Sterrenhemel, vuurtje, rust - lekker wildkamperen

Koos Dijksterhuis pakt zijn tent in en zet hem het liefst zomaar ergens op. Ook in Nederland. Maar niet in het weekend.

Zon, warmte en lange lichte dagen - laat mij in de vakantie maar dag en nacht buiten zijn. In het bos, bij een vuurtje voor de tent. Zonder sanitair, zonder buren, zonder lawaai. Wildkamperen, heerlijk!

Mijn zoon en ik willen kamperen. Met een tentje en wat voorraad de natuur in - het leukste wat er is. Of ik nou lift of trein, fiets of autorijd, mijn vakanties komen vaak neer op plekje zoeken, tent opzetten, vuurtje stoken, potje koken, wandelen, vogels kijken. Ik heb in mijn eentje gekampeerd, met vrienden of geliefden, met zoon en met dochter, in binnen- en buitenland.

In Nederland is wildkamperen verboden. Ik heb het niettemin gedaan, op onvindbare plekken. Eén keer ben ik achternagezeten door een boswachter met hond. Met bonzend hart lag ik in de tent. Een vuurtje zou in Nederland te veel opvallen. In het buitenland gaat dat makkelijker, maar als ik het niet vertrouw, glip ik ongezien het bos in. Ik heb eens in een sparrenbos gestaan, zo donker, dat ik de tent niet meer terug kon vinden toen ik er 's nachts uit moest. Op de tast scharrelde ik rond in steeds wijdere cirkels, tegen bomen botsend, tot ik de tent voelde.

Leuker kampeert het aan een bosrand, met weids uitzicht over een beekdal. Als de beek ook nog geschikt is om in te zwemmen, heb ik mijn paradijs gevonden. Een vuurtje is fijn, maar ik stook alleen fikkies als ik me veilig voel. Of het dan ook echt veilig ís? Ik ben eens bijna te grazen genomen door mannen die wisten dat daar weleens tentjes stonden. Dat was vlak bij een dorp aan zee, in Portugal. Het was geen goede plek. Ik wist te ontkomen.

Het vinden van een fijne, veilige plek is niet gemakkelijk. Ik herinner me een paradijsje aan de Oder, in Polen. We roosterden eten op een vuurtje. We zwommen in een zijtak van de rivier, waar later otters in plonsden. Een wilde kat at onze kliekjes en zeearenden en visarenden vlogen over. Maar de volgende dag hobbelde over het bospad een minibusje voorbij. We staken onze hand op naar de inzittenden: kortharige mannen die grimmig keken. Wat als ze 's avonds terug zouden komen? We braken op.

Bijna nergens kun je zo goed kamperen als in Ierland. Er is weinig bos, maar het land is zo leeg, dat overal prachtige veldjes liggen. En niemand kijkt ervan op. Mijn geliefde en ik kwamen aan het eind van een smal weggetje bij zee. We wilden de tent opzetten, maar er stond een man in een auto. In Ierland zitten mensen soms langdurig in hun auto over zee te staren. We besloten het te vragen. Het is altijd goed de grondeigenaar toestemming te vragen, maar vaak is het onduidelijk wie dat is. Ik liep naar de auto. De man draaide het raampje open. Ik vroeg: "Do you think we may pitch our tent here?" De man dacht even na en antwoordde toen in die warme, Ierse tongval: "I wouldn't know one single reason why you shouldn't."

In Frankrijk en Duitsland heb ik herhaaldelijk meegemaakt dat een idyllisch kampeerplekje verstoord werd. Houthakkers, landbouwers - soms verschijnt er een ronkende machine die precies daarlangs moet waar de tent staat. Ook tref ik op de meest afgelegen plekken vuilnis aan. Verfblikken, laboratoriumspullen, vloerbedekking, koelkasten, autowrakken. Ik neem altijd wat mee en laat mijn plekken schoner achter dan ik ze aantrof.

In de Alpen bleven een vriend en ik telkens vier dagen boven de boomgrens, om dan in een dal nieuwe voorraad in te slaan en een dag uit te rusten op een alpenwei. Drie weken lang natuur, frisse lucht, rust en beweging. Overal in de bergen zijn beekjes met drinkwater te vinden. Want water is zwaar om mee te nemen.

Dagenlang bivakkeren in de natuur stemt mij tevreden. De maan, sterren en planeten, de geuren, de roep van een uil, de onverwachte dieren. Herten, reeën, zwijnen herinner ik me, kraanvogels, bijeneters, roerdompen, een wezel en een wasbeer. Allemaal voor de tent. Een keer nam een ijsvogel plaats op de tentstok. Ook in de tent heb ik dieren ontmoet, dat was minder prettig. De Deense egel die de voortent weigerde te verlaten, was nog aandoenlijk. De Ierse mol die ineens opdook en mijn geliefde in de rug duwde, zorgde voor consternatie. En het Lotharingse kevervolk dat met tientallen tegelijk uit de grond kroop en de hele nacht door de tent knisperde, was ronduit akelig.

Er wordt warm, droog weer voorspeld. Eindelijk gaan zoon en ik een nachtje kamperen. Omdat we vuur willen, maar geen gedonder met opsporingsambtenaren, bel ik de boswachter. Die legt een plek uit in 's lands grootste loofbos. Op een kilometer lopen van een parkeerplaatsje is een veldje waar kamperen wordt toegestaan. Daar gaan we heen.

We slepen tent, matjes, slaapzakken, drinkwater en eterij mee, zetten de tent op en sprokkelen hout. Een vos schreeuwt zijn spookachtige alarmkreet, koekoeken roepen en de zon zakt. Zoon vindt een stuk touw, bindt stokken aan elkaar en fabriekt een driepoot boven het vuur. Daaraan hangen we een blik worstjes. Kippenpoten gaan op een roostertje tussen twee stenen. "Dit is echt genieten", zegt hij, terwijl hij op mijn schouder een mug doodslaat.

Maar het is vrijdagavond en het is Nederland. Er naderen stemmen. Vier jonge mannen verschijnen. Met twee tenten, een vracht bier, een voetbal en muziek. Als ze zijn uitgeraasd, val ik in slaap. Om twee uur later gewekt te worden door een ochtendsamenzang van nachtegalen, wielewalen, bosrietzangers en spotvogels. Zoon en ik ontbijten in de zon en vertrekken voordat de gang of four ontwaakt. "Zullen we dit vaker doen, papa?"

Nou en of. Maar dan doordeweeks.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden