verantwoordelijk. Wie met deze Iemand op pad gaat, wordt kwetsbaar. Dat is bepaald niet gebruikelijk: veel religies staan immers in het teken van het verkrijgen van onkwetsbaarheid.

Het is dan ook geen wonder dat Joodse geleerden in Alexandrië, toen ze rond 200 voor Christus hun heilige boeken in het Grieks wilden vertalen, op zoek moesten naar een woord dat de unieke relatie tussen deze God en zijn volk, zijn wereld, moest uitdrukken. Ze kozen voor een werkwoord met een weinig specifieke betekenis: agapan. En voor een vrijwel nooit gebruikt zelfstandig naamwoord: agapè. Het was een empirisch noodzakelijke, en tegelijk heel creatieve vondst. Dit nog lege woord konden ze nu met betekenis vullen vanuit hun ervaringen met hun God.

Het geheel van Israëls boeken kun je zo het eerste ’agapeïsche drama’ noemen. Want het ’suizen van de zachte stilte’ wordt voortdurend overstemd. Agapè lijkt niet te landen in de geschiedenis, niet te landen in de ziel.

Maar ineens duikt het woord weer op. Zomaar, verstopt in een brief die iemand ooit stuurde aan een groepje onaanzienlijke mensen in de havenstad Korinthe.

„Al sprak ik als een engel en doorgrondde ik al ’s werelds geheimen, had ik geen agapè, ik zou niets zijn. Agapè is geduldig en vol goedheid. Agapè kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. Ze is niet grof en niet zelfzuchtig. Ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan. Ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze. Agapè zal nooit vergaan. Ons resten geloof, hoop en agapè, deze drie, maar de grootste daarvan is agapè.”

Uit de gehele oudheid is geen tekstfragment bekend dat deze lofzang op de liefde, op agapè evenaart. En dat zomaar, in een brief aan havenarbeiders. Hier spreekt iemand die gegrepen is door een nieuwe levensoriëntatie.

Hoe kon Paulus – hij is natuurlijk de auteur – tot deze ontdekking komen? Trouwens: het was niet alleen Paulus, ook in Johannes’ geschriften is agapè het kernwoord. Zozeer zelfs dat Johannes God eraan gelijk stelt.

De directe aanleiding tot dit radicale centraal stellen van agapè lag in de ervaring dat God recentelijk opnieuw had gesproken, het woord tot mensen had gericht. Concreet en tastbaar, in Jezus – een ultieme overredingspoging.

Ultiem, omdat Jezus niet alleen een weg wees en ging, maar ook de weg wás. ’Zo lief had God de kosmos, dat Hij zijn zoon gaf.’ Dat is het tweede agapeïsche drama.

De Franse filosoof Paul Ricoeur heeft erop gewezen dat agapè radicaal breekt met het schema van voor-wat-hoort-wat, van ’Ik geef opdat jij geeft’ (Do ut des). Bij agapé gaat het om: ’Ik geef omdat aan mij eerst gegeven is.’

God is de gever, wij mensen ontvangen. God is degene die zich eerst concreet heeft ingezet voor ons. Ontvankelijkheid en dankbaarheid zijn daarmee een belangrijk element.

Maar juist daardoor komen we onszelf tegen. In de dialoog met deze God ontdekken we dat er in ons ook ondankbaarheid en soms destructieve neigingen huizen, dat we keuzen maken die anderen niet tot bloei brengen, maar juist manipuleren, knechten. We ontdekken in ons de amor sui, de liefde voor onszelf die – in de woorden van Augustinus – anderen tot slaaf wil maken.

Bij die zelfontdekking valt zomaar een klassiek woord als zonde ons in, een wezenlijk bevrijdend begrip: de amor sui in mij hoeft niet het laatste woord te hebben. Zonde geeft mij het psychohygiënische ruimte om te erkennen dat ik fout zit. Dat maakt de weg vrij voor een nieuwe start. Ik kan uit mezelf getrokken worden. Ik kan altijd opnieuw beginnen.

En ook zelf ben je in staat om agapè gestalte te geven. Op duizend en één manieren kun je je concreet inzetten voor anderen binnen een gebroken wereld. Ik geef omdat mij gegeven is. Dat kan zeker maatschappelijke en politieke vormen krijgen. Niet als vlucht voor, maar als vrucht van de spiritualiteit.

Agapè wordt zo een radar. Je zoekt de wereld niet af met de vraag: ’Hoe kan ik gelukkig worden?’ Maar met de vraag: ’Wie kan ik gelukkig(er) maken?’ Deze gedachte was het begin van een lange traditie van sociale betrokkenheid, tot op de dag van vandaag zichtbaar in de grote presentie van kerkleden in allerlei vormen van vrijwilligerswerk.

De Franse filosoof Henri Bergson heeft precies om deze reden het christelijk geloof een ’voltooide’ of ’complete’ mystiek genoemd: er is niet alleen sprake van inkeer in het zelf, maar ook van terugkeer naar de wereld, een nieuwe beaming van het concrete leven.

Wie een dergelijk pad vindt, kan zomaar de loftrompet steken. Voor westers-burgerlijke christenen van middelbare leeftijd in een redelijk vreedzame samenleving, lijkt dit al snel wat overdreven.

Maar in Washington bezocht ik een tijd lang een zwarte kerk in een zeer gewelddadige wijk. Een 13-jarig jochie bad in de dienst dat hij niet door een mes of pistool bedreigd zou worden die week. Toen besefte ik dat kiezen voor de weg van Jezus, de weg van agapè, inderdaad heel radicaal kan zijn. En tegelijk een zaak van grote blijdschap: I found Jesus!

Maar heeft het christelijk geloof eigenlijk niet vooral rampen opgeleverd, zoals trouwens elke religie? Het rijtje is bekend: inquisitie, kruistochten, kerkscheuringen en godsdienstoorlogen.

Ik voel geen enkele behoefte om die zwarte zijden van het christendom te ontkennen. Wel is het legitiem om de vraag te stellen of het fair is die ondubbelzinnig aan het christelijk geloof toe te schrijven.

Immers, wie is christelijk? De gedoopte Engelse koning die zijn soldaten in Ierland laat moorden en verkrachten? Of St. Patrick die hiertegen een vlammende campagne begint? Een rijke, uitzuigende Italiaanse koopman? Of zijn zoon Franciscus, die in 1216 openlijk met hem breekt en zijn leven wijdt aan de armen?

Al sinds de vroege kerk zien we als gevolg van de ontdekking van agapè een binnen de Hellenistisch-Romeinse cultuur nieuw begrip ontstaan van wat een ’goed werk’ is: zorg voor armen, zieken, weduwen en wezen. Concreet krijgt dit gestalte in de xenodocheia, de opvanghuizenbeweging. De historicus Peter Brown spreekt in dit verband van niets minder dan een ’transformation of the social imagination’.

Deze transformatie krijgt op nog andere punten haar beslag: de idee van de gelijkwaardigheid van alle mensen, de afwijzing van de wijdverbreide praktijk van abortus en infanticide. Van later datum is de eerste pan-Europese vredesbeweging, begonnen vanuit de kloosterreformatie van Cluny – een poging om het epidemische geweld in het feodale wereld in te dammen. Door de hele Middeleeuwen heen wemelde het van clubjes, gemeenschappen en associaties die zich voor de losers inzetten. Ook was er veel nadruk op het doordenken van het geloofsgoed én van de wereld (die immers een uitbroedsel van God is). Dit leidde zelfs tot het instellen van een speciaal gilde voor de ontwikkeling van kennis. Een gilde heette een universitas. Dit kennisgilde is het enige gilde dat onder die naam is blijven bestaan: universiteit.

Natuurlijk, het instituut kerk is altijd een prooi geweest voor machthebbers – lokaal én internationaal. De strijd om het recht naar eigen keuze mensen te benoemen op kerkelijke posities bijvoorbeeld was maar gedeeltelijk succesvol. Religie, ook het christendom, is voor elke machthebber een zeer begerenswaardig kroonjuweel.

Even belangrijk is het om te beseffen dat het christelijk geloof altijd strijd heeft moeten leveren met geheel andere levensoriëntaties. Dat was hier ooit bijvoorbeeld de heroïsch-Germaanse. En nog steeds zijn waardenpatronen die uitgaan van het gevecht tussen zwakken en sterken wijdverbreid – zie het sociaal-darwinisme of het marktliberalisme.

Wij zijn in wezen nog steeds hinkende Germanen, wier rust verstoord is door de agapeïsche oriëntatie van de God van Israël. Of zoals Nietzsche het in zijn laatste levensfase formuleerde: „Dionysus versus de gekruisigde: dat is de tegenstelling.”

Maar is het niet allemaal fantasie? Berust het hele christelijke geloof niet puur op verbeelding? Die veronderstelling komt voort uit een rationalistische ideologie die stelt dat ons bestaan samenvalt met wat wij kunnen denken. Ik denk dus ik besta. Wie deze ideologie tot maat aller dingen neemt, komt in een rare spagaat terecht. Niet alleen God of goden verdwijnen, maar al snel ook liefde en verantwoordelijkheid.

Een ideologie is een verwrongen manier van omgaan met de wereld, heeft Václav Havel eens gezegd. Dat ons bewustzijn een volstrekt transparante, rationele en controleerbare aangelegenheid zou zijn, is zo’n nogal verwrongen gedachte.

Er is ook een andere opvatting van het menselijk bestaan mogelijk: wij zijn een soort sensor, waarin zich allerlei krachten manifesteren. Allerlei levenspatronen oefenen aantrekkingskracht uit. Een mens kiest niet wie hij zal zijn, maar wel wie of wat hij volgt. Er wordt aan mij getrokken, dus ik ben.

In het voetspoor van Descartes heeft de westerse cultuur rationele intelligentie ontwikkeld tot kern van het eigen zelfbeeld. De gedachte dat we alles rationeel onder controle kunnen houden is de moeder aller ideologieën.

In wezen is dit een wat kinderlijke neiging. Kinderen hebben vaak last van hyperrationalisme, waarin ze denken dat alles kloppend moet zijn. Zaken én mensen die niet in dat patroon passen, zijn ’stom’.

Het doet me denken aan een man die in zijn jeugd eveneens een kloppende wereld nastreefde. Een echte fundamentalist, die voor zijn overtuiging zelfs aanslagen pleegde, mensen vermoordde.

Toen ik een kind was, zei hij later, dacht ik als een kind. Maar nu ik volwassen ben, heb ik die fase afgelegd. Toen ik een kind was, dacht ik dat de wereld kloppend te maken zou zijn – en joeg daarvoor zelfs mensen over de kling. Toen ik een kind was, was ik rationalist. Maar nu ik volwassen ben, besef ik dat ik kijk als door een spiegel, in raadselen. Toen ik een kind was dacht ik in cirkels. Nu ik volwassen ben, heb ik het kruis leren zien.

Het kruis dat de armen wijd opent naar de wereld.

Dr. Govert J. Buijs doceert politieke en sociale filosofie aan de Vrije Universiteit en is coördinator masteropleiding Christian Studies of Science and Society. Dit is een bewerking van de Oecumenelezing die hij vorige week hield voor de Raad van Kerken. Zie www.raadvankerken.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden