Stofzuigen voor Ozzy

Ibrahim Selman snapt heus dat er behoefte is aan het levensverhaal van Gordon in boekvorm. Het doet hem denken aan het verschijnen van zijn eigen eerste boek, lang geleden, in Iraaks Koerdistan.

Van mijn moeder mocht ik niet in de keuken komen. „Dat is geen plek voor mannen.” Wel voor vrouwen, zij mochten daar koken. Ik ging ’s avonds laat met een paar borrels stiekem de keuken in, als ik trek had. Dan at ik uit de pannen en hield mijn hart vast dat moeder niet wakker werd. Ze mocht niet weten dat ik had gedronken en dat ik zomaar uit de pan at.

Of ik die cultuur waardeer is niet de vraag. Ik was zo opgevoed en wist niets anders.

Nu, na bijna dertig jaar in Europa, is de keuken mijn favoriete plaats geworden. ’s Ochtends bezoek ik eerst de keuken, haal brood uit de vriezer en leg het op tafel om te laten ontdooien. Voor het slapen bezoek ik de keuken, open de koelkast en kijk of er nog iets te eten in ligt. De weg naar buiten en naar binnen loopt via de keuken. Dat was in Bagdad anders. Er was wel een ingang via de keuken maar die gebruikte ik niet.

Ik kan nog steeds niet koken, mag het zelfs niet van mijn kinderen. Ik heb er geen talent voor, nooit gehad ook. Alleen wanneer mijn vrouw ziek was, dan moest ik wel. Ik kende slechts een recept: kip en rijst samen laten koken. Niet te eten. Ik maak wel de beste salade (beweren de kinderen en mijn vrouw), ook een omelet kan ik bakken, maar echt koken absoluut niet– ik bedoel Koerdische gerechten. Die maakt mijn vrouw, dan staat ze uren in de keuken -– die daardoor geurt naar het eten van mijn moeder dat ik nooit meer zal eten.

Opruimen en stofzuigen hoort bij mijn huishoudelijke werkzaamheden. Als ik een week niet schoonmaak stikken we in het stof. Ik stel regelmatig aan mijn vrouw voor om hulp in te schakelen. Maar dat weigert ze. „We moeten het zelf doen, we hebben de kracht nog.” Aanvankelijk dacht ik dat ze geen hulp wilde hebben omdat ze veel verhalen had gehoord over affaires die ontstaan tussen de werkster en de man des huizes.

De ware reden, vermoed ik, is ontstaan uit ervaring. We hebben ooit hulp gehad, een kwarteeuw geleden. Maar mijn vrouw en ik gingen alles opruimen voordat de poetsvrouw kwam. Niet dat de werkster erom vroeg, we deden het vanuit een oergastvrijheid die we beide bezitten. De werkster vond het natuurlijk leuk. Ze voelde zich gaandeweg meer gast dan werkster en ze ging zich daarnaar gedragen. Zelfs de sla waste ze niet goed meer, we aten salade met zand.

Nu stofzuig ik eens per week het hele huis, al probeer ik er wel eens met een smoes onderuit te komen. Halverwege de tweede week zie ik overal stof. Dat verwijder ik dan. Ik stofzuig alleen de plekken die opvallen. Zoals de keuken. Als ik het verzuim, maakt mijn vrouw er een opmerking over. Ze heeft gelijk.

Als we gasten krijgen moet ik natuurlijk het huis grondig stofzuigen. Vroeger waren dat gasten die later, na de laatste oorlog met Irak, belangrijke posities gingen bekleden en in Irak wonen.

Onlangs hadden we een heel speciale gast, Ozzy, voor wie het huis heel schoon moest zijn. Ozzy is een jonge prins van een zuiver ras: chihuahua. Het is net een klein kind met ADHD. Voor hem moest ik alle hoeken van de kamers én onder de banken stofzuigen, anders kreeg hij stof binnen. Bij zijn eerste bezoeken kreeg hij diarree, niet alleen door het stof maar ook door de overdaad aan lekkernijen die mijn vrouw hem toediende. Hij weegt nog geen twee kilo, maar hij kan meer dan zijn gewicht verorberen.

Terwijl ik aan het stofzuigen was, moest ik aan mijn moeder denken. Mijn moeder lachte veel te weinig. Ze was altijd bezorgd en erg serieus. Gevoel voor humor had ze nauwelijks en ze waardeerde de zwarte humor van mijn vader niet. Ze nam alles letterlijk en dat botste. De ruzies ontstonden door niets. Als ik ze observeerde en mijn emoties even kon uitschakelen, kon ik om die domme ruzies lachen. Maar vaak lukte me dat niet.

Mijn vader kon goed relativeren maar sinds ik in Nederland ben – hij sneuvelde zes jaar voor mijn komst naar dit land – heeft hij zijn gevoel voor humor verloren. Ik hoorde zijn stem door het lawaai van de stofzuiger heen: „Ben je nou naar Europa gevlucht om je huis voor een kleine hond te stofzuigen? Waar zijn je idealen? Ben je ons soms vergeten? En ons land? Onze normen en waarden? Wat doe je in Europa, kom terug!”

Ach, wat moest ik met zo’n opmerking? Al dertig jaar hoor ik ze. Mijn vrolijke stemming onder het stofzuigen werd niet bedorven. Het plezier dat ik met de chihuahuaprins zou gaan beleven liet geen ruimte voor melancholie en nostalgie.

Ik kon in discussie gaan met de geesten van mijn ouders, hun uitleggen dat ik in een andere tijd leef, met andere normen en waarden en dat ze me los moeten laten, mij een plezierige vriendschap gunnen. Ook als dat met een klein hondje is. Dat ze me niet constant met het verleden moeten confronteren. Vader was blijkbaar vergeten dat hij zelf een hond had, een grote hond die meer dan welk familielid of vriend ook trouw aan hem was. Maar misschien ben ik diegene die hen niet loslaat. Ze zijn gestorven en kunnen niets meer uitrichten.

Mijn ouders zijn voor mijn creatieve werk wat bekende Nederlanders zijn voor de mediawereld. Die wereld is grof en beperkt geworden.

Onlangs zag ik Gehaktdag, een tv-programma waarin de ene bekende Nederlander de andere met poep vergelijkt, en journalisten met de poepvliegen die op de poep afvliegen en eten. De straattaal begint te overheersen, het beschavingsniveau daalt.

Dat heeft voordelen. Of de kijker amuseert zich kostelijk en hoeft niet meer na te denken na een drukke en vermoeiende dag, of hij doet de tv uit en pakt een boek.

Bekende Nederlanders hebben niet alleen de tv en ’de bladen’ veroverd, ze worden ook schrijvers. Daar heb ik eerlijk gezegd bewondering voor. Eerst zag je hoe ze gingen dansen, op topniveau, hoe ze zongen op topniveau. Ze kunnen eigenlijk alles, op topniveau. En bij het schrijven zal het hen ook voor de wind gaan. Want ze weten hoe ze het moeten aanpakken. Denk maar aan zanger Gordon. Hij wist de media te vinden voordat zijn boek verscheen en verkocht zevenduizend exemplaren voor het boek officieel uitkwam. Er is namelijk behoefte aan zijn levensverhaal.

Misschien hebben de mensen, om welke reden dan ook, dat verhaal niet op de tv of de radio gehoord of in de bladen gelezen. Ze willen het in boekvorm lezen, uit de eerste hand van Gordon. Terecht.

Ik drukte op de stofzuigerknop. Stilte heerste en ik wilde even alles op een rij zetten. In gedachten ging ik terug naar de zomer van 1979. Toen debuteerde ik twee keer, met een toneelstuk en met een bundel korte verhalen.

Die bundel werd door de uitgever (de overheid) gedistribueerd en het toneelstuk dat ik in eigen beheer uitgaf, heb ik zelf in Koerdisch gebied (Koerdistan is groter dan Nederland en België) verspreid. Ik huurde een taxi van een Koerdische ’vriend’ en ging voor een week op reis. De taxi stond meer stil dan dat hij reed. Ik moest vaak duwen.

Uiteindelijk heb ik gigantische kosten gemaakt. Als ik alle duizend exemplaren had verkocht, had ik nog de taxikosten niet kunnen betalen. Maar ik deed het omdat ik in idealen geloofde – zeg maar dom was. Althans, ik had geen verstand van zaken. Nog steeds niet. Maar die reis heeft me de ogen geopend voor wat ik niet kon zien, zoals vriendschap in combinatie met geldzaken.

Het geld dat ik voor de bundel kreeg, besteedde ik aan het toneelstuk. Ik was me niet helemaal bewust (misschien wilde ik het niet weten) van de gevaren bij een mogelijke arrestatie; beide boeken waren – weliswaar in symbolische termen – gericht tegen de onderdrukking van Koerden.

Het toneelstuk wilde ik laten uitvoeren. Daarvoor nam ik een maand vrij en reisde naar een Koerdische stad. Er was gelukkig een Koerdische ambtenaar die, al werkte hij voor Saddam Hoessein, me wilde beschermen. Hij adviseerde me dringend mijn spullen te pakken en naar mijn gezin te gaan voor het te laat was. Die avond drong het gevaar tot me door. Ik dacht dat de regering van Saddam een ’bekende’ Iraakse Koerd die voor de staatsomroep werkte niet zomaar zou laten arresteren. Naïef was ik wel maar geen schlemiel. Ik krijg de rillingen als ik terugdenk aan wat ik toen deed.

Mijn gedachten werden gestoord door de deurbel en een aangenaam geblaf. Ozzy. Ik deed de deur open en hij stoof naar binnen. Samen renden we naar de keuken en weer naar de deur. We renden rond de tafel en ik ging liggen. Ozzy dacht groot, hij voelde zich een reus en sprong op me. Ik pakte hem met mijn linkerhand vast, met de rechterhand nam ik de stofzuiger en bracht hem naar de schuur.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden