Stadsduiven van Amsterdam zijn al eeuwen lastig

Nederland verstedelijkt. Daarom is het niet vreemd dat ook de stadse natuur steeds vaker aandacht krijgt van natuurvorsers. Amsterdam is de eerste stad waarvan de geschiedenis van de vogelbevolking is beschreven. Sociaal wetenschapper Ruud Vlek, archivaris van de Vogelwerkgroep Amsterdam, legde aan de hand van vele bronnen de hoofdstedelijke vogelhistorie vanaf 1285 vast. En Amsterdamser kan het bijna niet: het begint allemaal met Gijsbrecht van Amstel.

De blauwe reiger heeft de eer de oudste beschreven (broed)vogel van Amsterdam te zijn. In 1285 noemt Gijsbrecht van Amstel in een brief aan de bisschop van Utrecht het 'Reygersbosch in 't land van Amestelle' waar 'die reyghers inne broeden'.

Ruud Vlek heeft niet kunnen vaststellen waar dit bos exact heeft gelegen: het kan langs de Amstel boven Ouderkerk, of aan het Bijlmermeer zijn geweest. In de vijftiende eeuw is het bos waarschijnlijk door een zware zuidwesterstorm verwoest, mogelijk tijdens de St. Elizabethsvloed van 1421.

Meer recente broedgegevens van de blauwe reiger in de Amsterdamse regio dateren pas van 1910, toen E.Heimans in hetzelfde gebied waar het 'Reygersbosch' moet hebben gelegen, twee nesten aantrof. Ondanks de sterke bejaging heeft de blauwe reiger zich zeven eeuwen lang in de Amsterdamse regio kunnen handhaven. Sinds de soort beschermd is, werd de blauwe reiger een karakteristieke stadsvogel die in verschillende parken in Amsterdam broedt.

Als eerste gedocumenteerde broedvogel opent de blauwe reiger de soortenlijst in de 'Amsterdamse Vogelhistorie', waarin Ruud Vlek de ontwikkeling van de vogelstand in en rond Amsterdam van 1285 tot en met 1999 heeft vastgelegd. De lijst bevat 313 soorten vogels die de afgelopen zeven eeuwen in de regio zijn gezien. Niet minder dan 144 soorten hebben met zekerheid in en rond de hoofdstad gebroed.

De meeste waarnemingen zijn van meer recente datum: de nationale lijst telt nu 460 soorten, maar rond 1800 waren nog maar 126 soorten beschreven. Ook in Amsterdam was rond die tijd de soortenkennis nog onderontwikkeld: aan het eind van de 17de eeuw telde de stad slechts 27 gedocumenteerde vogelsoorten.

Ruud Vlek: ,,De oudste gegevens tonen een fauna die hoort bij het landschap van toen. Amsterdam was een vissersdorp aan de monding van een veenrivier, omsloten door een laagveenmoeras dat later als weidegrond in cultuur is gebracht. Uit archeologisch onderzoek in het centrum van Amsterdam blijkt dat, naast gedomesticeerde hoenders, waterwild (reigers, eenden en ganzen) een belangrijke voedselbron voor mensen vormde.''

,,Tot aan de eerste helft van de 17de eeuw waren moeras- en watervogels karakteristiek voor Amsterdam. In de 15de en 16de eeuw broedden nog ooievaars op de kloosters aan de burgwallen in het centrum. Ondanks in 1571 afgekondigde stedelijke beschermingsmaatregelen konden de ooievaars zich niet handhaven. In oktober 1636 zorgde een aalscholver op de Oude Kerk voor een kleine volksoploop: de mensen dachten dat de vogel een gier was en zagen er een voorteken in van de pest. Tamme duiven zorgden ook toen al voor overlast: in 1557 zijn bepalingen uitgevaardigd om die overlast tegen te gaan.''

Vanaf de tweede helft van de 17de eeuw staan meer bronnen ter beschikking. Vlek: ,,Zeventiende eeuwse schilders als Rembrandt, De Gheyn en d'Hondecoeter vonden vogels aantrekkelijk om af te beelden. Op de schilderijen van de Breughels in het Mauritshuis in Den Haag staan maar liefst tachtig soorten. Er zitten soorten bij die de groeiende handelsbetrekkingen uitdrukken, zoals een Zuid-Europese hop, een Noord-Amerikaanse brilzee-eend, een papegaai uit de Amazone en een Molukse kakatoe. Ook stadshistorici als Commelin beschreven de fauna in en rond de stad. In de loop van de zeventiende eeuw werden ook zangvogels gesignaleerd: in 1696 werden nachtegalen beschermd, waarschijnlijk omdat men de zang waardeerde.''

,,Vanaf de tweede helft van de 18de eeuw stellen steeds meer geleerden, predikanten, artsen, apothekers en jagers hun kennis van de avifauna op schrift. De in Amsterdam geboren remonstrantse dominee Cornelis Nozeman (1721-1785), die je als de eerste vaderlandse ornitholoog kunt zien, zette zich aan de samenstelling van een avifaunistisch overzichtswerk dat uiteindelijk 126 soorten beschrijft.''

,,Pas vanaf 1850 is sprake van een eerste generatie ornithologen die het veld introkken. Zij bedreven ornithologie-met-het-geweer: ze legden collecties opgezette vogels aan die werden onderzocht en beschreven. Een belangrijke rol spelen ook de preparateurs van het in 1838 opgerichte Artis, die de collectie opgezette vogels voor het Faunamuseum moesten uitbreiden. Dit tijdperk werd rond de overgang naar de twintigste eeuw afgesloten: de vogelverzamelaars maakten plaats voor een nieuwe generatie veldwaarnemers, zoals de schoolmeester Jac. P. Thijsse, die een groter publiek duidelijk maakte wat er in de natuur leeft. De toenemende belangstelling, de verdergaande bescherming en steeds betere kijkers zorgden ervoor dat vogelaars de afgelopen eeuw 131 nieuwe soorten in de hoofdstad zagen.''

Een snel groeiende stad met nieuwe uitbreidingen en een toenemend aantal vogelsoorten lijken op het eerste gezicht moeilijk met elkaar te rijmen. Ruud Vlek: ,,Enerzijds kwamen er meer en betere waarnemers, met betere kijkers, die meer zien. Anderzijds schept de mens met de stedelijke omgeving een geschikt leefgebied voor bepaalde soorten vogels. De grachtentuinen zijn grote groene oases, er zijn begraafplaatsen en stadsparken aangelegd. Vogels reageren daarop. De stad is zeker geen natuurvijandige plek en vogels dringen steeds verder de stad binnen.''

,,De binnenstad is warmer en veiliger en er is in de vorm van afval meer voedsel te vinden. En in de negentiende eeuw zaten er roeken tot op het Rembrandtplein. Er zwemmen futen en sinds een jaar of tien ook meerkoeten in de grachten, mogelijk door de verbetering van de waterkwaliteit. Vroeger zag je meeuwen alleen aan het strand, nu overwinteren ze in de binnenstad.''

,,De jongste ontwikkeling is het steeds verder oprukken van roofvogels. Aan de stadsrand broeden vijf soorten: toren- en boomvalk, havik, sperwer en buizerd. De havik en de sperwer kwamen vroeger alleen in het oosten van het land voor, het waren echte bosroofvogels, maar langzamerhand zijn ze naar het westen en naar de stadsranden getrokken. Eerst zaten ze op begraafplaatsen, maar nu broeden ze ook in grachtentuinen. Niet in stadsparken; die zijn te druk. Ze vinden veel prooi in de stad: vooral duiven en mussen.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden