Steeds weer dat verlangen naar schoonheid

Tijdens vakantie doe je andere dingen. Daarom dit keer niet over een boek maar over een schrijver. Over Marcel Proust. Fascinerend, inspirerend, troostrijk. Toch kom ik weer uit op geloof. Dat ligt niet aan Proust maar aan mij. Het bloed kruipt waar het niet kan.

In deel twee van ’In de schaduw van de bloeiende meisjes’, het tweede deel van Prousts’ grote werk ’Op zoek naar de verloren tijd’, reist de jonge Marcel per trein naar de badplaats Balbec. Het is vroeg in de ochtend als de boemel stopt bij een stationnetje tussen twee bergen. Er is alleen een wachthuisje naast het spoor. Uit het huisje komt een meisje met een melkkan. Door de weerschijn van het vroege ochtendlicht is haar gezicht purper. Rozer dan de hemel zelf. Marcel ziet haar en terstond wordt hij bevangen door een verlangen dat, schrijft hij, telkens in ons boven komt wanneer wij ons van schoonheid en geluk bewust worden.

In Balbec zal hij de zomer met zijn grootmoeder doorbrengen. Hij ziet er tegen op, maar dat wordt helemaal anders als hij op een middag, staande voor zijn hotel, een groep meisjes op zich ziet afkomen. Allemaal knap: „Edele en voorname voorbeelden van menselijke schoonheid.” Zonovergoten beelden aan een Griekse kust. Het leven dat hij tot nu toe geleid had, hield plotseling op zijn hele leven te zijn. Het was „alleen nog maar een klein gedeelte van de ruimte die voor mij lag, die ik hunkerde te betredendie uit het leven van deze meisjes bestonddie mij die voortzetting van het eigen ik beloofde, die wij geluk noemen”. Kun je de inslag van verliefdheid mooier beschrijven?

Een tijdje na de meisjes is hij op bezoek bij de schilder Elstir. Uit tegen de wand gezette schilderijen haalt hij een aquarel van een prachtige, jonge vrouw. Haar uitbundige schoonheid verrukt hem. Elstir zelf is er minder enthousiast over en bergt het portret snel weg als hij zijn vrouw hoort aankomen.

Proust vindt Elstirs vrouw nogal „huisbakken; ze had mooi kunnen zijn als ze twintig was geweest, met een os aan een touw in een Romeins landschap”. Later ontdekt hij in Elstirs latere mythologische werk een bepaald ideaal type schoonheid. Elstirs schildersleven stond ten dienste van dat ideaal. Steeds weer zocht hij het in bepaalde lijnen en arabesken weer te geven. Het ideaal leeft in zijn diepste innerlijk. Hij had het pas van afstand kunnen bekijken toen hij het verwezenlijkt zag in het lichaam van zijn vrouw. Wat een rust: zich neervlijen naast het Schone, dat hij tot dusverre uit zichzelf had moeten opdiepen.

Proust kent twee soorten schoonheid. De kleine schoonheid van het melkmeisje en de meisjes op de boulevard van Balbec. De grote schoonheid van mevrouw Elstir. Wie getroffen wordt door kleine schoonheid verliest zijn rust. Hij verlangt naar bezitten en zo lang hem dat onthouden wordt, is zijn leven onaf – en als hij het bezit, is de spanning voorbij. De onrust van de grote schoonheid is de onrust van de kunstenaar, die in ieder boek, muziekstuk of schilderij het ideaal probeert te bereiken – dat hem steeds weer ontsnapt.

Het is Prousts’ permanente onrust door de onverwachte confrontatie met schoonheid die me zo aanspreekt. Zoals met het melkmeisje in de vroege ochtend. Daarnaast is er het grote ideaal van schoonheid. Het zit in het binnenste van de kunstenaar. De toeschouwer herkent het in zijn schilderijen, of hoort het in een stuk muziek en wordt even boven zichzelf uitgetild.

Is het bij geloof anders? Aan de ene kant God, de ’grote Schoonheid’, diepste grond van ons bestaan, die tegelijkertijd mens is geworden en zich laat kennen, oplicht, door wat heiligen en religieuze virtuozen van Hem laten zien. En anderzijds de kleine ontmoetingen die het hart onrustig maken als we in liefde ons voor de ander openstellen.

Proust kent geen absolute idealen. Elstir zoekt zijn leven lang. De ene na de andere verliefdheid drijft hemzelf van de ene onrust naar de andere. Nooit rust. Hoe kan het anders? Een mens is geen gebouw „waaraan van buitenaf stenen zijn toe te voegen, maar eerder een boom die uit zijn eigen sap de volgende knoest van zijn tak haalt”.

Knoesten maken in jezelf. Dat doet pijn.

Marcel Proust, Op zoek naar de verloren tijd. Zeven delen. In Nederland uitgegeven door De Bezige Bij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden