Steeds die spanning tussen feit en fictie

De kunstenaar kan en mag zonder al te veel bezwaren historische feiten naar z'n hand zetten. Als hij of zij daar maar voor uitkomt. De vrijheid van de kunstenaar is onbeperkt. Sterker is het, historische feiten te combineren met fictie. Dan versterkt de fictie de feiten.

Aad Nuis

De lezers van deze pagina werden op 16 december opgeschrikt door een ingezonden brief die gehakt leek te maken van de historische betrouwbaarheid van de nieuwe opera van Andriessen en Greenaway, 'Writing to Vermeer'.

Op de keper beschouwd bleek de schade mee te vallen: de kritiek trof eerder de recensie in Trouw dan de opera zelf. Bovendien heeft alle door de briefschrijver als onhistorisch gelaakte narigheid (inundaties, rellen, moord, godsdienstige tegenstellingen) wel degelijk plaatsgevonden, alleen niet in ,,het laatste kwart van de 17de eeuw'' zoals de redacteur van Trouw schreef, maar in het rampjaar 1672. Drie jaar mis dus. En dat alles gebeurde niet in Delft, dat is waar, maar wel angstig dicht in de buurt. Als de krant er nooit erger naast zou zitten, zou dat, dunkt mij, reden zijn tot grote tevredenheid.

Maar als die opera zich inderdaad geheel had losgezongen van de historische feiten, zou dat dan erg zijn geweest? De literatuur, inclusief de opera- en theaterliteratuur, is vervuld van min of meer historische personages die figureren in geheel of gedeeltelijk verzonnen verhalen. Niemand die ervan opkijkt als een kunstenaar de vrijheid neemt om de historische waarheid geweld aan te doen als dat past in de waarheid van het kunstwerk. We hebben aan die vrijheid te veel te danken om er ooit afstand van te willen doen. Pas als het om geschiedenis van vandaag of gisteren gaat, wil er nog wel eens een modeontwerpster klagen als ze met behoud van naam en beroep tot romanpersonage wordt omgetoverd en vervolgens geschoffeerd door de schrijver in de gedaante van weer een ander romanpersonage. De vrijheid van de kunstenaar is onomstreden, maar is er misschien toch een grens aan, en waar ligt die dan?

Het zijn vragen die telkens weer opduiken, overal waar fraaie verhalen de suggestie van waarheid met zich meedragen: in historische of documentaire romans, theaterstukken, films, reportages, en ook in de geschiedschrijving zelf. De discussies erover lopen vaak nogal hoog op, zoals altijd als er absolute waarden op elkaar lijken te botsen, waarheid en vrijheid in dit geval. Nuttiger is het, zich te realiseren dat er bij zulke verhalen een noodzakelijke spanning is tussen de hang naar nauwkeurigheid en de kracht van de verbeelding. Die twee moeten een evenwicht vinden, en dat evenwicht kan zeer verschillend zijn.

Zelfs de wetenschappelijke geschiedschrijving is nooit louter nauwkeurigheid. Er moet altijd worden geselecteerd, geaccentueerd, gestructureerd. Zo'n structuur weerspiegelt een bepaalde visie, en als zo'n visie ook maar iets oorspronkelijks heeft, berust zij op verbeelding. Bij een historicus als Simon Schama bijvoorbeeld is dat verbeeldingselement zo sterk dat ik zijn omvangrijke studies over de Nederlandse geschiedenis, 'Patriots and Liberators', 'The Embarassment of Richess' en nu weer 'Rembrandt's Eyes' in één ruk uitlees, waarna ze als een coherent beeld in mijn geheugen achterblijven, ook als de details er weer uit verdwenen zijn.

Het is met hem zoals de recensent (Trouw, 30 oktober) naar aanleiding van dat laatste boek schreef: ,,Zo veel eruditie, zo veel verbeeldingskracht, zo veel moed om onvermoede verbanden te leggen - het is fascinerend. Maar de twijfel moet ook stem krijgen ... Hij kan bijna alles wat hij tegenkomt voor zijn beeld gebruiken of onder een noemer brengen.'' En dus vraag je je af of zoveel verbeelding niet ten koste gaat van de gelijkberechtiging van de feiten, en dus van de nauwkeurigheid.

In de aanloop van zijn verhaal over Rubens en Rembrandt wijdt Schama een passage aan de strijd tussen kardinaal Granvelle en Willem van Oranje. Het blijft bij hem voornamelijk een herenintrige, een strijd om de macht tussen oude en nieuwe heersers. De terreur, de onderdrukking, de brandstapels van de inquisitie komen nauwelijks aan de orde. Toevallig had ik net een verhaal gelezen waarin dezelfde periode juist vanuit dát gezichtspunt wordt behandeld, en waarin Granvelle zelfs een 'Reichskommissar' wordt genoemd.

Ook dat verhaal gaat toevallig vooral over een schilder, Pieter Breugel de Oude, en overigens is het als geschiedschrijving nog minder conventioneel dan de boeken van Schama. Het is namelijk onderdeel van een roman, een komische thriller nog wel: 'Headlong' van Michael Frayn, waarmee hij dit jaar bijna de Booker Prize won. De twee versies doen in beeldende kracht niet voor elkaar onder, zijn niet in strijd met wat we over de feiten weten en vullen elkaar mooi aan in hun complementaire eenzijdigheid. Bovendien misleiden ze de lezer niet, want ze missen de pretentie van zorgvuldig afgewogen objectiviteit.

Zoals uit dit voorbeeld al blijkt, is er een geleidelijke overgang tussen het met vaart en visie geschreven geschiedverhaal of de actuele documentaire, de non-fictie dus, en de onverbloemde fictie die gebruik maakt van herkenbare elementen uit de historie en de actualiteit. Steeds is er de spanning tussen nauwkeurigheid en verbeelding, tussen de getrouwe weergave van de feiten en de kracht van de visie, ook al verschilt de dosering, en al zal de non-fictie eerder op het eerste en de fictie op het tweede worden beoordeeld. Allerlei mengvormen van waarheid en verdichtsel zijn mogelijk en kunnen fraaie en verhelderende resultaten opleveren. Wel is van belang dat er daarbij open kaart wordt gespeeld. Een interviewer die gesprekken met bestaande personen uit zijn duim zuigt, een documentairemaker die wat waar zou kunnen zijn uitgeeft voor wat waar is, een actualiteitenrubriek die een mengsel van oude koek en vage geruchten opblaast tot de onthulling van het jaar, kunnen zich evenmin op het hoge goed van de artistieke vrijheid beroepen als de meer alledaagse leden van de firma list en bedrog.

Wie van het begin af aan duidelijk maakt dat zijn verhaal, hoezeer ook trouw aan de waarheid van de schrijver, in wezen fictie is, bespaart zichzelf en zijn lezer in elk geval die valkuil. Wel kan hij nog ter verantwoording worden geroepen als hij een van zijn fictieve personages de identiteit van een bestaand persoon toedicht en die persoon daar aantoonbaar schade door ondervindt. Voor het overige mag hij verzinnen wat hij wil.

De spanning tussen nauwkeurigheid en verbeelding is een creatieve kracht, die verloren gaat als één pool wordt uitgeschakeld. Wie zich vrijwillig onderwerpt aan de beperking die de feiten bieden en toch zijn visie realiseert, bereikt meestal een sterker resultaat dan wie de feiten willekeurig naar zijn hand zet. Michael Frayn levert opnieuw een recent voorbeeld van het eerste, nu als toneelschrijver. Zijn stuk Kopenhagen, gespeeld door het Noord Nederlands Toneel, gaat over het dilemma van theoretisch natuurkundigen in de Tweede Wereldoorlog bij de ontwikkeling van het atoomwapen. Het is een helder, diepzinnig en geestig stuk, waarin twee geleerden en de vrouw van één van hen in de rol van intelligente aangever, het probleem om en om keren en telkens in een ander licht zetten. Het zou een sterk stuk zijn geweest als het louter fictie was, maar het is nog veel sterker doordat het geheel in overeenstemming is met de bekende feiten. De personages heten niet alleen Bohr en Heisenberg, ze gedragen zich ook zo. Hun raadselachtige ontmoeting in Kopenhagen, die de kern van het stuk vormt, heeft werkelijk zo plaats gevonden, hun gesprekken zijn nergens in strijd met wat we van hen weten. Zelfs de natuurkunde klopt, zoals mij werd verzekerd door een hooggeleerde vakgenoot van de personages. Het dramatische effect van de onzekerheid in het hart van het stuk wordt groter door al die kleine nauwkeurigheden. Frayn laat er zich gewillig door inperken, en toont daarin zijn meesterschap.

Om terug te keren naar 'Writing to Vermeer': die opera gaat over vrouwen die met alledaagse leeuwinnenmoed de serene sfeer van het intieme leven verdedigen tegen het rumoer, de chaos en de dreiging uit de buitenwereld. Het thema is bepaald niet tijdgebonden; we hadden Greenaway niet echt iets kwalijk kunnen nemen als hij Vermeers vrouwen, om dat tijdloze te benadrukken, ook nog wat twintigste-eeuwse gruwelen had laten opdweilen. In plaats daarvan heeft hij zich in de fictie van zijn libretto wel degelijk gehouden aan de context van de tijd van Vermeer, en ik denk dat hij daar goed aan heeft gedaan. Door die beperking is hij in de buurt gebleven van Vermeer zelf, die als geen ander door nauwgezette trouw aan het detail een onaantastbaar eigen verbeeldingswereld heeft opgebouwd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden