Starthek, eerste bult, racen en tot slot de opstap

bmx | Als Nederlandse fietscrossers niet naar Rio kunnen om aan de omstandigheden te wennen, dan wordt Rio wel naar de sporters gebracht. Speciaal voor de BMX-equipe werd op Papendal een replica van de Olympische baan aangelegd.

Als BMX'er Niek Kimmann op het acht meter hoge startpodium wordt weggeschoten, weet hij precies hoeveel omwentelingen hij op zijn kleine fietsje kan maken voordat hij bij de eerste bult is. Vierenhalf, waarmee hij een topsnelheid van zestig kilometer per uur haalt. Angst voor de heuvel die volgt heeft hij niet. Hij heeft het al duizenden malen gedaan.

Kimmann, twintig jaar, is de grootste Nederlandse troef bij de BMX-races in Rio. Als nummer één van de wereld is hij automatisch favoriet voor goud. Om hem en de andere vier BMX'ers in hun goudjacht te helpen, investeerde Papendal in een replica van de baan van Rio. Inmiddels een beproefd concept, want ook voor de Spelen van Londen in 2012 werd de baan nagebouwd. Boven verwachting veroverde Laura Smulders, destijds achttien jaar, daar verrassend brons.

Bondscoach Bas de Bever weet het daarom zeker: de kennis van de baan vergroot de kans op medailles behoorlijk. Dat een aantal bulldozers tonnen zand verplaatsten om een paar heuvels aan te leggen, vindt hij horen bij de Nederlandse topsportcultuur. Bovendien is het bijna een noodzaak in de voorbereiding: ook de Zwitsers, de Fransen en de Amerikanen bouwden (een deel van) het parcours na.

De track waarover geracet moet worden, is als een dertig seconden durende adrenalinekick. Vier lange stukken van honderd meter met ruim twintig bulten, waar de rijders met zijn achten tegelijk overheen crossen. Eén foutje en je ligt van de baan of, nog erger, in de lappenmand.

De Nederlandse equipe voor Rio (naast Kimmann bestaande uit Laura Smulders, Merle van Benthem, Twan van Gendt en Jelle van Gorkom) lieten de EK in juli schieten omdat ze vreesden voor blessures.

(Bijna) alles draait bij de fietscross om de start vanaf het acht meter hoge startpodium. Kimmann durft te zeggen dat de eerste meters voor 80 procent de uitkomst van de wedstrijd bepalen. Het startrecord op Papendal, de tijd tussen starthek en eerste bult, stond drie jaar op 2,50 seconden, gereden door Twan van Gendt. Pas deze zomer kwam Kimmann daar onderdoor. "Ik reed 2,47, maar met rugwind. Dat moet ik toch even zeggen."

Kimmann, die als kleine jongen begon op een baan die zijn vader in hun voortuin had aangelegd, vindt het 'superfijn' dat hij de eerste rechte lijn precies kent. Na de eerste viereneenhalve trap springen, vier keer trappen, springen, vier trappen en de bocht naar links in. "Daarop het hele jaar kunnen trainen, met bulten die precies hetzelfde zijn als in Rio, geeft een gigantisch voordeel. Al is het maar mentaal."

Dat erkent ook Laura Smulders. Ook al is ze pas 22 jaar, ze behoort in Rio tot de favorieten voor een medaille. Ze is de afgelopen jaren vooral technisch gegroeid is, zegt ze, maar bij de start kan het nog veel beter. De 'lachwekkende' start bij de Spelen in Londen, zoals ze zelf zegt, wil ze niet nog een keer meemaken. Om beter te worden deed ze af en toe met de mannen mee, om de stressfactor na te bootsen die ze in Rio gegarandeerd gaat meemaken.

Want voor Smulders geldt het helemaal: als zij voorop ligt, haalt bijna niemand haar in. Ze zegt onomwonden dat ze op de baan zelf de snelste is, helemaal in het technische gedeelte op het laatst, waar de bulten kleiner zijn. Hoe snel ze daar kan zijn, bleek uit haar overwinning tijdens de wereldbekerwedstrijd in Papendal in mei. Toen kwam ze van heel ver terug om met miniem verschil te winnen. Een kwestie van juiste druk op het voorwiel, maar vooral ook het goede landen. "Kom je op een stuk dat naar beneden loopt, dan neem je de snelheid mee."

Voordat de mannen bij de laatste rechte lijn zijn, moeten ze nog een beslissende hindernis nemen: de bult die kort aan het begin van de derde rechte lijn ligt, de zogenoemde opstap. Het is de enige plek waar je misschien even aan je rem moet zitten, aldus Kimmann. In plaats van vooruit springen de BMX'ers daar omhoog, van twee naar ongeveer zes meter.

Jelle van Gorkom rust ten tijde van het interview uit op een stoel bovenop die opstap. Hij wil best uitleggen waarom die bult zo'n 'rotding' is. "Je rijdt tegen een hoop zand op, waarbij je niet ziet waar je heen gaat. Dat is stressvol, want je moet je sprong goed indelen, zodat je precies op de slope landt en snelheid meeneemt."

Er werden veel trainingsuren geïnvesteerd in het onder de knie krijgen van de bult. Spring je te hoog, dan verlies je snelheid. Spring je te laag, dan sla je voorover. Van Gorkom: "De organisatoren hebben deze zomer die bult al aangepast omdat die te gevaarlijk was bij het neerkomen. Ik kan je garanderen dat daar ongelukken gebeuren."

Laura Smulders en Merle van Benthem hoeven niet over de opstap heen. Sterker nog, ze hebben eigenlijk op de start na niet heel veel aan het speciaal voor Rio verbouwde parcours. Het parcours voor de vrouwen loopt net iets anders dan dat voor de vrouwen en Papendal heeft zich voor het vrouwendeel gebaseerd op tekeningen die later in het jaar veranderd zijn. Smulders: "We springen over minder bulten heen en het parcours heeft een paar bulten minder. Geen probleem hoor, we moeten ons wel vaker in een paar uur een baan eigen maken. Dat houdt je ook scherp."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden