stadswandelen / Franeker koestert academisch verleden

Ooit werd de universiteit van Franeker de ’suypacademie’ genoemd.

Haro Hielkema

Achthonderd meter wandelen in één uur tijd is niet direct een snelheidsrecord, maar voor het koninklijke gezelschap dat 30 april in Franeker neerstrijkt, is het een gebruikelijk tempo. Zeker als je onderweg een dweilorkest, Friese kleuterliedjes en een poffertjeskraam tegenkomt, als een kroonprins uitleg krijgt hoe hij koning kan worden (in de kaatssport, wel te verstaan) en als het Friese zangtalent Nynke Laveman een speciaal lied zingt. Dat wordt dus schuifelen op Koninginnedag in Frentsjer.

Op een ’gewone’ dag moet je er trouwens ook de tijd voor nemen, want Franeker heeft veel te bieden (voor een plaats met 13.000 inwoners). Het is een van de interessantste en leukste van de Elf Friese Steden. In dat kleine centrum, omgeven en doorsneden door grachten, ligt de historie voor het oprapen. Er staan veel gebouwen met een verhaal en het kan er ook nog eens knap gezellig zijn (behalve op maandagmorgen). Franeker heeft in het klein wat steden als Utrecht, Groningen en Leiden zo aantrekkelijk maakt: iets voornaams, ook iets studentikoos. Dat is niet zo gek, want ruim twee eeuwen lang is het een academiestad geweest. Hier stond van 1585 tot 1811 de op één na oudste universiteit van ons land (na Leiden), opgericht als beloning voor de loyale steun aan Willem van Oranje. Hier kwam half Nederland studeren – en niet alleen omdat het er een stuk goedkoper was dan in Leiden. Ook uit het buitenland (vooral uit Oost-Europa) kwamen studenten per trekschuit of postkoets en soms te voet om zich te laten onderwijzen in theologie, rechten, medicijnen, klassieke talen, wijsbegeerte of wis- en natuurkunde. Een plaquette aan de gevel van Voorstraat 43 meldt dat er tussen 1623 en 1793 1200 Hongaarse studenten waren.

Die hele Voorstraat is een wereld van twee culturen: daar doet Franeker zijn dagelijkse boodschappen en daar lees je aan de vele deftige gevels af dat sommige mensen vroeger van méér dan brood alleen leefden. Hier woonden de hoogleraren; de diepe huizen én tuinen verwijzen naar hun ’vorstelijk’ bestaan. Er hangen nog bordjes, sommige wat verveloos: Huize Campus, Huize Pedel, Huize Ceres. Ook elders in het centrum zie je de vingerafdrukken van het academische tijdperk. De theehuisjes op het Noorderbolwerk zijn vaak neergezet door professoren die wilden genieten van het uitzicht over het Friese platteland . Ook de Botniastins op de Breede Plaats werd bewoond door hoogleraren. Nadien fungeerde het fraaie pand als weeshuis, waar de kinderen in het zwart gekleed gingen en daarom voor ’zwartkousen’ werden uitgemaakt. Ook in ’De Tuinkamer’, nu een theewinkel annex koffiehuis in art-nouveaustijl, naast het Planetarium, hebben diverse profs gewoond.

Aan de Academiestraat staat het academiegebouw (oudste gebouw 1649). Het is nu voorbestemd als wooncomplex, terwijl de hortus en de orangerie in oude stijl worden hersteld. Het wachten is nog op een professor die college wil geven.

De studentenkroeg is er nog, de Bogt fen Guné, de oudste studentensociëteit van Nederland (uit 1637). Grappig dat juist dit overblijfsel van het universiteitstijdperk bewaard is gebleven, uit de tijd dat die bekend stond als de ’suypacademie’.

Natuurlijk was Franeker al een belangrijke stad voordat er hoorcollege werd gegeven. De imposante Martenastins (nu museum met een academieafdeling) verrees al in 1498 aan de Voorstraat. En het fraaie stadhuis was in 1594 ook vast in renaissancestijl opgetrokken zonder de aanwezigheid van de universiteit. Maar zeker: de herbergiers en kooplui voeren wel bij al die geleerdheid. Wolkammer Eise Eisinga had zich waarschijnlijk nooit in de wis- en sterrenkunde verdiept, als hij geen colleges had kunnen volgen in de stad. Nu is zijn Planetarium een pronkjuweel, dat je vrijwel dagelijks kunt bekijken.

Kroeg en kerk houden de naam van de Academica Franekerensis dus nog hoog. In de Martinikerk promoveert af en toe nog wel iemand, mits het onderwerp iets te maken heeft met Friesland. Helaas is de kerk vaker op slot dan open. Maar dan is er nog tijd genoeg voor andere zaken. Het knusse korendragershuisje (alle dagen geopend, toegang gratis), het verstilde hofje van het Westerhuis Vrouwengasthuis waar 18 ’godsvrugtige weduwen of bejaarde doghters’ woonden, de stinsentuin achter Museum Martena met z’n witte en paarse holwortel (ook gratis, de hele dag open) en het Sjûkelân, het Wembley van de kaatssport, waar al meer dan anderhalve eeuw de jaarlijkse PC-kaatspartij wordt gespeeld. Twee enorme torens markeren dit roemruchte grasveld, met de woorden: Hjir is it keatsen, hjir rekket de bal it hert, ’Hier is het kaatsen, hier raakt de bal het hart’.

Op stap in ’Frentsjer’

Deze route is deels gebaseerd op een wandeling van de stadsgidsen

* Algemene informatie: Museum Martena, Voorstraat 35, tel. 0517-392192.

* Stadhuis: open woe t/m vrij 13.30-17.30 u (gratis).

* Museum Martena: open di t/m vr 10-17 u za/zo 13-17 u, info www.museummartena.nl

* Eise Eisinga Planetarium, Eise Eisingastraat 3, tel. 0517-393070: open hele jaar di t/m za 10-17 u, zo 13-17 u, 1/4-1/11 ook ma 13-17 u, www.planetarium-friesland.nl

* Korendragershuisje dag: open 10/18 u, vr 10/21 u (gratis)

* Kaatsmuseum: open 15/5-1/10 di t/m za 13-17 u, tel. 0517-393910.

* Info: www.franekeradeel.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden