Review

Sterilisatie: 50 pt. Vergassing: 100 pt. 1 punt: 31 gulden 50

Sterilisatie: 50 pt. Vergassing: 100 pt. 1 punt: 31 gulden 50

Joden durfden ook nauwelijks te klagen, want het antisemitisme van vóór de oorlog was in hevigheid toegenomen. Al op 30 mei 1945 ontwaarde het Limburgsch Dagblad 'de schim van een Joodsch gevaar'. En in de Leidse Courant verscheen op 27 juli 1946 een stuk over 'de lieve joodjes'. Daarin heette het: ,,Ze hebben het ontzettend hard te verduren gehad tijdens de oorlog, maar ze zijn weer bekomen van de schrik en zetten alweer een grote mond op en doen weer mazzel'. Joden werden gewantrouwd en gekleineerd. Hun beroving, waarmee de Duitse bezetter tijdens de oorlog was begonnen, werd na de bevrijding door de Nederlandse overheid voortgezet. Aldus historicus Isaac Lipschits in 'De kleine sjoa. Joden in naoorogs Nederland'.

De titel van zijn boek wekt wrevel. Hoezo kleine sjoa? Het lijkt misplaatst om de slechte behandeling van joden door de Nederlandse regering in verband te brengen met hun vernietiging door de Duitsers. Dat zijn immers twee verschillende grootheden, die zich tot elkaar verhouden als een druppende kraan tot de zondvloed? Toch overdrijft Lipschits niet. Het isolement waarin de Duitse bezetter de Nederlandse joden had gebracht duurde na hun bevrijding voort. Bij terugkeer in de samenleving ondervonden ze vijandigheid en tegenwerking. Niet alleen in menselijk opzicht schoot Nederland tegenover de joden tekort, ook de door hen geleden materiële oorlogsschade werd nauwelijks vergoed. Lieftinck, destijds minister van financiën, stond slechts één doel voor ogen: het economisch herstel van het land. Wie tijdens de oorlog van zijn eigendommen was beroofd, draaide grotendeels zelf voor de schade op. De joden, van alle Nederlanders het zwaarst getroffen, raakten opnieuw ernstig gedupeerd.

'De kleine sjoa' is een opeenhoping van beklemmende feiten. Wist u bijvoorbeeld dat joden bij terugkeer uit de onderduik en de vernietigingskampen achterstallige belasting moesten betalen? Daarbij ging het niet alleen om erfpacht, grondbelasting en straatbelasting over onroerend goed dat hen al lang en breed ontstolen was, maar ook om anderssoortige rijksbelasting. Het is zeer de vraag of joden die belasting nog wel verschuldigd waren. Een burger betaalt belasting voor een door het rijk te leveren tegenprestatie, zoals de handhaving van de openbare orde. Waren joden soms belasting verschuldigd voor de diensten van de Nederlandse politie, die had meegewerkt aan hun deportatie? Of voor de diensten van de Nederlandse marechaussee, die Westerbork had bewaakt?

Lipschits geeft een overzicht van de vele door de Nederlandse overheid in het leven geroepen instanties die zich met schadevergoeding aan joden hebben beziggehouden en de manier waarop zij te werk gingen. Het is een geschiedenis van bekrompenheid en harteloosheid. In 1960 betaalde Duitsland aan de Nederlandse regering schadevergoeding voor Nederlanders die om reden van ras, geloof of wereldbeschouwing door het nationaal socialisme waren vervolgd: een miljoenenbedrag dat werd versnipperd onder joden, zigeuners, Jehova's getuigen en gewezen verzetsstrijders.

Wie er recht op meende te hebben, moest een vragenformulier invullen. Er werd uitgegaan van vijf categorieën van vervolging. In iedere categorie kon een slachtoffer punten verdienen. Voor vrijheidsberoving van ten minste drie maanden: 1 punt per week. Voor het dragen van de jodenster gedurende ten minste zes maanden: 1 punt per drie weken. Voor gedwongen sterilisatie: 50 punten. Voor invaliditeit: 50 punten. Voor het overlijden van de vader of moeder van een minderjarige: 100 punten. Per in de wacht gesleept punt werd fl31,50 uitgekeerd. Deze regeling was totstandgekomen op advies van een commissie onder voorzitterschap van oud-premier Drees, een man die altijd braaf op de dubbeltjes had gepast. Van hem moet ook het idee afkomstig zijn geweest om een limiet te stellen aan de puntentelling. Het maximum aantal punten bedroeg 200. Immers, menige jood scoorde hoger. En het moest niet te gek worden. Het was, zoals het ministerie van financiën reeds op 10 januari 1946 in een perscommuniqué bekend had gemaakt, niet de bedoeling dat een joodse overlevende 'zich een fortuin aan rijksbijdragen zou verwerven'.

Zo kon het gebeuren dat joden in 1961 werden gedwongen te berekenen hoeveel weken zij een ster hadden gedragen, hoe lang ze in Westerbork of Vught gevangen hadden gezeten en hoe vaak ze in Birkenau op appèl hadden gestaan. Het ontbrak er nog maar aan, dat ze spaarzegels moesten plakken. Een deel van hen was vlug met tellen klaar: degenen die op 7 mei 1945 minderjarig waren geweest en van wie beide ouders waren vergast, zaten meteen aan het plafond van 200 punten. Ze kregen een smartengeld van iets meer dan zesduizend gulden, dat met eventuele jongere broers en zusters moest worden gedeeld.

Welhaast tegelijk met 'De kleine sjoa' verscheen een ander boek over dezelfde kwestie: 'Berooid. De beroofde joden en het Nederlandse resitutiebeleid sinds 1945'. Het is het tweede deel van een trilogie van historicus Gerard Aalders over de plundering van Nederlandse goederen door de Duitse bezetter. In deze minutieuze studie oordeelt Aalders positief over het rechtsherstel van de Nederlandse joden. Tussen vijfentachtig en negentig procent van de waarde van hun eigendommen werd tussen 1945 en 1971 door de staat terugbetaald. Daarbij moet wel worden aangetekend dat die terugbetaling 'buitengewoon gecompliceerd en tijdrovend' is geweest. In het voorwoord benadrukt hij dat hij persoonlijk niet bepaald juicht over de manier waarop het rechtsherstel zijn beslag heeft gekregen. Niet zonder reden, aldus Aalders, spreekt hij nergens van een succes. Liever spreekt hij van een rechtsherstel dat niet heeft gefaald. Indien hij het voor het zeggen had gehad, zou hij het anders hebben gedaan. Maar ,,het gaat niet aan een historische gebeurtenis van meer dan een halve eeuw geleden langs de meetlat van de eigen, hedendaagse normen en waarden te leggen'. Oordelen achteraf is gemakkelijk en zelden fair. ,,Het rechtsherstel was een bij wet geregeld proces. Het was bedoeld om geroofde eigendommen, mits ze konden worden opgespoord, aan de oorspronkelijke eigenaar terug te geven. Niets meer en niets minder.' En die doelstelling, aldus Aalders, werd bereikt.

Geroofde eigendommen teruggeven, mits ze konden worden opgespoord: volgens Isaac Lipschits wringt daar de schoen. Van veel joodse bezittingen kon na de oorlog niet worden vastgesteld waar die gebleven waren. Had de bezetter ze naar Duitsland vervoerd? Indien bewijs hiervoor ontbrak, en dat was dikwijls het geval, werd de schade niet vergoed. Lipschits is niet onder de indruk van de negentig procent van Aalders. Hij vraagt zich af: negentig procent van wát? Negentig procent van de geverifieerde schulden werd terugbetaald. De vergoeding van 'officieus' geroofde bezittingen kon op niemand worden verhaald.

Beide historici hebben gelijk. Aalders heeft het bureaucratische gelijk aan zijn kant, waar hij constateert dat het Nederlandse restitutiebeleid 'gezien de objectieve uitgangspunten die eraan ten grond slag liggen' niet heeft gefaald. Lipschits heeft het emotionele gelijk aan zijn kant, waar hij wijst op de meedogenloosheid van de overheid en haar ambtenaren. Mag sein, dat de joden meer dan vijfentwintig jaar na de oorlog hun 'recht' hebben gekregen. Maar de weg erheen was krom en bij de beesten af.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden