Stammenstrijd over fusie Grootste minderhedenorganisatie ziet weinig in plan Terpstra

AMSTERDAM - Zoveel allochtonengroepen, zoveel minderhedenloketten, gezamenlijk goed voor jaarlijks bijna 12 miljoen overheidssubsidie. Als het aan staatssecretaris E. Terpstra van VWS ligt, komt met ingang van 1 juli 1995 een einde aan de versnippering. Dan moeten de acht landelijke minderhedenorganisaties zijn gefuseerd tot één organisatie, zo schreef zij onlangs aan de betrokken organisaties.

SYTSKE VAN AALSUM; MARIANO SLUTZKY

Terpstra volgt met haar besluit het beleid van oud-minister D'Ancona van WVC: op haar initiatief onderzoekt de commissie Van Es in de zomer van 1992 de doelmatigheid van allochtonenorganisaties. Ze constateert twijfelachtige representativiteit van en gebrekkige coherentie tussen de 36 organisaties. Meer samenwerking is gewenst, aldus de commissie, die verder vindt dat er één organisatie zou moeten komen, maar de tijd nog niet rijp acht voor een fusie op korte termijn. Niettemin werkt D'Ancona gestaag verder aan een vergaande clustering van de landelijke minderhedenorganisaties.

Dat leidt uiteindelijk tot een voorstel tot fusie, waarbij de minister zich baseert op een organisatiemodel van het bureau Moret, Ernst & Young: doelgroepen, taakstelling en budgetten van de organisaties zouden ongewijzigd blijven. De acht overgebleven organisaties krijgen de mogelijkheid om een tegenvoorstel in te dienen, maar dat mislukt. April 1994 raakt het fusie-proces in een impasse: de partners worden het niet eens over de te volgend procedure.

Staatssecretaris Terpstra hakt begin oktober rigoreus de knoop door. Zij wil per 1 juli 1995 de subsidie stoppen aan de landelijke organisaties voor Surinamers (één voor hindoestanen en één algemeen), Antillianen, woonwagenbewoners, Mediterranen, Molukkers, het Landelijk steunpunt buitenlandse vrouwencentra en het Nederlands centrum buitenlanders (NCB). Per die datum wordt één organisatie opgericht. Het nieuwe bestuur - uit elke club één vertegenwoordiger - moet de nieuwe organisatie oprichten en inhoud geven, schrijft Terpstra aan de betrokkenen.

Zeven organisaties zijn 'redelijk enthousiast' en gaan akkoord. Zo niet het NCB, de grootste minderhedenorganisatie. Die wil wel fuseren, maar pas als er een goed plan op tafel ligt waarin zaken als een sociaal plan, huisvesting, financieel plan - er moet met bijna 2 miljoen gulden subsidie minder flink bezuinigd worden -, goed geregeld zijn. Als dat wordt overgelaten aan het nieuwe bestuur, zoals Terpstra wil, dan “zal dit ertoe leiden dat de tegenstellingen en de machtsstrijd die tot nu toe het fusie-proces hebben gefrusteerd in het nu te volgen traject worden voortgezet”, aldus het NCB. De andere fusiepartners delen die vrees niet.

Cultuuromslag Opmerkelijk is de cultuuromslag die bij de meeste minderhedenorganisaties heeft plaatsgevonden. Tot voor kort stonden ze bekend als klagende bastions waarvan het eigen voortbestaan een doel op zich was. De vrees de eigen identiteit te verliezen maakte de drang tot samenwerking met andere allochtonengroepen gering. Inmiddels is het besef doorgedrongen dat er tal van gemeenschappelijke problemen tezamen aangepakt kunnen worden.

Coördinator Radi Suudi van de overkoepelende Landelijke samenwerking van organisaties van buitenlandse arbeiders (LSOBA): “Werkloosheid, stigmatisering en huisvestingproblemen zijn problemen waar veel allochtonen, ongeacht de nationaliteit, mee te maken hebben. Om die knelpunten te bestrijden had er al lang één krachtige en dynamische organisatie moeten zijn. Bovendien, de nieuwkomers van tegenwoordig - Somaliërs, ex-Joegoslaven - hebben nog geen vaste plek in het minderhedenbeleid. Ze worden niet geholpen zolang wij in onze hokjesmentaliteit blijven denken.”

“Wij kunnen ons de luxe van versplintering eenvoudigweg niet permitteren”, zegt Ruud Metekohy van de Molukse koepelorganisatie Gabungan. “Eigenlijk is het onbegrijpelijk dat zoveel minderhedenorganisaties langs elkaar heen werken.” Harold Roseval, directeur van de Stichting landelijke federatie van Welzijnsorganisaties voor Surinamers: “Bovendien, door clustering wordt expertise bewaard en verrijkt.”

Roseval, Suudi en Metekohy zijn verrast door de hardnekkige weigering van het NCB om conform de meerderheid van de allochtonenorganisaties voort te gaan met de eenwording. Suudi: “In het begin van de gesprekken was de leiding van het NCB enthousiast over een fusie. Toen gaandeweg duidelijk werd dat er een nieuwe werkorganisatie zou worden opgezet en de andere organisaties niet eenvoudigweg door het NCB zouden worden overgenomen, bekoelde het enthousiasme van het NCB snel.” De lezing van NCB-directeur Ilhan Akèl is een andere. Het NCB, zegt hij, houdt juist vast aan eerdere en gezamenlijk gemaakte afspraken.

Groot struikelblok was ook de eis van het NCB voor een aparte afdeling voor Turken en Marokkanen binnen de nieuwe organisatie. De coördinator van LSOBA - die overigens naast Turkse en Marokkaanse, ook Italiaanse, ex-Joegoslavische, Koerdische en Kaapverdiaanse organisaties vertegenwoordigt - vindt het opkomen voor deelbelangen ongepast.

Suudi: “Tijdens de onderhandelingen deed iedere betrokken instelling haar best de eigen doelgroep niet te laten overheersen. Als een olifant in een porseleinkast kwam het NCB onverwachts met de eis voor afdelingen voor Turken en Marokkanen. Maar wij zouden liever het beschikbare budget zo doelmatig mogelijk voor de gehele Mediterrane groep inztten, met zo weinig versplintering over verschillende afdelingen.”

Eén afdeling, voor alle doelgroepen, dat stond het NCB destijds voor ogen, reageert Akèl. “Maar toen de Antillianen/Arubanen en Surinamers voor een eigen afdeling pleitten, vond het NCB dat de Turken en Marokkanen evenredig aandacht moesten krijgen. Voor ons gold: of één afdeling, of aparte doelgroepen.”

De wrijvingen tussen de minderhedenorganisaties lijken een consequentie te zijn van de al geruime tijd onderhuids aanwezige controverse tussen de kleinere organisaties en het grote NCB. De tamelijk amateuristische organisaties tegenover het professionele en 'ambtelijke aandoende' (typering commissie-Van Es, red.) NCB.

Suudi: “Het blijft overigens opvallend dat een organisatie die zo ijvert voor positieve actie, relatief weinig allochtone medewerkers op beleids- en managementniveau telt.” “Dat ligt bij het NCB op 50 procent”, pareert Akèl.

Volgens Roseval lijdt het NCB aan 'koudwatervrees'. “Akèl is bijvoorbeeld bang dat in de nieuwe organisatie Surinamers en Antillianen de overhand zullen krijgen. Volgens hem hebben slechts Turken en Marokkanen een maatschappelijke achterstand. Alsof zij het recht op slachtofferschap hebben.” De directeur van de Surinaamse Federatie betreurt deze houding “want zo wordt het beeld van ruziemakers onder buitenlanders bevestigd. Wat mij betreft is dat niet zo.” Akèl zucht nog eens diep: “Tegen leugens kan ik weinig inbrengen. Het zegt meer over die mensen dan over mij.”

Meindert Fennema, politicoloog en lid van de programmaraad van het Instituut voor Migratie en Etnische Studies (IMES) beschouwt de 'stammenstrijd' inherent aan de herverdeling van macht tussen organisaties. “Natuurlijk is het NCB doodsbang de monopoliepositie ten opzichte van de overheid te verliezen. Jammer dat er zoveel tijd en aandacht door zo'n stammenstrijd verloren gaat. Hoewel deze clustering een budgettaire achtergrond heeft, zouden de organisaties van de nood een deugd kunnen maken. Want door de nieuwe organisatie worden de minderhedenorganisaties gedwongen om beter samen te werken.”

Het laatste woord is aan de Tweede Kamer, die op 2 november alle organisaties zelf nog maar eens aan het woord laat. Een fusie zit er, onder de dreiging van subsidiestop, hoe dan ook aan te komen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden