STEM C

Woensdag is er een referendum in Amsterdam over het verkeersbeleid in de binnenstad. De bewoners kunnen kiezen tussen twee verschillende beleidsrichtingen.

JAFFE VINK

Toen ik gisteren op pad was om twee pistolen te kopen in de onderwereld een pistool om wegpiraten te liquideren, het andere om u te overtuigen, mijnheer de burgemeester schoot mij een fragment te binnen uit de Steppewolf van Hermann Hesse.

Het is de scene waarin de bijna vijftigjarige hoofdpersoon Harrie Haller, samen met zijn oude schoolvriend Gustav, in een boomhut zit en van daaruit elke passerende auto van de weg schiet.

Ik heb ook een auto. Ik zeg het er maar even bij.

Eigenlijk had ik dat van die pistolen niet willen vertellen, ik had willen beginnen met iets alledaags, zoiets als: 'elke ochtend breng ik mijn dochter naar school', maar het is een ongeschreven wet - die vaak luidkeels wordt verkondigd - dat je niet over je eigen kinderen schrijft. Dat doe je niet, dat is sentimenteel.

Een beetje vent schrijft over de Amerikaanse autoindustrie, over de treurige geschiedenis van Joegoslavie, over sex en drugs en rock 'n roll, of desnoods over het benzeengehalte van de Amsterdamse Stadhouderskade, maar niet over zijn eigen kinderen.

Goed, elke ochtend breng ik mijn dochter naar school. Ze is negen jaar, ze fietst graag, maar haar fiets laten we thuis. Ze springt bij mij achterop.

Onze straat, de Jacob van Campenstraat, ligt in de Pijp en loopt parallel aan de Stadhouderskade, alias de Benzeenkade. Als wij de voordeur opendoen, dan ruikt het niet naar dennegeur en bronsgroen eikehout. 'Stadslucht maakt vrij' luidt het nieuwste inzicht van de sociologie. En inderdaad, als wij de voordeur opendoen, dan halen wij onze neus op en voelen ons vreselijk vrij. Anderhalve meter voor de voordeur staat een oud olievat. Dat heeft de garagehouder die onder onze slaapkamer zijn nering heeft, daar neergezet toen zijn benzinepomp van staatswege moest verdwijnen.

Deze eenrichtingstraat ziet er 's ochtends heel gewoon uit. Aan de ene kant een rij geparkeerde auto's, aan de andere kant een rij geparkeerde auto's, en daartussen ook een rij geparkeerde auto's; de voorste auto's van deze rij zijn steevast van glashandel 'Rembrandt' (gevestigd tweehonderd meter van het Rijksmuseum), die elke ochtend een uur lang de straat blokkeren. Sommige automobilisten hebben dat niet helemaal door, die staan dan vrolijk te toeteren of komen scheldend uit hun vehikel.

We pakken de fiets uit het fietsenrek. Met een beetje geluk is er nog zo'n vijftig, zestig centimeter over om tussen de auto's door te laveren. Benen binnenboord, dochter, want die koplamp moet je knie niet raken, maar niet te veel binnenboord, want je hak moet niet tussen de spaken. Zo gaat dat 's ochtends, mijnheer de burgemeester, maar ik zou u willen vragen: is het niet mogelijk dat we een paar centimeter meer krijgen? Dan kunnen we allebei fietsen. Vader op de fiets, dochter op de fiets, middenin de Amsterdamse Pijp dat kan zo in de Blue Band-reclame.

We komen nu bij het kruispunt met de Hobbemakade. Daar staan verkeerslichten. De eerste auto rijdt door rood, de tweede ook, de derde ook, de vierde stopt, maar de vijfde rijdt om de vierde heen, want hij heeft een verschrikkelijke haast.

Morgen neem ik een pistool mee. En elke automobilist die het dan nog waagt door het rode licht te rijden, die schiet ik voor zijn kop. Klinkt misschien een beetje overdreven, zo'n Blue Band-vader met een schietgeweer.

Op naar het volgende kruispunt. Dat is midden op het Museumplein, het mooiste plein van Amsterdam, met aan zijn zomen een muziektempel en vier musea (met ergens in een kelder de opgekalefaterde Barnett Newman), en niet te vergeten: het vierkante kantoor van de Algemene Nederlandse Wielrijders Bond.

Alsof het zo gearrangeerd is loopt pal voor dit kantoor, dwars over het plein, de kortste snelweg van Nederland. Ik ben ook geen heilige, mijnheer de burgemeester, ik scheur ook met mijn oude limousine over dit snelwegje, ik rijd ook lekker door rood, maar ik ben toch wat voorzichtiger geworden nadat ik laatst een ongeluk heb gezien op dit kruispunt. Een auto schepte een fietser. Het was geen prettig gezicht. De man kwam vijftig meter verderop terecht. Bewusteloos. Hij bloedde als een rund. Enkele voetgangers liepen naar de man, een automobilist stopte het verkeer, een humane taxichauffeur tokkelde op de mobilofoon en meteen kwam de hele verzorgingsstaat in aktie: politie, ziekenauto, en ten slotte ook nog de brandweer. Ik wist niet dat het zo ging, maar zo gaat dat dus: even de brandweerspuit en weg is het bloed, schoon is de stad. Laat de Japanners maar komen.

Misschien kan de firma Benetton eens een foto maken van zo'n bloedende man. Mooi rood is niet lelijk. United colours. Die foto kan dan uitvergroot op de nieuwe gemeentelijke reclameborden die het uitzicht bij de kruispunten belemmeren.

We steken over, ik en mijn dochter, en ik zeg tegen haar: je moet hier altijd goed uitkijken. Ja, dat weet ze nou wel, altijd diezelfde zeurzin.

Er zijn teveel auto's in Amsterdam. Dat is nog zwak uitgedrukt. Het is een beestachtige terreur. En wat me nog het meest bevreemdt is dat deze autoterreur normaal wordt gevonden. Dat men het accepteert en zich heeft aangepast.

Het is een geschikt moment om De Steppewolf nog even te voorschijn te halen. Gaat u er maar eens goed voor zitten, mijnheer de burgemeester, want het is een mooi verhaal.

Harrie Haller is in het magische theater - toegang alleen voor gekken - en loopt nieuwsgierig van deur tot deur, dan opent hij een smalle deur en gaat naar binnen. "Ik was terechtgekomen in een drukte van belang. Op de straten snelden auto's voorbij, voor een deel gepantserd, en maakten jacht op de voetgangers, reden die tot moes, drukten ze tegen de muren van de huizen te pletter. Ik begreep het direct: het was de strijd tussen mensen en machines, lang voorbereid, lang verwacht, lang gevreesd, nu eindelijk tot een uitbarsting gekomen."

Opgewekt sluit Harrie Haller zich bij de strijd aan. Hij ontmoet zijn oude schoolvriend Gustav, ze kapen een vrachtauto en verlaten de stad. Op een gegeven moment komen ze voorbij een grote pijnboom, waar bovenin zoiets als een hut is gebouwd. Ze klimmen in de boom en daar vinden ze geweren, pistolen, kisten met patronen.

Dan begint het spel van de wilde jacht. Geen auto die ontkomt, geen automobilist die het kan navertellen. Totdat er ergens op een achterbank een man nog een teken van leven geeft.

"De oude man keek koel en treurig uit zijn kleine grijze ogen.

'Ik ben procureur-generaal Loering', zei hij langzaam. 'Jullie hebben niet alleen mijn arme chauffeur vermoord, maar ook mij, ik voel het, het loopt af. Waarom hebben jullie toch op ons geschoten?'

'Omdat er te hard gereden werd.'

'Wij reden met normale snelheid.'

'Wat gisteren normaal was, is het vandaag niet meer, procureur-generaal. Wij zijn vandaag van mening dat een dergelijke snelheid waar de auto's mee rijden, te groot is. Wij maken de auto's nu stuk, allemaal'."

Ik breek het citaat hier af, want ze zijn van plan om ook andere machines te vernielen en dat lijkt me in dit verband overbodig. Het is mooi geweest zo.

De Steppewolf verscheen in 1927, al weer een eeuwigheid geleden, maar het boek zou verplichte literatuur moeten zijn voor het rijexamen.

Het lijkt zo vanzelfsprekend dat het stadsverkeer wordt gedomineerd door auto's, en nog wel met zo'n indrukwekkende overmacht, dat de gedachte dat de stad er ook anders uit kan zien, nauwelijks meer tot het voorstellingsvermogen wil doordringen.

Amsterdam bestaat zevenhonderd jaar, maar pas de laatste twintig, vijfentwintig jaar wordt de stad verstikt door die rijdende en stilstaande schroothoop. Om te laten zien dat het niet altijd zo is geweest, is het misschien goed er aan te herinneren dat het ooit is begonnen met een eerste auto, een driewieler die werd aangedreven door een een-cilinder viertakt benzinemotor met elektrische ontsteking en waterkoeling, geconstrueerd door Karl Benz. In 1886 reed het voertuig door Mannheim, waarvoor een speciale vergunning werd verleend. De snelheid bedroeg zo'n dertien kilometer per uur.

In Amsterdam was men toen bezig arbeiderswijken te bouwen buiten de grachtengordel en het zal duidelijk zijn dat men de situatie die zich honderd jaar later zou voordoen, niet heeft voorzien.

Frederik van Eeden was een van de eerste bewoners van de Jacob van Campenstraat: "Men ziet het de huizen aan dat zij nog slechts weinig jaren staan. Toch zien zij er enigszins vervallen en vuil uit en dat treft even onaangenaam als het aanschouwen van een afgeleefd jong mens. De huizen zijn op een voordeeltje gebouwd, de hedendaagse beschaving laat zich zeer goed tot zulke praktijken misbruiken."

De struktuur van Amsterdam is in het geheel niet berekend op het drukke verkeer, het centrum van de stad niet, de negentiende-eeuwse wijken niet en de zogenaamde doorgaande routes niet.

Er zijn twee mogelijkheden: de stad aanpassen aan de auto of de auto aanpassen aan de stad. In het eerste geval moet het wegennet van de stad radikaal veranderd worden: huizen weg, grachten dempen, brede boulevards, maar dat schijnt niet te gebeuren.

In het tweede geval moet de auto worden aangepast aan de stad. De witkar van de provo's was zo'n aangepaste auto. Ik moet toegeven, ik haal mijn chick ook liever in een Cadillac. Beide mogelijkheden moeten worden afgeschreven. Geen twaalfbaanswegen door de stad, geen speelgoedauto's langs de gracht.

Het stadsbestuur moet hebben gedacht dat er een derde mogelijkheid was: het stimuleren van het openbaar vervoer en het langzame terugdringen van de auto door middel van vrije trambanen, eenrichtingsstraten, verkeersdrempels, voetgangerszones.

De resultaten liegen er niet om. Want laat een ding duidelijk zijn: het is een varkensstal. Onderzoek van de gemeentelijke milieudienst toont aan dat de luchtverontreiniging en de geluidshinder in de stad schrikbarend zijn. Om binnen de wettelijke milieunormen te blijven, is op de Stadhouderskade een afname van het autoverkeer met meer dan zestig procent nodig.

Keuze A van het referendum betekent een voortzetting van het huidige beleid: het langzame terugdringen van de auto.

Het lijkt wel een klucht. Vrolijk wordt uitgerekend hoe ernstig de situatie is en dan mag de bevolking kiezen voor voortzetting van het beleid: het schoonmaken van de varkensstal met een tandenborstel.

Keuze B betekent een aanzienlijke vermindering van het aantal parkeerplaatsen in de binnenstad waardoor het autoverkeer daar wordt teruggedrongen en er veel meer ruimte komt voor voetgangers en fietsers.

Uit bovengenoemd onderzoek blijkt echter dat de overlast niet het grootst is in de binnenstad, maar juist in de gordel van negentiende-eeuwse wijken. Een vergaande beperking van het verkeer in de binnenstad vergroot de hinder in de aangrenzende wijken, zoals de Pijp.

Geachte burgemeester, ik vraag u: waar kunnen mijn kinderen spelen? Of is dat te veel gevraagd?

Onlangs heeft de gemeente op de hoek van de straat een hobbelkip geplaatst. Dat is heel attent van de gemeente, maar de kinderen kunnen hier niet buiten spelen. Te weinig ruimte, te veel gevaar. Dat zoiets gewoons - dat de kinderen buiten spelen - zo ongeveer een utopie is geworden, dat reken ik u aan. De stad is een gevangenis voor kinderen.

Men denkt: dat is de stad. Zo is de stad nu eenmaal. Maar de stad hoeft helemaal niet zo te zijn en is eeuwenlang niet zo geweest.

"Jij wilt zeker terug naar de middeleeuwen," zingt het koor van de dynamische middenstand. Tja, wat moet je daar op zeggen? Moet ik zeggen dat ik het niet zo erg vind om tegen de wind in te fietsen?

"Ga dan op het platteland wonen," luidt het volgende couplet. Dat is inderdaad een originele oplossing: een stad vol auto's en zonder kinderen.

"In Mexico is het nog veel erger," galmt het koor uit volle borst. Het koor heeft gelijk. In Mexico is het nog veel erger, maar daar hebben ze ook geen pindakaas.

En dan volgt het refrein: "Mijn schoonmoeder is slecht ter been. Waar kan zij zonder auto heen?" Ik geef toe: er moet een uitzondering zijn. Alle auto's de stad uit, behalve de Daf van die schoonmoeder en in de ochtenduren een vrachtauto met aardappels voor McDonald's.

En daar, mijnheer de burgemeester, komt weer een automobilist die nog even dynamisch door rood rijdt. Laat ik in het wilde weg eens Anton Tsjechow citeren: "Als ik nog veertig jaar leef en in die veertig jaar lees, lees, lees, en met talent zou leren schrijven, dan zou ik na die periode uit een reusachtig kanon op u allen zo'n vuur openen, dat de hemel zou sidderen."

Mocht het ooit gebeuren - en ik heb geen geloof dat me laat zeggen 'wat God verhoede' en ik heb geen bijgeloof dat me ervan weerhoudt het op te schrijven - maar mocht het ooit gebeuren dat een automobilist mijn kind doodrijdt: die komt mij tegen. Die keel ik.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden