Steek er een op, voor de doden

2014 was een zwaar jaar voor de poëzie - het derde achtereenvolgende rampjaar. Aan hele literaire bewegingen is een definitief einde gekomen.

Janita Monna (1971) is poëzierecensent. Ze verzorgt wekelijks een poëzierubriek in Letter& Geest (zie pagina 22).

Er was iets voorbij, en o voorgoed voorbij. Dat gevoel bekroop me toen ik begin september hoorde dat Gerrit Kouwenaar was overleden. Want er was meer voorbij dan het leven van een groot dichter. Zijn dood betekende ook het naderende afscheid van een beweging, de Vijftigers. En zijn dood kwam niet alleen, want met het onverwachte overlijden van Erik Menkveld, en het afscheid van Leo Vroman, was 2014 voor de Nederlandse poëzie een zwaar jaar. Net als 2013 overigens, en 2012: in nog geen drie jaar tijd is het poëtisch landschap flink veranderd. Dichters die hun stempel dik op de Nederlandse poëzie hebben gedrukt, zijn er niet meer. Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Bernlef, Tsjêbbe Hettinga, Gerrit Krol - het lijstje is niet eens volledig.

Het stemt weemoedig. Omdat het bijzondere dichters waren, maar ook omdat met hun overlijden de laatste, levende herinneringen aan literaire bewegingen verloren gaan. Aan de Vijftigers, die kort na de oorlog met bravoure en experiment de poëzie veroverden, de dichters van de jaren zestig die, in het voetspoor van Dada, oog hadden voor de poëzie in dagelijkse dingen als boodschappenbriefjes. Tijd daarom voor een korte terugblik, tijd om er eentje op te steken, om met Kouwenaar te spreken, 'voor de doden -'.

sleutel

Als je je sleutel mist zoek eerst

in je eigen deurslot, als je dood moet

geef je plant nog wat water, klop niet

om regen uit het verlaagde plafond, maak het

gedichten moeten niet troosten, zeg ik

toch maar weer eens in wat nu echt af en toe

op een volwassen stilstand gaat lijken

handen gevouwen boven het erfelijk bestek, brood

en vleeswaar staan klaar, maar geen woord

dat zich bekt, en hoe mager de eetlust

eten is leven

dus eerst nog maar even het zwijgen vergulden

wat leegte innemen, de schemer inwonen

en er een opsteken, voor de doden -

'sleutel' is een van Kouwenaars laatste gedichten, hij maakte het in 2005 voor de Gedichtendagbundel. Er zou daarna, in 2008, alleen nog een keuze uit eigen werk verschijnen.

Met Kouwenaar verdwijnt een van de belangrijkste dichters uit het Nederlandse taalgebied - hij was misschien wel Nobelprijswaardig geweest, als hij niet in dat lastige Nederlands had geschreven. Maar het was toch dat Nederlands dat hij wist te scherpen tot die uiteindelijk zo herkenbare Kouwenaartaal, vol woorden als 'men', 'eten', 'mes', en voorvoegsels als 'ont-'. Hij maakte er gedichten mee die een eigen werkelijkheid waren. Steeds opnieuw werd geprobeerd de niet te stuiten tijd voor even een halt toe te roepen. Het gedicht als poging om leven te bewaren en te onttrekken aan de sterfelijkheid. Een onmogelijke poging, omdat het woord geen leven was.

Kouwenaars werk kreeg nogal eens het stempel 'moeilijk' opgeplakt, hermetisch, kil. Dat was het allerminst, en zeker de latere gedichten ('totaal witte kamer' uit 2002, over de dood van zijn vrouw Paula) werden steeds persoonlijker. Kouwenaar vond dat gedichten niet moeten troosten; dat doet ook 'sleutel' niet. Dat snijdt als een mes door de werkelijkheid. 'er een opsteken, voor de doden -' Kouwenaar was een verstokt roker. Zijn dood maakt van Remco Campert de laatste Vijftiger.

Er eentje opsteken. Ook voor Leo Vroman. Hij naderde de honderd, maar liet, anders dan Kouwenaar, nog vrijwel jaarlijks met een dikke bundel van zich horen. "Ik heb de laatste paar jaar abnormaal veel gedichten geschreven, gemiddeld eentje elke drie dagen of nachten", schreef hij in het voorwoord van wat zijn laatste zou zijn, 'Die vleugels'.

Dat neemt niet weg dat de dichter zich al jarenlang aan het voorbereiden was op zijn eigen afwezigheid. Met de nieuwsgierigheid van een wetenschapper probeerde hij over de rand van het leven te gluren, zich te verplaatsen in de as die er op zeker moment van hem over zou zijn: "Mijn a.s. as moet niet zo treuren / dat die mij heeft verloren."

Al in 1964 kreeg Vroman de P.C. Hooftprijs voor zijn poëzie. Meer dan de helft van zijn oeuvre moest toen nog geschreven worden, maar zijn misschien wel beroemdste gedicht 'Vrede', was er al wel: "Komt een duif van honderd pond, / een olijfboom in zijn klauwen, / (...) vol van kirrende verhalen / hoe de oorlog is verdwenen."

Vromans ongebreidelde liefde voor alles wat leeft - hij had al moeite met het snijden van prei, schreef hij eens - is aanstekelijk. En ook aan de dood kon hij niet echt een hekel hebben, behalve op momenten waarin hij bedacht dat die hem zou scheiden van zijn vrouw Tineke. In een van zijn laatste gedichten stelde hij zich voor dat zijn as "doodkoud bezig zal blijven / door te gaan zoals ik was / met verzen te schrijven". Als Vroman het schrijft, geloof je haast dat dat kan.

De lente van 2014 was nauwelijks begonnen toen Erik Menkveld overleed. Ongeveer half zo oud als Vroman. Drie dichtbundels op zijn naam, dat hadden er natuurlijk meer moeten worden.

Net als Vroman nam ook hij graag een kijkje buiten de grenzen van zijn eigen bestaan: hij leefde zich in het kozijn in, nam de gedaante aan van een taart ('Gaarne aangesneden wil ik voor u worden'), hij liet de schoonheid spreken, en ook iets dat klonk als de dood: 'altijd ben ik naar je onderweg // en blijf ik in je aan het woord'. Maar Menkveld was geen somber dichter. Hij was humorvol en levendig, met groot vermogen tot verwondering en bewondering, en een diepe liefde voor muziek:

Rustige avond met een glaasje,

Poes, die warme zak

en Skrjabin. Hoe hoger

dat koper hoe hoger

hoe geraakter.

Over dit 'Poème de l'extase' schreef Gerrit Komrij ooit: "Zo laat een gedicht af en toe de mens zien, zielsnaakt, zoals we ons in werkelijkheid voor geen goud zouden willen tonen, in onze meest lachwekkende kwetsbaarheid."

Komrij's dood sloeg een gat in de zomer van 2012. Het behoeft nauwelijks betoog dat zijn erfenis flink wat meer behelst dan alleen een stuk of wat gedichten. Hij was berucht als bloemlezer, oogstte als eerste Dichter des Vaderlands links en rechts kritiek, en lof. Hij initieerde een Poëzieclub, een tijdschrift, een poëziereeks waarin jong talent de ruimte kreeg en straal vergeten dichters opnieuw voor het voetlicht werden gebracht; de Turing nationale gedichtenwedstrijd kwam uit zijn koker, zoals hij toneelstukken schreef en vertalingen maakte.

Maar het 'Komrij-wezen' was voor alles een poëzieliefhebber. Een omnivoor, bleek ook in stukjes als die over Menkveld, die onder titels als 'In liefde bloeyende' en 'Trou moet blycken' in NRC Handelsblad verschenen.

Als dichter was hij the great pretender, de meester van de maskerade: "Eer zal men kakken in zijn hoed, / Dan dat ik u mijn ziel blootleg." Maar zijn vormvaste poëzie met ironie als geliefd stijlfiguur, zou louter spel geweest zijn, als niet de ernst van dat spel ook steeds door de regels heen zou schemeren.

Want waar ik heenga voel ik me niet thuis

En waar ik thuis ben wil ik telkens weg.

De grens wordt smal tussen geluk en kruis,

Steeds minder denk ik wat ik hardop zeg.

Het postuum verschenen 'Boemerang' werd misschien wel zijn kwetsbaarste bundel. Met de dood voor ogen schreef hij: "Vandaag heb ik besloten / Een man te zijn van niks en niemendal, / Een weerloos en inwisselbaar geval, / Zo bloot dat verder niets valt te ontbloten."

Op de laatste uitgave van die bundel kijkt een jonge Komrij met een melancholische blik de camera in. Ook voor hem steken we er een op.

Nog geen week na Gerrit Komrij overleed Rutger Kopland, een van de meest gelezen dichters van Nederland. Zo zag ik ooit in een restaurant een grote groep mensen aan een tafel zitten. Mannen en vrouwen van uiteenlopende leeftijd met allemaal eenzelfde boekje in hun hand: een dichtbundel van Rutger Kopland. Een van de mannen aan tafel was een groot Kopland-bewonderaar, zo bleek, en die liefde wilde hij graag met zijn tafelgenoten delen.

Ken je het verlangen naar een sigaret

naar die gelukkige tijd dat je nog rookte?

Niemand begrijpt dat verlangen behalve ik.

Ik herinner mij iemand die altijd

als ik iets zei dat ze niet begreep

antwoordde: op zich is dit heel intrigerend.

En ik herinner mij ook dat ik dan

die uitspraak een aantal malen

in mijn hoofd moest herhalen:

op zich is dit heel intrigerend

totdat de betekenis verdampt was.

God kan ondoorgrondelijke dingen met ons doen

dankzij het feit dat hij niet bestaat

en zo kunnen ook ondoorgrondelijke dingen

worden beweerd dankzij het feit

dat ze nergens over gaan.

Sinds ik dit bedacht heb begrijp ik veel meer.

Het verlangen naar een sigaret is

het verlangen zelf.

Het geheim van Koplands poëzie is niet zo een-twee-drie te achterhalen. Deze regels ogen uiterst eenvoudig. Zoals in eigenlijk al zijn gedichten, stap je makkelijk binnen, meegevoerd door de kalme, pratende toon. Eenmaal in het gedicht vind je een natuurlijk soort rust - veel gedichten ontstaan al wandelend, of uitkijkend over een rivier, zittend op een bankje in de tuin - en kijk je met de dichter mee naar de kleine dingen waarover hij zich verwondert. Dingen die hij ziet, hoort, ervaart: "Je raapt een pop uit het gras / maar weet niet welk verdriet / het was dat je terugvindt."

Met hem word je overvallen door dat gevoel van weemoed. "Iedereen treft in mijn poëzie het verloren paradijs aan, het verlangen daarnaar." En ergens daar schuilt het raadsel dat maakt dat zoveel lezers zich thuis voelen in Koplands poëzie.

Anders dan Kopland, die veelal dichtbij huis bleef - Groningen, de Drentse Aa -, brak de in maart 2013 overleden Tsjêbbe Hettinga juist buiten de grenzen van zijn Friese geboortegrond. Zijn weidse, epische gedichten kregen wereldfaam. Want wie hem ooit hoorde voordragen, raakte in de ban van 'de Friese bard', zoals hij wel heette. Zijn regels zijn als rivieren, voortgestuwd door klank en ritme. Taferelen van vreemde kusten en verre, ruige havensteden doemen op, beelden van het Friese kustlandschap met hoge luchten, wind en zee drijven voorbij.Zeelicht ploegt het land en

De zielsverlaten laagte van

Deze geslagen kust wijst een dwaalwind

Juist de weg naar een groene tempelvloer onder

Een stoet van wolken op bedevaart

We steken er een voor hem op. En ook een voor Bernlef, die najaar 2012 overleed. Zijn vijftigjarig dichterschap was net gevierd met een dikke bloemlezing vol terloopse ontmoetingen met Zweden, de jazz, het duinlandschap, beeldende kunst. Hij hield, zoals hij in de jaren zestig deed, samen met vriend K. Schippers, de poëzie van het alledaagse levend, ongedwongen en beeldrijk.

Zoals schrijver en wiskundige Gerrit Krol - overleden in 2013 - nuchter liet zien dat er in de poëzie ook plaats was voor techniek en industrie:

De industrie is tevreden.

Op dezelfde manier als

de ganzen hier vooraan

doodstil naast hun

groene uitwerpselen

zitten op het gras en

het bewaken.

De zon schijnt.

het is heden.

Zo staan zeven pijpen

naast elkaar

en laten hun rook over de wereld gaan.

Is het gemis van zoveel grote dichters merkbaar? "Hoe nabij ik ook toesla, na een tijdje / lijk ik alweer verdwenen als altijd", tekende Menkveld op uit wat de mond van de dood zou kunnen zijn.

Na de eerste schok, gaat iedereen over tot de orde van de dag. Er verschijnt een verzameld werk, er worden nog een paar nagelaten verzen gevonden, en dan staan er alweer nieuwe dichters te rammelen aan de poorten van de poëzie. Bewegingen lijken niet meer zo nodig, voor alles is ruimte in de poëzie - is het niet bij uitgevers, dan toch op internet.

Maar een nieuwe Kouwenaar is er niet, Vroman zal niet vanuit een hiernamaals schrijven, Komrij's karakteristieke stem leest nooit meer 'Liefde'.

Ze liggen op elkaar, schurft op eczeem.

Je hoort de schilfers knappen. Roos stuift op.

Hun schedels glimmen als een diadeem.

Ze liefkoost teder zijn gezwollen krop.

Aan lezers is het om die grote oeuvres levend te houden.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden