Steeds met ruimte voor de fantasie van het kind

Ze horen bij ieder kinderleven: Beertje Pippeloentje, Monkie en Rintje. Maar hun tekenaars voelden zich zelf op de kunstacademie al met dedain behandeld. De schrijver van het boek gaat immers altijd met de eer strijken. Deze Kinderboekenweek spelen de tekenaars een keer de hoofdrol.

Nederlandse illustratoren zijn geliefd, maar niemand kent ze. Ze lijken schuil te gaan achter de dierbare figuren die onze kindertijd begeleiden: Nijntje, Kikker, Jip en Janneke, Monkie, het beertje Pippeloentje, Madelief, Rintje, Superguppie. Want hoewel Dick Bruna (van Nijntje) en Max Velthuijs (van Kikker) ook buiten de wereld van het kinderboek wel bekend zijn, is dat nauwelijks het geval met tekenaars van vergelijkbaar statuur, zoals als Thé Tjong-Khing, Annemarie van Haeringen of Harrie Geelen. En zelfs binnen ’het wereldje’ is sprake van discriminatie: nog steeds krijgen schrijvers voor hun kinderboeken méér geld dan de illustratoren en is er pas sinds 2007 een oeuvreprijs, zoals die voor auteurs al sinds de jaren zestig bestaat.

Soms nemen de tekenaars wel even wraak. Zo zetten Thé Tjong- Khing en Charlotte Dematons de schrijver al buitenspel met hun woordloze prentenboeken ’Waar is de taart’, ’De gele ballon’ en ’Sinterklaas’. Maar zulke acties lossen het onderliggende probleem niet op: de illustrator wordt in Nederland nog vaak gezien als minder relevant hulpje van zowel de letteren als de kunst. En dat idee zit verrassend diep.

Dat in protestant Nederland van oudsher al een zeker wantrouwen leeft tegen het beeld, is genoegzaam bekend. Maar zonder de beeldenstorm er weer bij te halen, kun je al zeggen dat het illusteren van kinderboeken zo'n honderd jaar geleden nog regelmatig op bezwaren stuitte. In haar boek ’Getekend, Hans Christiaan Andersen’ herinnert Saskia de Bodt eraan dat juist vooruitstrevende schrijvers als Nienke van Hichtum (van ’Afke's tiental’) hun boeken liever niet lieten illustreren, omdat de verbeeldingskracht van het kind erdoor zou worden aangetast.

Heel vreemd is die gedachte nog steeds niet. Want stel, je leest ’Kees de Jongen’, of het Kinderboekenweekgeschenk ’Mees Kees - In de Gloria’, dan zou een expliciete tekening van Kees jouw beeld van hem inderdaad kunnen wegdrukken. Is het wonder van het lezen niet juist, dat iedereen zijn of haar eigen beeldbank kan aanspreken om zich personages en locaties in de allerindividueelste geuren en kleuren voor te stellen?

Misschien, maar het zou ons moeten geruststellen dat de tekenaars zelf zich zo extreem goed bewust zijn van het probleem. Dat valt althans op te maken uit een nieuw, prachtig uitgegeven boek, ’Tekenaars’ van Joukje Akveld, waarin negentien Nederlandse illustratoren uitgebreid aan het woord komen. Ondanks alle verschillen lijken ze erop gebrand te benadrukken dat hún werk niets voorkauwt. Zo verklaart grand old man Dick Bruna uit dat de simpele belijning van Nijntje ‘ruimte laat voor de fantasie van kinderen’. Ingrid en Dieter Schubert vinden dat ’wat in de tekst staat, niet ook nog eens verbeeld hoeft te worden’. En Joke van Leeuwen legt uit dat je ruimte moet laten voor de verbeelding, ’want de lezer moet er zelf ook nog tussen passen’. Interessant is ook het verhaal van de inmiddels hoogbejaarde Mance Post. Haar realistische tekeningen (voor onder meer Guus Kuijers ’Madelief’) werden nooit erg hoog aangeslagen. Pas toen haar ogen achteruitgingen en ze zich noodgedwongen toelegde op grovere houtsneden (bij Toon Tellegens dierverhalen), viel ze in de prijzen. Leefde bij de jury’s ook de gedachte dat realisme de kinderfantasie belemmert?

Of die zorg terecht is, is zeer de vraag. Zeker is, dat kinderen zélf nogal dol zijn op gedetailleerde tekeningen. Waarom precies schijnt niemand precies te weten, al geven de interviews op de volgende pagina's wel een aantal interessante voorzetten. Maar belangrijker: we leven niet meer in de tijd van Nienke van Hichtum en dat geeft de illustrator een heel andere positie. Kinderen van nu hebben te maken met een opdringerige beeldcultuur van tv, youtube en ultrarealistische games, en ze kennen jeugdklassiekers als ’Kruimeltje’, ’Oorlogswinter’ en ’Kruistocht in Spijkerbroek’ waarschijnlijk eerder van de film dan van het boek. In dat klimaat vertegenwoordigt de tekening een oase aan artistieke vrijheid en verfijning. Tussen de tekeningen onderling én in samenspel met de tekst laten ze, realistisch of niet, altijd nog een zee aan ruimte voor de fantasie.

Terecht wordt dan ook vaak beweerd dat illustraties kinderen voorbereiden op de liefde voor kunst. Ze laten zien wat je kunt doen met een lijn, hoe kleur werkt op je gevoel, wat het effect is van een gewaagde compositie. In die zin rekken ze de fantasie en verbeeldingskracht juist op.

Wie weet hoezeer Nederlandse illustratoren zich verbonden voelen met de grote kunstenaars, kan dat alleen maar beamen. Harrie Geelen vindt inspiratie bij Pierre Bonnard, Thé Tjong-Khing bij Rembrandt en Picasso, Sieb Posthuma (van ’Rintje’) bij Andy Warhol, Daan Remmerts de Vries bij Matisse. En die schatplichtigheid onderstrepen ze ook nog graag met visuele verwijzingen naar bekende kunstwerken. Ted van Lieshout heeft daar al eens een mooi boek aan gewijd: ’Papieren Museum - De engel met twee neuzen’.

Toch is de vergelijking met de kunst voor velen ook een pijnlijk punt, want hoezeer de tekenaars ook houden van kunst, de kunst houdt niet zo erg van hén. Veel illustratoren die als begaafde jonge tekenaars op de kunstacademie terecht kwamen, voelden zich daar met enig dedain behandeld, zo blijkt uit ’Tekenaars’. Want al diende met name de Rietveld Academie jarenlang als kweekvijver van talent, de afdeling illustratie had er toch een lage status. Figuratief, verhalend, toegepast en vaak domweg móói werk stond en staat immers haaks op de idealen van de twintigste-eeuwse kunst, waarin autonomie en revolutionair elan hoog stonden aangeschreven.

Zo kampen tekenaars niet alleen met een licht beeldvijandige traditie, maar ook met kunstliefhebbers die de illustratie als een achtergebleven genre beschouwen. Ook dat roept soms een defensieve houding op. Zo verzekert Jan Jutte ons dat hij ’geen realist is’, ook al tekent hij figuratief. Hij vindt dat veel van zijn collega's in de negentiende eeuw zijn blijven hangen.

Maar zou dat niet juist de reden zijn dat de kinderboekillustraties ons zo dierbaar zijn? Tenslotte loopt de kunstliefde van veel mensen ook achter. Althans: het grote publiek voelt vaak een intense behoefte aan herkenbare, liefst ook mooie beelden. En heeft ouderwets ontzag voor tekenaars die dat wonder van herkenning met potlood of penseel tot stand brengen, en de grijze realiteit nét iets grappiger of sfeervoller maken dan die van nature is. Niet voor niets opent de publieksgerichte Rotterdamse Kunsthal binnenkort een tentoonstelling onder de titel ’Feest der herkenning’.

Het geïllustreerde kinderboek bevredigt een diepe behoefte aan ogentroost, die we buiten het kinderboek niet altijd durven bevredigen. Wat is er heerlijker dan je oog te laten dwalen over de gedetailleerde pakjesboot in Charlotte Dematons’ ’Sinterklaas’ om te smullen van de kleuren bij Harrie Geelen en Annemarie van Haeringen, en te lachen om de parmantige hondjes van Fleur van der Weel? Het kind legitimeert zulk genot, zulk gerechtvaardigd verlangen naar een mooiere, leukere wereld, naar smaakvol escapisme.

Toch vormt die escapistische kijkhonger van het publiek ook een gevaar, één waar jury's, uitgevers én recensenten een noodzakelijk tegenwicht moeten bieden. Want als we in het kinderboek alleen onze nostalgie projecteren, sluiten we al dat illustratietalent op in een al te nauwe, gouden kooi. Typerend is het geval van Marit Törnqvist. Met haar verrukkelijk knusse tekeningen bij ’Jij bent de liefste’ maakte ze zich buitengewoon geliefd bij ouders. Geen wonder: wie voert zichzelf en zijn kind niet graag binnen in deze heile Welt? Toch maakte diezelfde Törnqvist (met Toon Tellegen) ook een ánder prentenboek, ’Pikkuhenki’, waarbij ze uit een heel ander vaatje tapt: het is een visueel sterk, maar ook donker en dreigend boek, dat zich afspeelt in tsaristisch Rusland. Niet direct een verhaal dat veel volwassenen een kind cadeau zullen doen. Terecht kreeg ’Pikkuhenkie’ wel goede recensies en werd het bekroond met het Gouden Penseel. En dat is van groot belang, want zulke niet-commerciële instanties stimuleren tekenaars om hun héle palet aan te spreken: niet alleen dat waar wij, eventueel met een kind op schoot, het liefst bij wegdromen.

Tekenaars. Kinderboekillustratoren geportretteerd. Tekst Joukje Akveld. Fotografie Amber Beckers. Hoogland & Van Klaveren, Rotterdam. ISBN 9789089670557; 231 blz. 29,90

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden