Sterrenvriendschap

'Ik heb een man ontmoet die als geen ander het beeld voor mij belichaamt van wat Schopenhauer het genie noemt. Dit is geen ander dan Richard Wagner. Bij hem heb ik altijd het gevoel dat ik oog in oog sta met een uitverkorene der eeuwen.'

Dit schrijft de 25-jarige Friedrich Nietzsche (1844-1900). Een aantal maanden daarvoor heeft hij Wagner (1813-1883) voor het eerst ontmoet en is hij meteen in de ban van diens overweldigende persoonlijkheid. Hij voelt zich vereerd met een zo beroemd man gesproken te hebben. Bovendien is hij blij verrast dat hij en de maestro iets gemeenschappelijks hebben: bewondering voor Schopenhauer. Als hij in 1869 benoemd wordt tot hoogleraar in de klassieke filologie te Basel, dient hij zich aan bij huize Wagner te Tribschen bij Luzern. Hij wordt hartelijk door Richard en Cosima ontvangen en een veelbesproken, roemruchte vriendschap bloeit op. Nietzsche is de eerste drie jaar wel 23 keer, soms langere tijd, te gast in Tribschen. Hij geniet van alle aandacht en geborgenheid die het illustere echtpaar hem schenkt en hij vindt het een grote eer zich tot de intimi van de totaalkunstenaar te mogen rekenen. Ook is hij niet ongevoelig voor de charmes van Cosima Wagner: hij aanbidt haar op het idolate af. Jaren later, als de vriendschap in vijandschap is omgeslagen, zal Nietzsche met weemoed terugdenken aan Tribschen als de plaats waar hij de gelukkigste momenten van zijn leven heeft beleefd.

Wat Nietzsche bij Wagner zocht en vond moge duidelijk zijn, maar wat zag Wagner in de volstrekt onbekende, maar veelbelovende hoogleraar uit het provinciale Basel? Beschouwde hij hem als de vurig gewenste zoon (pas in 1869 schonk Cosima hem zijn eerste en enige zoon Siegfried)? Mogelijk, maar Wagner was te berekenend, te zeer op eigen roem ingesteld, om niet een of andere bijgedachte bij welke relatie dan ook te hebben. Hij beschouwde Nietzsche ongetwijfeld als degene die de blijde boodschap van het wagnerisme binnen de universitaire wereld, waar men Wagner niet serieus nam, kon uitdragen. En Nietzsche nam die rol van apostel graag op zich, voorlopig althans.

Het hoogtepunt van de vriendschap, en tevens het beginpunt van de verwijdering, ligt in 1872, het jaar waarin Nietzsche zijn eersteling 'De geboorte van de tragedie' publiceert. De maestro is verrukt: ,,Nog nooit heb ik een mooier boek gelezen dan het uwe. Ik zei tegen Cosima dat u meteen na haar komt, en dan heel lang niemand.'' Wie het boek leest zal algauw ontdekken waarom de uiterst ijdele Wagner zo verguld was: het is één grote lofzang op hem.

Maar 1872 is ook het jaar waarin de Wagners verhuizen naar Bayreuth, waar ze hun imperium stichten. Nu hij vaste voet heeft gekregen in het culturele leven van Duitsland heeft Wagner Nietzsche niet meer zo nodig. Van de andere kant gaat Nietzsche de onvoorwaardelijke dienstbaarheid aan de wagneriaanse zaak steeds meer als een loden last ervaren: hij moet zich losmaken van zijn vroegere idool om zichzelf te kunnen ontwikkelen. De 'zoon' wordt volwassen en de 'vader' heeft het druk met zichzelf.

Nietzsche zegt het in een aforisme 'Sterrenvriendschap' zo mooi: ,,Wij waren vrienden en zijn elkaar vreemd geworden. Maar het is goed zo, we willen het voor onszelf niet verbergen en verduisteren, alsof we er ons voor zouden moeten schamen. Wij zijn twee schepen, waarvan elk zijn eigen bestemming en zijn eigen koers heeft; we kunnen elkaar wel kruisen en een feest met elkaar vieren, zoals we ook gedaan hebben, - daarna lagen die brave schepen zo rustig in één haven en in één zon, dat het leek of ze hun bestemming reeds bereikt hadden, een bestemming die ze deelden. Maar toen dreef de almachtige stuwkracht van onze opdracht ons weer uiteen, naar verschillende zeeën en zonnestreken, en misschien zien wij elkaar nooit weer, - misschien ook wel, maar herkennen elkaar niet meer: de zeeën en zonnen hebben ons veranderd!''

Daarbij had het kunnen blijven. Maar in de filosofie is er voor weemoed geen plaats. Hier roept idolatrie onvermijdelijk haar tegendeel op: verkettering. De filosoof Nietzsche heeft een vijand nodig om zich tegen af te zetten. Wagner wordt voor hem die vijand, de grootste die hij ooit heeft gehad. De afrekening met deze vijand wordt zijn grootste uitdaging en zijn hoogste levenstaak: alles wat hij de rest van zijn leven nog zal schrijven, is in feite één langgerekte polemiek tegen zijn vroegere idool, want alleen door strijd te leveren met Wagner kan Nietzsche zichzelf hervinden. Wagner is de steen waaraan Nietzsche zijn filosofische messen wet.

De grootheid van een denker kan men vaak afleiden uit het kaliber van zijn vijanden. Als vijand van Nietzsche verdient Wagner daarom een blijvende plaats in de eregalerij van de filosofie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden