Stond hier een harmonium?

Jeugdherinneringen worden gekleurd door het huis waar ze zich hebben afgespeeld. Trouw gaat mee naar het huis van de jeugd. Aflevering 4: de Limburgse muzikant en componist Gé Reinders (1953) keert terug naar Leeuwen bij Roermond.

De huizen uit midden jaren vijftig zijn bedoeld voor een bescheiden leven. Ook als ze vrijstaand zijn gebouwd met een garage, zoals de Daalakkerweg 25 in het kerkdorp Leeuwen bij Roermond. Gé Reinders was net op de kleuterschool toen hij in 1959 met zijn ouders, broer en zus in Leeuwen kwam wonen. Ze kwamen uit Helden, nauwelijks 20 kilometer noordelijker, maar wel met een andere tongval. „Ik vond het erg op school. In het begin verstond ik ze niet.”

De huidige bewoonster, Patty Lomans, laat de bijkeuken zien waar ze de was doet. In de tijd dat de Limburgse muzikant Reinders hier als jongetje woonde, was dit de garage. Veel te smal voor een auto, roept Patty. Gé: „Wij hadden een Daf 33.” Een maatje kleiner dan de gemiddelde auto nu.

Maar ook midden jaren zestig was dit vrijstaande huis met garage wat aan de krappe kant voor het gezin Reinders met drie kinderen. Op de garage lieten ze een kamer bouwen zodat broers en zus alle drie een eigen kamer hadden. De kamer boven de garage was de grootste en die was daarom voor de oudere broer van Gé. Prima, wat hem betreft. „Ik vond het een rotkamer. Altijd koud. Er stond een petroleumkachel, maar dat was niks.” Hij was er niet rouwig om dat hij het kleine kamertje kreeg, al ziet dat kamertje er nu nog kleiner uit dan hij zich herinnerde.

Het is nauwelijks voor te stellen dat er ook een harmonium in stond, behalve het bed, met twee muziekboxen tussen de muren geperst. Dat harmonium had hij van een meisje gekregen. Hij speelde er liedjes van Bob Dylan op, samen met een vriend die gitaar speelde. Ze maakten er opnames van met de bandrecorder.

Hij herinnert zich vooral hoe moeilijk het was om ’Sad eyed Lady of the Lowlands’ met harmonium en al goed op de band te krijgen. Zijn harmonium was niet het enige in het katholieke zuiden. „We oefenden met het kerkkoor in een ruimte waar ook een harmonium stond.” In dat kerkkoor zong Gé gregoriaans en hij vond het fantastisch. „Ik vind het nog steeds prachtig.” Soms, als hij met een blaasorkest werkt, hoort hij er iets in wat hem aan het gregoriaans doet denken.

Toen het huis na de dood van zijn ouders werd verkocht, heeft Gé binnen nog opnamen gemaakt om de geluiden van het huis te bewaren. „De lichtknoppen in de voorkamer bijvoorbeeld. Een ervan gebruikten we nooit, die klonk anders dan de andere. Die ene die we veel gebruikten zei ’dof’, en die andere heel hard ’plenk’. En het geluid van als je de trap op liep.”

In het huis is het vrij stil. Dat komt door de suskasten, legt Ge uit. Suskasten zitten aan de buitenkant tegen de gevel en zorgen voor ventilatie en isolatie. Bijna ieder huis in Leeuwen heeft zo’n suskast. Als we uit het raam kijken, zien we zo ook bij de achterburen zitten: kleine bruine kastjes, vlak onder het dak. Het is een vorm van isolatie, aangebracht om het geluid te dempen van de vliegtuigen van de Britse basis in de buurt. De woningen in Leeuwen hebben daarom ook extra dik glas. De suskasten hebben geen nut meer: de basis is gesloten.

Patty laat de andere kamer zien, de kamer waar de zus van Gé sliep. Hij loopt naar de ingebouwde kast en vertelt dat daar de jas hing die zijn moeder in Dachau en Ravensbrück had gedragen. „Een jas met een wit kruis erop. Wij deden die kast niet graag open.”

Gé was niet de enige in huis die aan muziek deed. Zijn broer speelde piano en zijn vader had een Ward-diploma, genoemd naar de Amerikaanse muziekpedagoge Justine Ward. Volgens Gé was die methode door de Nederlandse bisschoppen destijds naar Nederland gehaald om het gregoriaans goed te laten zingen. De piano stond niet in de kamer, maar in een van de bijgebouwen. Over die bijgebouwen kan Gé zich nog steeds opwinden. Hij heeft er maar een woord voor over: geklommel. Goed Limburgs voor gepruts. In de reusachtige tuin achter het huis wijst hij op de reeks schuurtjes die tot achterin is doorgebouwd. Die heeft de vader van Gé ooit neergezet. Schuurtjes met kleine ramen en werkbanken en duizend-en-een haken om touw op te hangen, gereedschap, fietsbanden.

In de tijd dat Gé hier woonde, stond de ene schuur vol met oude fietsen en de andere met radio’s, vertelt hij. „Wij barstten van de radio’s.” Die fietsen vond zijn vader op straat. „Dan nam hij ons mee en wees hij in welke steeg er nog een lag. Die moesten wij dan ophalen en mee naar huis nemen. Hij knapte ze op en gaf ze weg. Radio’s repareerde hij samen met een vriend. De prijs bepaalden ze door de emotionele waarde van het opknappen vast te stellen. Als ze veel lol hadden gehad, rekenden ze haast niets.”

In het schuurtje kijkt Gé hoofdschuddend naar de balken van het dak, waar hij maar net onder past. „Geklommel. Er was genoeg geld, maar ze konden het niet uitgeven.” Hij kan er nog steeds niet tegen als de dingen nonchalant zijn gedaan. Het moet goed zijn.

De huidige bewoners zijn acht jaar geleden in het huis getrokken. Ze hebben flink verbouwd en vooral uitgebouwd. Het huis uit 1955 is een stuk groter geworden. Hoeveel huizen in Nederland hebben nog een originele keuken of badkamer uit de jaren vijftig? Ook hier zijn keuken en badkamer vernieuwd.

We maken nog een kleine omweg in het dorp van duizend inwoners en fietsen langs de school. Een gebouw met zes klassen, een kleuterschooltje en een clubhuis ernaast. Daar was van alles te doen. Gé Reinders speelde er vooral toneel.

Hij wil ook nog wel even de kerk laten zien. Een kaal, bakstenen gebouw. Alleen de echt noodzakelijke ingrediënten zijn aangebracht en met de sobere vorm heeft deze Sint Josephkerk een protestantse uitstraling. De kerk staat hier, maar de Kerkstraat is ergens anders, wijst Gé. De Josephkerk is een noodkerk, gebouwd in 1948 en bedoeld om de echte kerk die in de oorlog verwoest was, te vervangen. En dat doet het gebouw al bijna zestig jaar.

Onderweg van Leeuwen naar Roermond wijst Gé Reinders de papierfabriek aan die dwars over een ooit doorgaande weg is gebouwd. Daarnaast de Euramax-fabriek die toen gebouwd werd. Nu zou dat nooit meer mogen, maar toen hij een jaar of vijftien was, werkte hij daar als nachtportier. Alle gelegenheid om muziek te maken. „We speelden het bloed op de gitaren.” Een vriendje dat trompet speelde, is nog een keer in een bak gevallen en per bromfiets afgevoerd naar het ziekenhuis.

Bijna zijn we Leeuwen uit, of hij herinnert zich nog de roep van de visboer op vrijdag. Hij doet het na: „Kabeljáauw.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden