Stoelen en guldens zijn favoriet

Het was geen eenvoudige vraag: wat is het mooiste ontwerp van Nederland? Er is ook zoveel om uit te kiezen. U bleef vaak dicht bij huis. Meubels werden veel genoemd, vooral stoelen. Rietveld mag dan gezegd hebben dat zitten een werkwoord is, u kunt lyrisch worden van het zitcomfort van uw favoriete stoel.

Ook de oude gulden is opvallend populair – wie weet heeft het met de onzekere economische situatie te maken.

Hoe persoonlijk een relatie met design kan zijn, werd prachtig verwoord door Saskia Kuntze uit Amsterdam. Ze somde zomaar vier genomineerden op:

„Ik woon in de Amsterdamse School, Gildeglazen staan in de kast, de Lapin ketel op het fornuis, bij moeder staat de eerste Martin Visser bank nog en vader zat in een Paulin, dus...mijn ogen zijn verwend en het is erg moeilijk. Toch mis ik nog steeds het prachtige geld, de snip, zonnebloem en de vuurtoren.”

Meubelontwerper Gerard van den Berg (1947) kan zich nog precies herinneren hoe hij begin jaren tachtig het allereerste idee kreeg voor de fauteuil Charly. Dat was op een verjaardagsfeest met zoveel gasten dat er niet genoeg stoelen waren om iedereen te laten zitten. Eén van de mensen haalde daarom een campingstoeltje uit de schuur, zo’n dun metalen frame waar twee matjes tussen hangen. Hij drapeerde er een slaapzak overheen en toen was het ineens een ’lekker zitje’ geworden. Van den Berg: „Ik ben dat meteen gaan uitproberen op een groter frame, waar ik een dikke gewatteerde slaapzak tussen hing met van die stevige ritssluitingen. Daar ga je dan wat aan trekken en duwen en dan staat er op een gegeven moment een vrij massieve stoel op een paar dunne metalen pootjes, die er vergeleken bij het bovenstuk een beetje breekbaar uitzien. Maar wel een actieve stoel waarin je hoog zit en tamelijk rechtop, zodat je er goed in kunt praten.”

De fauteuil Charly, ontworpen voor het meubelbedrijf Montis dat Van den Berg in 1974 samen met zijn broer Paul had opgericht, was meteen een succes. Wel vonden veel mensen hem te pompeus en daarom kwam er een kleiner ’broertje’ bij, de Chaplin, die je gemakkelijker aan een eet- of vergadertafel kon schuiven.

Hoeveel exemplaren van de Charly inmiddels zijn verkocht, weet de ontwerper niet. „Van mijn broer Paul hoor ik wel dat het nog steeds het best lopende model van Montis is.” Van den Berg stapte in 1990 uit Montis om een jaar later zijn eigen zitmeubelbedrijf Label Produkties op te richten. Hij is ’apetrots’ dat de Charly een echte klassieker is geworden. „Je komt hem overal tegen. Ook premier Balkenende zie ik er regelmatig in zitten.”

Van den Berg ontwikkelde meer spraakmakende modellen, zoals de Loge en Tiba, die gemeen hebben dat ze lichtvoetigheid combineren met een wat vollere, organische vorm daarboven. De kunst van ontwerpen is volgens hem om altijd heel zuiver te blijven denken. „Altijd focussen op een basisidee en nooit toegeven aan de neiging om dat te gaan versieren en compliceren.”

De Daf 600 is een icoon geworden, de auto waarmee Nederland massaal de weg op ging. Het ontwerp werd vaak bespot (’de truttenklutser met jarretel-aandrijving’) maar roept bij velen blijkbaar ook grote sympathie op. Het is het enige voertuig dat meermalen werd genoemd in deze verkiezing.

Vreemd genoeg is de ontwerper nauwelijks bekend. Dat komt deels omdat de techniek die in de auto werd gebruikt – de zogeheten variomatic: een automatische versnellingsbak met rubberen aandrijfbanden – vernieuwender was dan de carrosserie. Toch verdient Willem van den Brink wel meer aandacht, vindt O. Wibaut, voormalig perschef van Daf.

Van den Brink was vanaf 1950 vormgever bij Daf, waar toen nog alleen vrachtwagens gemaakt werden. In 1954 vatte directeur Hub van Doorne het plan op ook een personenauto te maken. Van den Brink moest de variomatic – een omvangrijk apparaat, beter bekend als het ’pientere pookje’ – in een kleine auto voor vier personen zien te plaatsen.

Wibaut: „Hij had aanvankelijk een veel vlotter ontwerp, maar dat werd afgekeurd onder invloed van de zusters van mevrouw Van Doorne. Die hadden nogal wat invloed. Toen kwam hij met het veel burgerlijker ontwerp dat we kennen. Als van Doorne zei: ’Zo mot het’, dan ging het zo.”

Dat de ontwerper geen last had van een groot ego bleek ook toen de beroemde Italiaan Giovanni Michelotti in 1965 het bedrijf werd binnengehaald om de Dafjes wat glamour mee te geven. Van den Brink had toen al een hele serie Dafjes op zijn naam staan, waaronder de luxere Daffodil uit 1961. „Maar hij had er geen moeite mee dat Michelotti kwam. De twee werkten in pais en vree samen.”

De introductie van de Daf 600 in 1958 op de Autorai staat Wibaut nog goed voor de geest. „We werden onder de voet gelopen. De mensen waren compleet gek. Bij warenhuis de Bijenkorf werd zelfs een ’biefstuk variomatic’ verkocht.”

Voor ’t Spectrum in Waalwijk is de slaapbank van Martin Visser (1922) nog altijd het paradepaardje. En onder de deelnemers aan deze verkiezing wordt de bank opvallend vaak genoemd. ’Oerhollands’ wordt hij genoemd vanwege zijn eenvoud en degelijkheid. Sommige mensen zitten er al vijftig jaar op.

Visser werd in 1955 aangesteld bij de idealistische ’maatschappij voor kunstnijverheid’ in Bergeijk. Hij had furore gemaakt als chef inkoop van warenhuis de Bijenkorf, waar hij exposities had georganiseerd met werk van Rietveld, Premsela en Cobrakustenaars.

De meubelen van Visser ogen industrieel, maar de ontwerper had juist een grote voorkeur voor ambachtelijk werk. Hij was een groot bewonderaar van architect Berlage en het vooroorlogs functionalisme, waarbij niet schoonheid maar de functie het ontwerp bepaalt.

In Vissers vroege ontwerpen is het materiaalgebruik eerlijk en spaarzaam, de constructie helder en niet gedecoreerd. Dat betekende niet dat ze altijd eenvoudig in elkaar zaten: in plaats van buizen te buigen maakte hij scherpe, gelaste hoeken.

De genomineerde slaapbank is een uitstekend voorbeeld van de visie van Visser. Een functioneel en praktisch meubel – met een simpele handeling maak je van de bank een comfortabel bed. Ideaal voor de kleine, naoorlogse woningen. De strakke, eenvoudige lijnen doen denken aan een polderlandschap. De losse armleuning werd pas in 1988 toegevoegd.

De populariteit van Vissers meubels kon niet voorkomen dat ’t Spectrum in 1974 failliet dreigde te gaan. Onder de naam Arspect maakten werknemers een doorstart. Visser werd in 1978 hoofdconservator moderne kunst in Museum Boymans in Rotterdam. Later ging hij ook weer ontwerpen.

De nieuwere werken van Visser zijn veel barokker dan de strenge ontwerpen waarmee hij naam maakte. Zijn echtgenote, ontwerpster Joke van der Heijden, beïnvloedde hem daarin. Zij zorgde voor kleur en decoratieve elementen, die vorm en constructie accentueren.

Na opnieuw een dreigend faillissement kreeg ’t Spectrum zijn oude naam weer terug. Behalve de slaapbank maakt ook een tiental tafels en stoelen van Visser nog deel uit van de vaste collectie.

„Eindelijk scheen de zon in het slijk der aarde.” Zo bejubelde de vorig jaar overleden schrijver Jan Wolkers ooit in NRC Handelsblad het Nederlandse bankbiljet van 50 gulden met de afbeelding van een zonnebloem. Heel veel mensen vinden dat Nederland voor de komst van de euro het mooiste geld van Europa had. En dat hebben we vooral te danken aan grafisch ontwerper Robert Deodaat Emile (Ootje) Oxenaar (1929), die van 1966 tot 1985 voor de Nederlandsche Bank werkte. Oxenaar woont en werkt sinds negen jaar in Amerika, waar hij doceert aan de Rhode Island School of Design in Providence (tussen Boston en New York). Zijn echtgenote is er decaan.

Oxenaar kan zich voorstellen, zegt hij door de telefoon, dat veel Nederlanders heimwee hebben naar het oude papiergeld. „Ik kom nog regelmatig in Nederland en elke keer erger ik me aan die vreselijke eurobiljetten. Het is een schande. Er zijn zoveel voortreffelijke designers die dat beter hadden gekund.” Zelf heeft hij ook een serie ontworpen voor de euro. Maar het stond al bij voorbaat vast dat zijn ontwerp niet gekozen zou worden, omdat Nederland met wijlen Wim Duisenberg al de eerste president mocht leveren voor de Europese Centrale Bank. Dat gold ook voor de inzendingen van Frankrijk en Duitsland, omdat die te machtig waren. „Een totaal onbeduidende ontwerper uit Oostenrijk hebben ze gekozen.”

Aan het ontwerpen voor De Nederlandsche Bank heeft hij veel plezier beleefd, vooral in de periode dat Duisenberg er president was. Die gaf hem volledig de vrije hand. Diens voorganger Jelle Zijlstra had zich nog wel bemoeid met de erflatersserie met belangrijke figuren uit de vaderlandse geschiedenis als Vondel (5 gulden) en Michiel de Ruyter (100 gulden). „Dat was een vrij conventionele serie. Van Duisenberg mocht ik zelf de afbeeldingen kiezen. Ik wilde iets typisch Nederlands en iets met dieren en bloemen, maar geen molens, klompen, koeien en tulpen. Zo ben ik op de zonnebloem en de met uitsterven bedreigde snip gekomen. En de vuurtoren vond ik wel toepasselijk vanwege onze lange kust en het belang van de scheepvaart.”

Oxenaar had er een handje van om persoonlijke grapjes in zijn ontwerpen te verwerken. In de vuurtoren verstopte hij stiekem de namen van twee vriendinnen, Eugenie en Ria, en van kleindochter Hanna. Het watermerk was het konijntje van zijn vriendin. Achteraf kreeg hij daar een boze brief over van De Nederlandsche Bank. „Ik heb toen uitgelegd dat ik met die namen ook een extra beveiliging had ingebouwd. Dat maakte natuurlijk alles goed.”

Heeft de hebzucht de populariteit van de Orange Slice aangewakkerd? U kunt de stoel immers winnen. Toch werden ook veel andere modellen van de firma Artifort genoemd. Inzenders waren vooral enthousiast over de futuristische vormgeving.

De Orange Slice is in deze verkiezing een vreemde eend in de bijt, want de stoel werd niet ontworpen door een Nederlander, maar door de Fransman Pierre Paulin. Het illustreert wel mooi hoe de vaderlandse meubelindustrie in de jaren zestig heel voorzichtig over de landsgrenzen heen ging kijken.

Het Limburgse Artifort wilde eind jaren vijftig moderniseren. Het bedrijf kreeg het namelijk maar niet voor elkaar het keurmerk ’Goed Wonen’ binnen te halen. Om de collectie te verjongen werd de Nederlandse ontwerper Kho Liang Ie aangesteld. Hij ontwierp zelf meubels, maar haalde ook grote buitenlandse designers binnen. Pierre Paulin (1927) is verantwoordelijk voor een hele serie Artifort-klassiekers: Ribbon, Tongue, Butterfly en Mushroom. De Orange Slice stamt uit 1960. De stoel bestaat uit twee identieke schelpen. Je kan er heel comfortabel in gaan hangen. Paulin vindt dat een fauteuil ’de zitter moet beschermen’.

Ook in Frankrijk is Paulin bekend, niet alleen als meubelontwerper, maar ook als architect en beeldhouwer. Hij tekende bijvoorbeeld voor het Franse paviljoen op de wereldtentoonstelling in Tokio, in 1970. Ook presidenten wisten hem te vinden: hij ontwierp het privé appartement van Georges Pompidou in het Elysée Paleis. Het hoofdkantoor van François Mitterrand werd door hem volledig verbouwd. Ook in het stadhuis van Parijs richtte hij ruimtes in en hij ontwierp voor Air France.

De opzet van Artifort om het bedrijf een moderne, internationale uitstraling te geven, mag je gerust geslaagd noemen. Toch zakte het bedrijf in de jaren zeventig weer wat terug, maar een nieuwe generatie ontwerpers wist het tij te keren.

De ontwerpen van Paulin bleken in de jaren negentig weer enorm populair te worden. En nu, bijna vijftig jaar na dato, zijn de stoelen nog steeds gewild. Ze roepen herinneringen op aan de jaren zestig, maar zijn toch niet gedateerd.

De stoelen van Willem Gispen mogen gerust tijdloos worden genoemd. Ze zijn vandaag de dag wellicht nog geliefder dan in de jaren dertig. Het helpt natuurlijk dat ze ruim verkrijgbaar zijn, in kwalitatief goede remakes die het bedrijf Dutch originals sinds 1992 op de markt brengt. Vooral nummer 412 uit 1934, hier afgebeeld, wordt vaak genoemd door deelnemers.

Gispen (1890 - 1981) begon als siersmid. Aanvankelijk werkte hij in de weelderige stijl van de Amsterdamse school, maar al snel werd hij gegrepen door de sobere ontwerpen van het nieuwe bouwen en de buisframe meubelen van tijdgenoten Mart Stam en Marcel Breuer. In 1926 bracht hij een serie lampen uit van glas en metaal onder de naam Giso, zijn eerste stoel volgde in 1930.

Het gebruik van metalen buizen en het ontbreken van achterpoten – Gispen kwam nergens als eerste mee. Maar zijn stoelen blonken wel uit qua comfort. Ze waren ergonomisch goed doordacht, hadden goede vering en de beroemde bakelieten armleggers zorgden ervoor dat de huid niet in contact kwam met het kille staal. Ook de afwerking was van hoog niveau, de kwaliteit van het chroom wordt geroemd.

Gispen kreeg destijds grote orders van bedrijven en van de overheid. De gemiddelde Nederlander was nog niet toe aan zo’n metalen meubel in huis, maar de wat avontuurlijker ingestelde elite was er dol op. Van Nelle directeur J. Sonneveld liet zijn nieuwe villa in Rotterdam ermee inrichten. Zijn houten meubilair bleef achter in de oude woning. De villa is nu onderdeel van het Nederlands Architectuurinstituut.

Gispens hart lag bij het ontwerpen van meubels voor particulieren. Dat leidde er toe dat hij 1949 het bedrijf verliet. Voor de oorlog werd in de snel groeiende firma naast Gispen ook een financieel directeur aangesteld, die steeds meer nadruk legde op de zakelijke markt van kantoormeubels. De bezetting bracht andere problemen met zich mee: Gispen zat korte tijd gevangen. Toen na de oorlog de productie weer op gang kwam, voelde hij zich niet meer thuis in zijn bedrijf. De firma in Culemborg draagt nog steeds zijn naam én legt zich nog altijd toe op kantoorinrichting. Gispen zelf ging weer meubels voor de woonkamer ontwerpen, bij het mede door hem opgezette Kembo.

Piet Hein Eek (1967) is een eigenzinnige ontwerper. Hij maakt zijn meubels in een kleinschalige werkplaats in Geldrop en geniet toch een bekendheid die vergelijkbaar is met Marcel Wanders en Hella Jongerius, die hun meubels op grote schaal bij bekende bedrijven laten maken. In 1992 brak hij door met zijn sloophouten kast. Het was een statement tegen de gladde massaproducten van andere designers. Ruim twee jaar later stonden zijn stoelen al in het café van het Museum of modern art in New York.

Eek vindt zijn nominatie ’eervol’, maar hij heeft niet heel veel op met verkiezingen. „Het is wel leuker om door een grote groep ’gewone’ mensen gekozen te worden dan door een paar deskundigen.” Het verbaast hem overigens niet dat hij goed valt bij lezers van Trouw. Zijn ontwerpen zijn duurzaam, iets wat door menig deelnemer aan de verkiezing van ’het mooiste ontwerp van Nederland’ belangrijk wordt gevonden. „Het gaat me niet per se om recyclen, maar meer om de lange termijngedachte. Als een kast tachtig jaar meegaat is het een zinvol product geweest, dan maakt het niet uit als er een mooie boom voor is gekapt. Het gebruik van sloophout kan er voor zorgen dat een meubel lang meegaat. Als er een kras op komt, geeft dat niets.”

Een statement tegen de wegwerpmaatschappij dus. „Jazeker. Ik denk dat de huidige crisis een gevolg is van onbedachtzaam consumeren. Niet voor niets is die begonnen op de plek waar dit het ergst is.”

Sommige stukken van Eek zijn uniek – in een serie kasten gemaakt van tweedehands deuren was er bijvoorbeeld niet één paneel gelijk aan de ander. Maar hij heeft zijn collectie ook uitgebreid met producten van aluminium en staal en heel eenvoudige meubelplaat. Daarbij is serieproductie mogelijk. Toch besteedt Piet Hein Eek niets uit. „Ik wil meubels bedenken, maken en verkopen. Het beeld wordt bepaald door het materiaal, wíe het maakt, hóe het wordt gemaakt, wáár het wordt gemaakt en hoe het wordt getransporteerd.”

Een paar weken geleden stonden de kopers er voor in in de rij, toen de Bijenkorf de Lotek lamp van Benno Premsela tijdens het koopjesfestival Dwaze Dagen in de aanbieding deed. Deze strakke, sobere en elegante lamp is al jaren een populaire klassieker. Toen Premsela hem in 1982 ontwierp, wilde hij een groot volume paren aan een geringe massa. De kubus meet 30 bij 30 centimeter en kan met de bijgeleverde staafjes ijzer van verschillende lengte in drie hoogtematen worden opgebouwd. Dat maakt deze lamp geschikt voor vrijwel elk interieur. Maar er valt meer te vertellen over de Lotek. Hij verwijst ook naar de schoonheid van Japan, die voor Benno Premsela (1920-1997) een belangrijke inspiratiebron vormde. Bij het ontwerpen van deze lamp wilde Premsela eigenlijk het lichtdoorlatende rijstpapier gebruiken dat van oudsher in Japanse schuifdeuren wordt gebruikt. Premsela zag papier als het ideale materiaal voor het filteren van licht, of dat nu dag- of kunstlicht was. Voor de Lotek koos hij vlieseline, omdat dat materiaal goedkoop is en bovendien vlamvertragend werkt. Voor de pootjes van de lamp greep hij terug op voorbeelden van de Japans-Amerikaanse beeldhouwer Noguchi, die in de jaren vijftig lampen van ijzerdraad en papier op de markt had gebracht. De kubus van 30 bij 30 is een verwijzing naar de traditionele Japanse tatami-matten, die met hun vaste verhoudingen de afmetingen van een ruimte bepalen.

Wat minder bekend is dat Premsela met deze lamp ook een beetje de draak wilde steken met de hightech rage in de jaren zeventig en tachtig. Hightech versus Lo-tek.

Premsela is net als zijn Lotek lamp een icoon, maar niet alleen op het gebied van vormgeving. Ook op andere terreinen speelde hij een prominente rol: als kunstpaus, als voorvechter van de homoseksuele beweging en als kunstverzamelaar. In de jaren zestig en zeventig maakte hij spectaculaire etalages voor de Bijenkorf in Amsterdam. Net als nu voor zijn lamp stonden toen de mensen in de rij als op vrijdagavond zijn nieuwe etalages werden geopend.

Een paar weken geleden stonden de kopers er voor in in de rij, toen de Bijenkorf de Lotek lamp van Benno Premsela tijdens het koopjesfestival Dwaze Dagen in de aanbieding deed. Deze strakke, sobere en elegante lamp is al jaren een populaire klassieker. Toen Premsela hem in 1982 ontwierp, wilde hij een groot volume paren aan een geringe massa. De kubus meet 30 bij 30 centimeter en kan met de bijgeleverde staafjes ijzer van verschillende lengte in drie hoogtematen worden opgebouwd. Dat maakt deze lamp geschikt voor vrijwel elk interieur. Maar er valt meer te vertellen over de Lotek. Hij verwijst ook naar de schoonheid van Japan, die voor Benno Premsela (1920-1997) een belangrijke inspiratiebron vormde. Bij het ontwerpen van deze lamp wilde Premsela eigenlijk het lichtdoorlatende rijstpapier gebruiken dat van oudsher in Japanse schuifdeuren wordt gebruikt. Premsela zag papier als het ideale materiaal voor het filteren van licht, of dat nu dag- of kunstlicht was. Voor de Lotek koos hij vlieseline, omdat dat materiaal goedkoop is en bovendien vlamvertragend werkt. Voor de pootjes van de lamp greep hij terug op voorbeelden van de Japans-Amerikaanse beeldhouwer Noguchi, die in de jaren vijftig lampen van ijzerdraad en papier op de markt had gebracht. De kubus van 30 bij 30 is een verwijzing naar de traditionele Japanse tatami-matten, die met hun vaste verhoudingen de afmetingen van een ruimte bepalen.

Wat minder bekend is dat Premsela met deze lamp ook een beetje de draak wilde steken met de hightech rage in de jaren zeventig en tachtig. Hightech versus Lo-tek.

Premsela is net als zijn Lotek lamp een icoon, maar niet alleen op het gebied van vormgeving. Ook op andere terreinen speelde hij een prominente rol: als kunstpaus, als voorvechter van de homoseksuele beweging en als kunstverzamelaar. In de jaren zestig en zeventig maakte hij spectaculaire etalages voor de Bijenkorf in Amsterdam. Net als nu voor zijn lamp stonden toen de mensen in de rij als op vrijdagavond zijn nieuwe etalages werden geopend.

Opmerkelijk genoeg staat níet de wereldberoemde roodblauwe stoel van Rietveld in de toptien. Dat architect en meubelontwerper Gerrit Rietveld (1888-1964) niet zou (mogen) ontbreken, lag voor de hand. Maar Nederlands beroemdste ontwerper van de twintigste eeuw is genomineerd met een bij het grote publiek tamelijk onbekende stoel, waarvan maar een paar exemplaren bestaan. Het gaat om de met ronde gaten geperforeerde aluminium armstoel die hij in 1942 maakte en die is geïnspireerd op een eerdere serie ’vouwmeubelen’. De stoel is uit één aluminium plaat geklopt en prachtig in zijn eenvoud, maar waarschijnlijk vinden veel mensen hem ook zo bijzonder, omdat hij in de oorlogsjaren is gemaakt. Bij gebrek aan materialen als fiberplaat zou Rietveld de aluminium huid van de vleugel van een neergestort Engels vliegtuig hebben gebruikt. Dat aspect geeft deze stoel ook iets heroïsch. Maar volgens Jaap Oosterhoff, beheerder van het Rietveld-Schröderarchief in Utrecht, is nooit onomstotelijk vast komen te staan dat Rietveld de wrakstukken van een vliegtuig heeft gebruikt.

Gerrit Rietveld maakte in 1942 twee prototypen op ware grootte van deze armstoel. Eén werd door zijn timmerman Gerard van de Groenekan vervaardigd en ook Rietvelds zoon Wim maakte er één. In de collectie van het Stedelijk Museum in Amsterdam bevindt zich een stoel. Een tweede exemplaar maakt deel uit van de stoelenverzameling van de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft. Waar de andere twee zijn gebleven, is niet bekend. Kunsthandelaar Frans Leidelmeijer had er ooit één, onthulde hij onlangs in Trouw, maar hij was zo dom om hem in de etalage te zetten. Binnen een dag was hij verkocht en daar heeft hij nu nog spijt van. Het was de bedoeling om deze armstoel na de Tweede Wereldoorlog in serie te produceren. Rietveld schijnt bezeten te zijn geweest van de noodzaak in zeer korte tijd veel meubelen te maken, omdat een groot aantal Nederlanders van alles was beroofd. Vandaar dat hij een stoel bedacht die uit één plaat gestansd kon worden.

Het Gildeglas van glasfabriek Leerdam is al zeventig jaar in productie. Het werd ontworpen door Andries Copier (1901 - 1991), die zijn hele werkzame leven aan de fabriek verbonden was. Dat begon al op zijn 13de, toen hij als glasetser in de fabriek aan het werk ging. Zijn tekentalent viel op en de directeur, P.M. Cochius, stuurde hem naar de kunstacademie in Rotterdam.

Cochius had grote aspiraties met zijn glasfabriek. Op zijn initiatief maakten bekende kunstenaars en architecten als Berlage, Chris Lanooy en De Bazel ontwerpen voor glasserviezen. Geen decoratief glas, zoals in het begin van de vorige eeuw gebruikelijk was, maar gebruiksserviezen die óók nog eens betaalbaar moesten zijn.

Toen Copier klaar was met zijn opleiding kon hij, twintig jaar oud, aan het werk als ontwerper. Hij experimenteerde met allerlei technieken en liet zich inspireren door de natuur, zoals blijkt uit de serviesontwerpen ’Smeerwortel’ en ’Peer’. In 1927 bezocht hij de Weissenhofsiedlung in Stuttgart, een tentoonstelling over vernieuwende sociale woningbouw van onder anderen J.J.P. Oud en Le Corbusier. Hij werd sterk beïnvloed door deze functionalistische ontwerpen en het idee dat ook de gewone man recht had op mooie, deugdelijke producten. Copier maakte een serie vazen en serviezen, waaronder in 1930 het Gildeglas. Het werd ontwikkeld in samenwerking met de Vereeniging van Nederlandsche Wijnhandelaars – het gilde.

Copier was in die tijd hoofdontwerper. Tijdens de oorlogsjaren gaf hij leiding aan de Glasschool van Leerdam. Eén van zijn studenten, Floris Meydam, volgde hem in 1949 op. Copier ging verder met de technische en artistieke vorming van jonge ontwerpers. Zijn eigen werk werd minder strak van vorm, maar het Gildeglas uit 1930 bleek volkomen tijdloos: in 1958, bijna dertig jaar na de introductie, liep de productie een miljoen stuks achter op de vraag.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden