STATENLOOS STRIJDEN VOOR DEMOCRATIE

Bronnen: 'En gij... Wat deed gij voor Spanje? Nederlanders en de Spaanse Burgeroorlog 1936-1939', in 1992 uitgegeven door het Verzetsmuseum Amsterdam, ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling. Overige geraadpleegde boeken: Hans Dankaart e.a.: 'De oorlog begon in Spanje. Nederlanders in de Spaanse burgeroorlog 1936-1939'. Van Gennep, 1986. Rudolf de Jong: 'De Spaanse Burgeroorlog'. Bert Bakker, 1963. Hugh Thomas: 'The Spanish Civil War'. Penguin Books, 1977. Zestig jaar geleden werden de Interbrigadisten opgericht, die in Spanje de - naar later bleek vergeefse - strijd aangingen met generaal Franco. Tien Nederlandse oud-Spanjestrijders doen vanaf maandag mee aan herdenkingen in Spanje, waar zij 'voor altijd zouden worden beschouwd als Spanjaarden'. Een warmer onthaal dan destijds bij hun terugkeer in Nederland.

De roerige gebeurtenissen in Spanje vinden meestal een plaatsje achterin de krant. Zo is de oprichting van het Volksfront en de gigantische overwinning van de socialisten, republikeinen, communisten, anarchisten en Baskische en Catalaanse separatisten, die zich in het Volksfront verenigden, bij de parlementsverkiezingen van februari 1936 nauwelijks voorpaginanieuws.

Zelfs de putch van generaal Franco en zijn militairen vanuit Spaans-Marokko tegen de nieuwe republikeinse regering, op 17 juli, moet qua nieuwswaarde in Nederlandse kranten wedijveren met berichten als het van kracht worden van de vereenvoudigde Nederlands(ch)e spelling. Pas als Duitse en Italiaanse vliegtuigen de Franco-troepen naar het vasteland hebben overgevlogen en de gevechten in Zuid-Spanje begonnen zijn, dringt het tot de wereld door dat in Spanje een burgeroorlog is uitgebroken. Een burgeroorlog die tweeëneenhalf jaar zou duren en de opmaat - voor Duitsland en Italië zelfs de generale repetitie - zou blijken voor de Tweede Wereldoorlog.

Vooral de CPN-krant De Tribune besteedde vanaf het begin ruim aandacht aan de gebeurtenissen in Spanje. De Tribune zag de opstand van Franco als 'een goed voorbereide actie van fascisten tegen de ontplooiing van de democratische revolutie in Spanje, een actie die mede is voorbereid in fascistisch Italië en Duitsland'.

De krant liet zich in augustus 1936 lovend uit over het Franse voorstel tot 'non-interventie', omdat men hiervan verwachtte dat de buitenlandse steun aan Franco gestopt zou worden. Toen die echter doorging, pleitten Tribune en CPN in september 1936 voor buitenlandse steun aan de republiek. De sociaal-democratische SDAP en haar spreekbuis Het Volk zagen de burgeroorlog weliswaar als een strijd van de wettige Spaanse regering tegen de fascisten, maar spraken zich - met de Nederlandse regering - uit tegen militaire steun aan de republiek en dus voor de politiek van niet-inmenging. Men beschouwde de burgeroorlog als een 'binnenlandse aangelegenheid'. Toen de 'non-interventie' in het nadeel van de republiek bleek te werken, ging de SDAP steeds meer twijfelen, maar pas in maart 1938 wees zij de neutraliteitspolitiek geheel af.

De katholieke 'zuil' in Nederland was eensgezind in haar afkeer van het 'oprukkend communisme' in Spanje en derhalve in haar steun aan Franco. In navolging van paus Pius XI, die aan het begin van de burgeroorlog verkondigde dat 'de christelijke beschaving dodelijk werd bedreigd door de barbarij van het communisme' en dat 'de opstandelingen van Franco voor de goede zaak streden', beschouwden kranten als de Volkskrant en De Maasbode Franco vooral als verdediger van het katholieke geloof.

In protestantse kring was men weinig betrokken bij de strijd in Spanje. De regeringspartijen ARP en CHU besteedden er dan ook weinig aandacht aan. Het met de ARP verbonden dagblad De Standaard zag de oorlog als een conflict tussen twee dictaturen: het communisme en het fascisme. Desondanks koos deze krant eind 1936 de kant van Franco als 'de minste van twee kwaden'.

Ook de conservatieve liberale staatspartij De Vrijheidsbond had, hoewel fel anti-communistisch, weinig aandacht voor de gebeurtenissen in Spanje. De wat linksere liberale Vrijzinnig Democratische Bond beschouwde beide strijdende partijen als 'extremisten', maar koos in september '36 toch voor de democratisch gekozen, republikeinse regering. Het liberale dagblad NRC was voorstander van de non-interventie-politiek en het Handelsblad was, vanwege 'de dreiging van een Sovjet-Spanje' voor Franco, zij het niet van harte. De Telegraaf koos openlijk de kant van Franco.

In dit verzuilde klimaat schaarden zich, behalve de CPN, vooral kunstenaars achter de republiek. Schrijvers als Lou Lichtveld/Albert Helman, Jef Last, Johan Brouwer en Anton Constandse verbleven korte of langere tijd in Spanje en schreven boeken, brochures en artikelen over de strijd. De Bond van Kunstenaars ter Verdediging van de Kulturele Rechten organiseerde geregeld manifestaties waarvan de opbrengst bestemd was voor de republiek. Cineast Joris Ivens maakte de documentaire 'Spaanse Aarde', met medewerking van Orson Welles en Ernest Hemingway, die het commentaar schreef en insprak. De film ging in juli 1937 in Hollywood in wereldpremière, maar was geen succes, ondanks de 'warme aanbeveling' van presidentsvrouw Eleanor Roosevelt. In Nederland mocht de film pas vertoond worden nadat fragmenten met Duitse vliegtuigen met hakenkruisen eruit gehaald waren.

De communistische hulporganisatie Nederlandse Rode Hulp (NRH) begon meteen na het begin van de burgeroorlog met het inzamelen van geld. Een half jaar later was al 20 000 gulden binnen. De NRH had al ruime ervaring met acties als voor de in Amerika terdoodveroordeelde anarchisten Sacco en Vanzetti en vooral met de hulp aan politieke en joodse vluchtelingen uit Hitler-Duitsland.

Omdat de communistische signatuur van de Rode Hulp voor andere groeperingen een probleem was, sloten de leden zich in de loop van 1937 aan bij de niet-partijgebonden commissie Hulp aan Spanje. Die riep artsen en verpleegsters op naar Spanje te gaan en natuurlijk werd geld ingezameld, waarvan medicijnen, medische apparatuur, kleding, levensmiddelen en rookwaren werden verstuurd.

Overigens werden activiteiten van Hulp aan Spanje meermalen door Nederlandse autoriteiten gedwarsboomd. Zo werd een Spaanse priester die op een bijeenkomst zou spreken Nederland uitgezet wegens 'politieke activiteiten', werden collectes verboden en moest tijdens een collecte in Hilversum het woord 'Republica', dat op een ambulance was geschilderd, afgedekt worden.

De Nederlandse regering hield intussen krampachtig vast aan de politiek van non-interventie en was er dan ook fel op tegen dat mensen vrijwillig naar Spanje gingen. Omdat het vechten in Spanje op basis van de wet niet verboden kon worden, maakte de regering bekend dat men daarmee zijn Nederlanderschap zou verliezen. Uit te geven paspoorten werden met een stempel ongeldig gemaakt voor Spanje. Toen dat niet het beoogde effect had, kwam het kabinet in 1937 met een wet die het werven van vrijwilligers voor Spanje en het in vreemde krijgsdienst treden strafbaar stelde. Op grond van deze wet begon men een actief opsporings- en vervolgingsbeleid.

Het overgrote deel van de naar schatting zeshonderd Nederlandse Spanjestrijders zat toen al lang in Spanje. Leo Klatser had ook meteen na het begin van de burgeroorlog naar Spanje willen vertrekken. Hij was in 1936 twintig jaar en al enige tijd actief in de communistische jeugdbeweging, waar hij bevriend raakte met Emiel van Moerkerken. Diens vader, directeur van de Amsterdamse academie voor beeldende kunsten, bevorderde zijn culturele interesse. Evenals zijn eigen vader. “Die had gewerkt in de bibliotheek van de diamantbewerkersbond ANDB en was min of meer 'opgevoed' door ANDB-voorman Henri Polak.”

“Politiek gezien had in die periode de oude Van het Reve (de vader van Gerard en Karel, A.L.) grote invloed op me. Ik werkte bij hem op het kantoor van de Vereniging van Vrienden van de Sovjet-Unie. Daarnaast was ik werkzaam bij de Internationale Film Onderneming, waarvan Joris Ivens directeur was. Samen met Emiel van Moerkerken werkte ik daar aan de CPN-verkiezingsfilm 'Land in Zicht'. Ik kon pas naar Spanje toen die film in april 1937 af was.”

“Hoe ik daar naar toe ging? Gewoon, met de trein. Het was het jaar van de Wereldtentoonstelling in Parijs en daarom kon je naar Frankrijk reizen met alleen een toeristenkaart. We waren met een man of twintig uit Nederland. Nee, die kende ik niet, maar de band was er al voordat je elkaar kende. Je had dezelfde achtergrond, een beetje of helemaal, en ging hetzelfde doen. In Parijs werden we opgevangen op het kantoor van de vakbond en bleven we een paar dagen. Van daar ging het met lokale treintjes, eerst naar Lyon en later naar Sete, vlakbij Marseille. Daar gingen we aan boord van een zeilschip, een driemaster-bark, met mensen van alle mogelijke nationaliteiten.”

Vanuit Figueras reisden zij per trein naar Barcelona, waar zij een paar dagen bleven en toen naar Albacete, waar de meeste vrijwilligers hun militaire basistraining kregen. Daar werden zij ingelijfd bij de Internationale Brigades, na het uitspreken van de plechtige verklaring: 'Voor de vrijheid van Spanje, de vrijheid van de wereld'.

De Internationale Brigades waren in oktober 1936 opgericht op initiatief van de Komintern, de overkoepelende organisatie van communistische partijen. In totaal vochten in die brigades zo'n 35 000 mensen uit 54 verschillende landen. De meesten kwamen uit Europa - met name uit Frankrijk - en uit Amerika, maar er waren er ook uit Afrika, India en China en lang niet allemaal waren ze communistisch. De ongeveer 600 Nederlandse Interbrigadisten werden vooral ondergebracht bij de Duitstalige Elfde brigade, beter bekend als de Thülmann-brigade. Daarnaast gingen uit Nederland ruim twintig verpleegsters en drie artsen naar Spanje.

Ook Leo Klatser kreeg zijn training in Albacete, “voorzover er sprake was van een geregelde training. Daarna kreeg ik in Madrigueras een vervolgtraining van een week of drie, vier. Wie die training gaven? In mijn geval was dat een afdelingschef van de Bijenkorf. Dat was een hele goede, een Duitse emigrant die in de Eerste Wereldoorlog officier in het Duitse leger was geweest. Op een gegeven moment kwamen er vrachtauto's binnenrijden en moesten we aantreden. Als je naam werd opgelezen moest je aan boord van een vrachtwagen. 'Jij gaat niet mee', klonk het. De volgende dag kwam een Nederlandse kaderchef me halen in een privé-auto. Bleek dat ik in Albacete als fotograaf werd ingezet. Daar stond ik dan met m'n militaire opleiding.”

Klatser werd als fotograaf ingezet op de historische afdeling waar men begonnen was de geschiedenis van de Internationale Brigades vast te leggen in woord en beeld. Medewerkers van die afdeling zaten overal in Spanje bij de Brigades aan het front. Het materiaal dat zij verzamelden, ging naar de centrale in Albacete, waar het bewerkt en opgeslagen werd. “Ik kreeg een Leica in m'n handen gedrukt en moest plaatjes maken op de verschillende plaatsen waar Interbrigadisten werden opgeleid. Dat zinde me helemaal niet, want ik was niet gekomen om dit soort dingen te doen. Begin juli 1937 werd ik als fotograaf gedetacheerd bij de stafchef van de Elfde birgade, Ludwig Renn. In die hoedanigheid maakte ik het grote offensief bij Brunete mee. Natuurlijk zag ik daar vele doden en gewonden. Het was oorlog en het was ook de bedoeling om de tegenpartij dood te schieten. Toen het offensief afgelopen was, werd ik met Renn en nog een paar anderen in een auto geladen en vertrokken we naar Madrid waar een groot congres was met schrijvers en kunstenaars uit de hele wereld, 'ter verdediging van de cultuur'. Ik heb daar vooral foto's gemaakt van kunstenaars die in de Internationale Brigades dienden.” Terug in Albacete kreeg Klatser twee taken: pasfoto's maken van alle vrijwilligers voor hun militaire zakboekje en Interbrigadisten fotograferen die in de omgeving van Albacete opgeleid werden.

“Vervolgens werd ik weer naar school gestuurd voor een opleiding tot topograaf”, vertelt Leo Klatser. “Ik werd gedetacheerd bij de derde artilleriegroep en daar ben ik tot het einde gebleven. Ik had geen camera meer, wel een potloodje en millimeterpapier waarmee ik kaarten moest tekenen. Dat deed je gewoon, omdat het gedaan moest worden.” De foto's die hij maakte, heeft hij nooit meer gezien. Die zitten waarschijnlijk in een Russisch archief.

“Ik ben gebleven tot oktober 1938 toen de Internationale Brigades op last van de Volkenbond ontbonden werden. De meeste Nederlanders zaten in Catalonië en vertrokken gezamenlijk. Zij arriveerden op 5 december 1938 in Nederland. Wij zaten met een klein groepje in het zuiden en gingen per vrachtboot van Valencia naar Barcelona. De oorlog liep op z'n end, maar in Barcelona hebben we onszelf weer gemobiliseerd om de aftocht van de burgerbevolking richting Frankrijk te dekken.”

“Ikzelf kwam in Zuid-Frankrijk terecht, in Argeles-sur-Mer, in een interneringskamp met de zee aan de ene en door Fransen gespannen prikkeldraad aan de andere kant. Dat kamp zal vol met Spaanse burgers en soldaten. Ik werd daar ziek, kreeg geelzucht en het militaire ziekenhuis was zo smerig dat ik er schurft opliep. Toen ik er uitkwam, bleken de andere Nederlanders weg te zijn, door bemiddeling van de Amsterdamse wethouder De Miranda. Gelukkig hebben Franse communisten er toen voor gezorgd dat ik er wegkwam, met een vissersbootje.”

Na een lange tocht kwam Leo Klatser op Goede Vrijdag 1939 in Amsterdam aan. “Geen cent te makke en doodziek stond ik op het Centraal Station en vroeg op het politiebureau een paar centen voor de tram. Niemand, niks. 'Barst ook eigenlijk', dacht ik en stapte in een taxi naar het huis van m'n vader, die zonder een woord te zeggen de chauffeur betaalde. Diezelfde avond zorgde de arts Theo van Reemst, die ook in Spanje was geweest, ervoor dat ik in het ziekenhuis werd opgenomen. En ik was statenloos, ja. Maar ach, in bezettingstijd moest je juist helemaal geen papieren hebben om te reizen”, zegt Klatser droogjes. Hij kwam, zoals de meeste oud-Spanjestrijders, bijna automatisch in het verzet terecht.

Tien jaar geleden was Leo Klatser, met andere Interbrigadisten, ook al in Spanje, vijftig jaar na de oprichting van de Internationale Brigades. “Maar die ontvangst was niet echt officieel. Bovendien was het bar slecht georganiseerd door een Amerikaans reisbureau, waardoor er meer Amerikaanse toeristen dan Interbrigadisten waren.” Wel werden de Interbrigadisten ontvangen op het kantoor van de communistische partij, waar ze toegesproken werden door de legendarische La Pasionaria. Zij was het die, bijna vijftig jaar daarvoor, als leidster van de Spaanse communistische partij de Interbrigadisten bij hun vertrek uit Spanje in 1938 als volgt toesprak: “Jullie kunnen trots weggaan. Jullie zijn geschiedenis. Jullie zijn een legende. Wij zullen jullie niet vergeten. Kom terug. Na de overwinning van de Spaanse republiek.”

Achtenvijftig jaar later wordt dan eindelijk ook de belofte ingelost die de toenmalige Spaanse premier dr. Juan Negrín in 1938 deed bij het ontbinden van de Internationale Brigades: dat de Interbrigadisten 'voor altijd beschouwd zouden worden als Spanjaarden'. In november 1995 nam het Spaanse parlement unaniem een wetsvoorstel aan, dat in januari van dit jaar werd bekrachtigd: die Interbrigadisten die dat willen, kunnen de Spaanse nationaliteit krijgen. Dat zal hen plechtig worden meegedeeld bij de ontvangst, volgende week, in het Spaanse parlement.

Dat de nog 24 levende Nederlandse oud-Spanjestrijders, van wie er tien maandag naar Madrid reizen, van dat recht gebruik zullen maken, is niet waarschijnlijk. Daarvoor zouden zij namelijk afstand moeten doen van het Nederlanderschap en dat zijn ze lang genoeg kwijt geweest. Door het rabiate anticommunisme van opeenvolgende Nederlandse regeringen duurde het voor talloze oud-Spanjestrijders tot halverwege de jaren zestig voor zij de Nederlandse nationaliteit terugkregen die zij verloren door in Spanje voor de democratie te vechten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden