'Status nationaal park voegt niks toe' Werkgroep ziet liever minder beheer Groote Peel

Op de grens van Brabant en Limburg strekte zich, van Grave tot Weert, in vroeger eeuwen een ontoegankelijk hoogveengebied van zo'n dertigduizend hectare uit. Het veen ontstond na de laatste IJstijd, tienduizend jaar voor het begin van onze jaartelling, toen de temperatuur op aarde steeg en de ijskappen smolten. Het veenpakket bereikte uiteindelijk op sommige plaatsen een dikte van vijf tot zes meter.

HANS SCHMIT

Van dit zompige, nauwelijks te betreden, want zeer verradelijke moeras zijn heden ten dage nog maar enkele restanten over. Gedroogd veen is een goede brandstof, dus werd eeuwenlang langs de randen turf gestoken om fornuis en kachel brandende te houden. Vanaf de vorige eeuw werd het veen in de Peel steeds systematischer en grootschaliger afgegraven en vervolgens ten behoeve van de landbouw ontgonnen. Hoewel de betekenis van turf als brandstof in de loop van deze eeuw sterk afnam, ging de winning van 'het zwarte goud' tot in de jaren zeventig door, met als voornaamste afzetgebied de tuinbouw. Dat niet de hele Peel aan spade en dragline ten onder is gegaan, is te danken aan de harde wetten van de economie. Wat nog rest, was niet meer rendabel te exploiteren. Daarom liggen er in het Peelgebied nog drie hoogveengebieden van zo'n duizend hectare: de Groote Peel, Mariapeel en Deurnese Peel. Met geeigend ceremonieel kreeg vorige week de eerste, 1300 hectare groot, door staatssecreatris Gabor van natuurbeheer de status van nationaal park opgespeld. De Groote Peel is het vierde natuurgebied dat de afgelopen jaren deze eer ten deel is gevallen. Schiermonnikoog (1989), het Dwingelderveld (1991) en De Weerribben (1992) gingen voor. Daarnaast telt Nederland nog twee nationale parken uit de jaren dertig: de Hoge Veluwe en de Veluwezoom.

Het is de bedoeling van staatssecretaris Gabor het aantal nationale parken (waarvoor de Internationale unie voor natuurbescherming, IUCN, een wereldwijd toepasbare begripsomschrijving heeft gemaakt) de komende tien jaar uit te breiden tot 14 a 16. Dat de Groote Peel op grond van zijn natuurwaarden tot nationaal park is verheven, zal niemand willen aanvechten. Want die waarden zijn buitengewoon groot. Het is een van de vogelrijkste gebieden van WestEuropa, waar zich ieder najaar vele duizenden trekvogels verzamelen, waaronder ganzen, eenden en kraanvogels.

Tot de 95 soorten broedvogels behoren onder meer blauwborst, grutto, rietgors en wulp. Daarnaast is de Groote Peel bijzonder voedselarm, iets dat in het overbemeste Nederland bijna niet meer voorkomt. Dit komt onder meer tot uiting in de vegetatie: er groeien zeldzame planten als de vleesetende zonnedauw, klokjesgentiaan, veenpluis en lavendelheide. In mei 1991 echter werd op zeven plaatsen brand gesticht, waarbij een zesde deel van het gebied verkoolde. Door de brand kreeg de Groote Peel een mineralen-injectie van jewelste en kon het pijpestrootje oprukken, ten koste van de oorspronkelijke vegetatie. Staatsbosbeheer heeft runderen ingeschaard om het pijpestrootje een halt toe te roepen en het gebied weer te verschralen.

Moederplant Op enkele plaatsen in de Groote Peel groeit nog steeds veenmos: een klein plantje dat van onderen afsterft en doorgroeit op de eigen resten, alles overgroeiend, en daarom ook wel de 'moederplant' van het hoogveen genoemd. Voorts is het hoogveen een archief van hoge wetenschappelijke waarde. Veen groeit een millimeter per jaar; een laagje van een centimeter, dat een halve meter onder de rand van het veen zit, is zo'n vijfhonderd jaar geleden in een periode van tien jaar ontstaan.

Het bevat onder meer stuifmeelpollen die informatie kunnen opleveren over klimaat, vochtigheid, temperatuur en andere zaken uit die tijd. De noodzaak de Groote Peel te beschermen, is dus boven alle twijfel verheven. Dat resulteerde al in de jaren tachtig tot de aanwijzing van de Groote Peel als wetland in het internationale verdrag voor de bescherming van waardevolle waterrijke gebieden, en als speciale beschermingszone volgens de Europese vogelrichtlijn. In 1990 kreeg het de status van beschermd natuurmonument op grond van de Natuurbeschermingswet. Blijft de vraag welke extra waarde de aanwijzing tot nationaal park heeft. Geen enkele, meent Frans Swinkels van de Werkgroep Behoud de Peel: “De status nationaal park voegt niets toe. Het betekent dat er meer geld komt voor beheer, recreatie, educatie en onderzoek, en daar kun je wel wat vraagtekens achter zetten. In ieder geval zien wij liever minder beheer dan meer beheer.” Bovendien heeft de aankondiging dat de Groote Peel nationaal park zou worden, ook aanwijsbaar negatieve effecten gehad.

Nadat in 1985 het gebied op de lijst van nationale parken in oprichting werd geplaatst, begonnen de agrariers rond de Groote Peel in versneld tempo hun gronden te ontwateren en drainages aan te leggen. Frans Swinkels: “In 1985 waren in een straal van twee kilometer rond de Groote Peel slechts enkele procenten van de gronden gedraineerd. Drie jaar nadat het nationaal park in oprichting werd, was dit percentage al opgelopen tot 38, met name aan de Brabantse kant. Onze werkgroep heeft in 1984 al aangedrongen op een hydrologische bufferzone, maar de toenmalige minister van landbouw, Braks, voelde daar niets voor. Pas eind 1990 werd de Groote Peel onder de werking van de Natuurbeschermingswet gebracht, waardoor binnen een straal van twee kilometer activiteiten als drainage en beregening aan een vergunning werden gebonden. Maar het meeste kwaad was toen al geschied.”

Water is het bloed van de Peel: als de Peel niet nat blijft, verteert het veen en maakt het plaats voor bos. Omdat de Groote Peel hoger ligt dan de omgeving, loopt bij drainage van de direct tegen het natuurgebied aangelegen landbouwgronden het water weg. Om deze negatieve effecten te bestrijden, heeft het waterschap De Aa samen met het waterschap Midden-Limburg een plan laten opstellen voor een zo goed mogelijk waterbeheer. Uitgangspunt daarbij is de beperking van het wegzijgen van water, waardoor de verdroging afneemt. Het plan, dat onder meer voorziet in het graven van verbindingssloten die watertoevoer en een beter peilbeheer mogelijk maken, houdt tegelijkertijd ook rekening met het landbouwkundig belang. De Werkgroep Behoud de Peel heeft weinig goede woorden over voor het plan. Frans Swinkels: “Het plan kost, exclusief de inbreng van Rijkswaterstaat, twaalf miljoen gulden, terwijl de exploitatie nog eens een miljoen gulden per jaar vergt. Om verdroging tegen te gaan, heb je een bufferzone naar het agrarische gebied nodig. De grens tussen het natuurgebied en de landbouwgronden is door het historische ontginningspatroon messcherp, of zoals wij zeggen: maisscherp.

Dat geld om water aan te voeren, kun je beter gebruiken om landbouwgronden aan te kopen voor de bufferzone. Dan werk je aan een duurzame oplossing. In eerste instantie kun je je bij de aankoop richten op gronden langs de beekdalen.'' Staatsbosbeheer werkt al enige tijd aan een geleidelijke overgang door gronden onder de Relatienota te brengen, waarbij agrariers tegen een vergoeding beperkingen in de bedrijfsvoering accepteren. Ook worden in de overgangszone gronden gekocht die worden geextensiveerd. Aan de Limburgse kant, waar het cultuurlandschap ouder is, werkt dit instrument beter dan aan de Brabantse kant, waar de grond goed is verkaveld en de boerderijen dicht tegen de Peel aanliggen.

Swinkels: “Daar biedt de Relatienota geen oplossing. Toepassing van de bergboerenregeling behoort tot de mogelijkheden. Ook kun je de grond van bedrijven die stoppen, verdelen onder andere, die daardoor kunnen extensiveren. En je kunt af en toe gronden kopen, die pal aan het natuurgebied grenzen.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden