'Steriliseer dan liever gevaarlijke automobilisten'

De gedragswetenschappen zijn deze eeuw verwikkeld geweest in het nature-nurture debat: de discussie of gedrag wordt bepaald door aangeboren eigenschappen (nature) of door omgeving en opvoeding (nurture). De criminologie heeft dat debat, sinds de bespiegelingen van de Italiaan Lombroso tot het onderzoek van Dorereleijers getrouw weerspiegeld.

Chris Rutenfrans

De grondlegger van de criminologie als systematische wetenschap is de Italiaanse arts Cesare Lombroso. Hij was zoals veel van zijn tijdgenoten diep onder de indruk van de ontdekkingen van Charles Darwin, vooral van diens notie dat sommige mensen dichter bij hun primitieve voorouders staan dan anderen. Hierop baseerde Lombroso zijn atavisme-theorie die hij ontvouwde in L'uomo delinquente (1876). Criminelen zouden door mutaties of een natuurlijke toeval zijn achtergebleven in de evolutie en gedrag vertonen dat in de oertijd functioneel was, maar in de moderne tijd juist onaangepast is. Hun atavisme was zichtbaar aan hun lichamelijke kenmerken: asymmetrische schedel, platte neus, dikke lippen, grote oren en doorlopende wenkbrauwen.

Deze theorie is op den duur verlaten. De degeneratiekenmerken die Lombroso constateerde bij gedetineerden bleken samen te hangen met slechte woonomstandigheden, verkeerde voeding, verslavingen en landurig verblijf in de gevangenis. Op latere leeftijd kreeg Lombroso ook zelf meer oog voor de invloed van de omgeving op crimineel gedrag.

Maar met Lombroso was de kous niet af. In Engeland en de VS ontstond aan het eind van de vorige eeuw het sociaal-darwinisme dat de denkbeelden van Darwin nogal ongenuanceerd toepaste op de sociale verhoudingen. De sociaal-darwinisten meenden dat nadelige eigenschappen, variërend van epilepsie, zwakzinnigheid en geestesstoornissen tot armoede, alcoholisme en criminaliteit, erfelijk bepaald waren.

Om te voorkomen dat die eigenschappen zich zouden verspreiden ten koste van gunstige eigenschappen, werd een 'negatieve eugenetica' bepleit. Via gedwongen sterilisatieprogramma's werden 'erfelijk belasten', onder wie ook criminelen, uitgesloten van de voortplanting. Hiertegen kwamen ook protesten. Zo kritiseerde de New Yorkse advocaat Charles Boston de sterilisatiewetgeving van de staat Indiana, die gebaseerd was op de vooronderstelling dat 'erfelijkheid de belangrijkste factor is voor de overdracht van criminaliteit, idiotie en imbeciliteit'.

Boston schreef dat het aantal veroordelingen wegens verkrachting in Indiana veel lager lag dan het aantal mensen dat door schuld werd gedood in het verkeer: 'Als criminele neigingen inderdaad aangeboren zijn, is er meer reden roekeloze chauffeurs te steriliseren dan verkrachters.'

In nazi-Duitsland werden de sociaal-darwinistische opvattingen tot in hun uiterste consequentie gerealiseerd. Tussen 1934 en 1937 werden 225 000 mensen met veronderstelde erfelijke handicaps gesteriliseerd en vanaf 1939 zijn er tenminste 70 000 van hen geëuthanaseerd.

Het is vooral hierom dat de biologische benadering van gedrag na de oorlog lange tijd impopulair is geweest. Ook in de criminologie kwam de nadruk sterk te liggen op sociale factoren.

Volgens de Amerikaan Robert Merton stonden mensen onder een permanente spanning doordat het doel dat de maatschappij stelt - financieel succes - voor lang niet iedereen met legale middelen bereikbaar is. Die spanning kunnen ze onder meer het hoofd bieden door illegale middelen te gebruiken, dus door crimineel te worden. Zo werd verklaarbaar dat delinquenten naar verhouding meer afkomstig zijn uit de lagere dan uit de hogere lagen van de bevolking.

Uit onvrede met de sociologische benadering stelde de Nederlandse criminoloog Wouter Buikhuisen in 1977 voor om criminaliteit biosociaal te benaderen. Biologische factoren zouden wellicht kunnen verklaren waarom slechts sommigen uit de lagere klassen crimineel worden en de meesten niet. Hij wilde nagaan of bijvoorbeeld het activatieniveau van het autonome zenuwstelsel (AZS) een rol speelt bij het ontstaan van crimineel gedrag.

Als wij overwegen iets te gaan doen wat niet mag, worden we een beetje bang. Ons hart gaat sneller kloppen, we krijgen zweet in de handen enzovoort. Nu heb je ook mensen die die lichamelijke reacties niet vertonen. Verstandelijk weten ze dat ze iets gevaarlijks gaan doen, maar hun lichaam 'weet' dat níet. Daardoor worden zij niet bang en zijn ze eerder geneigd het verbodene tóch te doen. Dit wilde Buikhuisen toetsen. Maar dat mocht niet. In de media werd hij afgeschilderd als een tweede Lombroso, een voortzetter van de nazi-biologie en dus als een fascist.

Het werd hem met name door Piet Grijs, een alias van Hugo Brandt Corstius, die een ware hetze ontketende, zo moeilijk gemaakt dat hij er na een paar jaar mee ophield. Buikhuisen trok zich niet zonder succes terug in zijn antiekhandel.

Intussen is het tij weer gekeerd. De toegenomen kennis op het gebied van de genetica en de neurofysiologie hebben opnieuw belangstelling gewekt voor biologische verklaringen van psychologische eigenschappen en gedrag. Toen een tijdje geleden bekend werd dat de psychiater Theo Doreleijers aan de VU een soortgelijk onderzoek gaat doen als Buikhuisen ruim twintig jaar geleden wilde, ontstond nauwelijks beroering. Er is kennelijk geen ruimte tussen honend wegjoelen en zwijgen. Dat is jammer, want dit soort onderzoeken verdient wel degelijk kritische bespreking.

Biologisch onderzoek kan de kennis over de sociale oorzaken van criminaliteit belangrijk aanvullen. Volgens de meest aangehangen sociologische theorie komt crimineel gedrag voort uit een gebrekkige zelfbeheersing die weer het gevolg is van een verkeerde opvoeding.

De vraag blijft dan waarom zoveel minder vrouwen dan mannen crimineel zijn, ook al hebben zij dezelfde opvoeding genoten. En waarom ook mannen die gelijksoortig zijn opgevoed, sterk kunnen verschillen in criminaliteit? Blijkbaar verschillen kinderen in opvoedbaarheid. Die verschillen zijn mogelijk herleidbaar tot verschillen in biologische constitutie, niet alleen in activatieniveau van het AZS, maar ook in niveaus van hormonen en neurotransmitters. Dat Doreleijers dat wil onderzoeken valt toe te juichen.

Maar zulke factoren leiden nooit direct tot specifiek gedrag. Gedrag is altijd het resultaat van een wisselwerking van biologische factoren - die elkaar ook onderling beïnvloeden - en psychologische en sociale factoren. Een op zichzelf nadelige fysiologische factor hoeft, als ze gepaard gaat met een redelijke intelligentie en een stabiel sociaal milieu, niet noodzakelijk te leiden tot antisociaal gedrag. Doreleijers zou zulke sociaal-psychologische factoren moeten meenemen in zijn onderzoek. Anderzijds kan een instabiel sociaal milieu ook een nadelige invloed hebben op fysiologische factoren. In elk geval moet Doreleijers de groep waarop hij zich richt - jongeren met justitiecontacten - vergelijken met een niet-criminele controlegroep. Alleen dan valt er iets te zeggen over de specifieke invloed van biologische factoren op crimineel gedrag.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden