Stad van Jeanne ademt historie

In de oude universiteitsstad Orléans is nog veel van de roemrijke geschiedenis bewaard gebleven. Maar alles draait om het frêle boerenmeisje met harnas en kort haar, nog steeds de heldin van de bewoners.

Tegenwoordig valt het niet mee om in Orléans elk jaar een meisje van 17 jaar te vinden dat welopgevoed en hoog opgeleid, gelovig en met onberispelijk gedrag als symbool voor Jeanne d’Arc voorop mag in de optocht van 8 mei. Het was op 7 mei 1429 dat onder aanvoering van de jonge boerenmaagd Jeanne d’Arc de Fransen de stad van de Engelsen bevrijdden tijdens de honderdjarige oorlog. Sindsdien wordt die bevrijding nog steeds elk jaar groots gevierd in deze stad aan de noordelijkste punt van de Loire, ongeveer een uur met de trein vanaf Parijs.

Orléans is een verbastering van Aurelius, wat duidelijk maakt dat de stad al sinds de Romeinse tijd bestaat. Veel is daar overigens niet meer van te zien, op enkele resten van oude stadsmuren uit de 4de eeuw na Christus na, maar verder is er ondanks de verwoestende werking van de Tweede Wereldoorlog nog genoeg over om al wandelend door de stad haar rijke en beroemde geschiedenis te ervaren.

Gelukkig hebben de Franse staat en de gemeente voldoende besef van die culturele historische waarde, en er is dan ook veel gedaan aan restauratie en het behoud van monumenten. Oude vakwerkhuizen zijn opgeknapt, waarbij het roodgekleurde hout net zoals in de Middeleeuwen met bloed van dieren is gekleurd. Verder is een deel van de oude binnenstad, waar de straatjes te smal zijn, afgesloten voor het autoverkeer. Alleen de bewoners en leveranciers mogen hier op vastgestelde tijden nog met hun auto komen. Dat maakt dat het rustig en aangenaam wandelen is door deze lichte stad. De meeste gebouwen zijn namelijk van wit Tuffeausteen, typisch voor deze streek. ’s Avonds zijn de monumenten prachtig uitgelicht en doordat deze oude universiteitsstad nog steeds veel studenten heeft, is het met haar vele eetgelegenheden en terrassen levendig maar niet te druk. Op een terrasje zitten kan soms ook nog in november of februari, wanneer de temperatuur nog wel eens tot 20 graden wil oplopen.

Maar ondanks deze en andere attracties is het toch het frêle boerenmeisje met harnas en kortgeknipt haar dat voor de roem van deze stad heeft gezorgd. Ze is dan ook overal aanwezig en de meest afgebeelde vrouw in Orléans, en waarschijnlijk in heel Frankrijk. In ieder geval is er in elke stad wel een straat of school met haar naam. Ze is voor de bewoners van Orléans nog steeds een grote heldin, het symbool van verzet waarbij politieke voorkeur geen rol speelt. Dat is soms wel anders in het land waar rechts-extremistische partijen haar nog wel eens als nationalistisch voorbeeld gebruiken.

Middenin het centrum op Place du Martroi zit ze in brons gegoten en hoog te paard. Het zwaard nederig naar beneden gestoken en met lange wapperende haren en een rok onder het harnas. Een iets te romantisch beeld uit 1855 om toch vooral duidelijk te maken dat ze een vrouw was. Ingegeven door stemmen van engelen uit de hemel zag ze het als haar opdracht om te zorgen dat Orléans bevrijd zou worden van de Engelsen, en kroonprins Charles daarna tot koning gekroond zou worden.

Door haar overtuigingskracht kreeg Jeanne d’Arc soldaten en een paard mee op haar missie en het advies zich als man te kleden omdat ze het anders niet zou overleven. Zelf heeft ze nooit iemand gedood, maar ze wist blijkbaar de Franse soldaten zo te motiveren dat haar opdracht lukte en Charles in juli 1429 koning werd.

Die liet haar daarna al gauw vallen, waarna ze in handen viel van de Engelsen en na een langdurig proces in 1431 in Rouen op de brandstapel belandde met de beschuldiging dat ze mannenkleren had gedragen. Vijfhonderd jaar later werd ze heilig verklaard.

Het hele verhaal van Jeanne d’Arc is te zien in de kathedraal Sainte-Croix in tien grote glas-in-loodramen. De ramen dateren uit 1933, maar zijn sterk geïnspireerd op de middeleeuwse beroemde ramen van de kathedraal van Chartres. Vooral als de zon schijnt, is in sprankelende kleuren het hele verhaal in een stripachtige vorm te volgen. Na door brand te zijn verwoest, te zijn ingestort en later vernield te zijn door de hugenoten, is de kerk voor de vierde keer opgebouwd in de 17de eeuw. Helemaal in de stijl van de flamboyante ofwel late gothiek. Dat is opmerkelijk, want in die tijd was Renaissance helemaal in. Maar de bewoners van de stad wilden per se gotische architectuur, zowel binnen als buiten rijk aan decoraties en kunst.

Schuin tegenover de ingang van de kathedraal ligt het belangrijkste museum van de stad, met een aantal bijzondere collecties schilderijen en pastels. Doordat Orléans vanwege de scheepvaart in de Loire eeuwenlang een actieve en rijke stad is geweest, zijn hier veel portretten te zien met leden van belangrijke families uit de bourgeoisie en aristocratie. Met een verleidelijk lachje kijkt Madame de Pompadour, geschilderd door Drouais (1763), je aan met wit gepoederd haar, bleke huid met te rode wangen en veel kant en strikken. Verderop hangt een serie pastels in zaal 8, waar het portret van een donkere man (door Maurice Quentin de la Tour) opvallend aanwezig is en ook het kastje met kleine miniaturen die in medaillons zijn verwerkt. Een etage naar beneden zie je de tijd veranderen en is het portret van een angstig kijkende oude vrouw door Eugène Delacroix (1824) nog zo’n parel.

Als je vanaf Place du Martroi de Rue Royale afloopt, hoef je niet nat te worden, want de hele straat heeft arcadebogen, waaronder zich luxueuze winkels bevinden. Vervolgens ga je bij pont George V naar rechts en dan is er een brede kade langs de Loire waar hoge bomen en het water voor verkoeling zorgen. Hier gaan families nog steeds elke zondag na de uitgebreide lunch flaneren, en tegenwoordig ook skaten. Verderop ligt er het nieuwe plein Place du Loire met bioscopen, maar daarbovenop is een strak vormgegeven parkje en een hip en culinair goed aangeschreven restaurant Le Lift. Een groot wit paard staat er op tafel en het is modern ingericht in de stijl van Philip Starck. Direct aan de oevers staan kleine platforms met metalen fauteuils en tafeltjes waar je je eigen flesje wijn kunt nuttigen.

Doordat de Loire een toe- en afvoer haven was, bleven hier de al gegiste en ondrinkbare wijnen achter waar azijnen van werden gemaakt. Merken als Desseux produceerden hier azijnen en mosterds, maar vele zijn inmiddels vertrokken uit de stad en alleen de vinaigre van Martin Pouret wordt nog in de stad gemaakt – op natuurlijke wijze zonder toevoegingen aan het proces. In de Châtelet des Halles, een grote overdekte markt, zijn naast de azijn en mosterd nog veel meer regionale producten van hoge kwaliteit te koop: wijn, brood en kazen. Bijvoorbeeld Cendré d ’Olivet-kaas en de L’Orleanais-wijn. En niet te vergeten Cotignac d’Orléans, een pasta op basis van kweepeer. De kweeperen die in oktober in de streek worden geplukt, geven een oranjekleurige stroop die warm in een epicea houten vorm wordt gegoten.

Onder rozenkwekers is de omgeving van Orléans een begrip en als particulier kun je iets van de kunst van het kweken van rozen zien in de vele parken en tuinen. Bekend en groots is le Parc Floral de la Source, buiten het centrum. Maar even de rivier oversteken en je loopt over knisperende wandelpaden in Jardin des Plantes. Ook hier is een rosarium en zijn exotische bloemperken te vinden waar bordjes bij staan met poëtische titels als ’Secret des senteurs’ (’Geheim van de geuren’). Er staan zonnebloemen midden tussen bananenplanten en bamboe. Grillige vormen van verschillende cedersoorten geven de nodige schaduw.

In Saint-Jean-de-Braye, net naast het centrum van Orléans, is nog een werkplaats van klokkenmakers te vinden waar de tijd letterlijk heeft stilgestaan. Vanaf 1715 giet de familie Bollée bronzen klokken voor kerken en andere gebouwen in heel Frankrijk, en tegenwoordig de hele wereld. Vietnam, Chili, Ivoorkust: overal hangen de klokken van Bollée omdat ze zo mooi van klank zijn. Het is dan ook niet enkel een mal van klei maken en daarmee met een legering van koper en tin (brons) een vorm gieten. Hogere wiskunde komt eraan te pas, want een millimeter te dik, en de toon valt helemaal verkeerd. Amédée Bollée bedacht een formule waardoor deze familie heel bekwaam is geworden in haar vak. Naast de werkplaats is er een klein museum, dat te bezichtigen is op afspraak of met een groep. De vuren worden nog op hout gestookt. De geur van bijenwas is indringend aanwezig.

Zowel buiten als binnen een opmerkelijk gebouw, daterend uit 1550 en genoemd naar de stichter Groslot, een rijke leerlooiersfamilie. Architect Jacques Androuet du Cerceau bedacht een gevel met rode bakstenen met versieringen. Na de revolutie werd het pand tot in de jaren zeventig gebruikt als stadhuis. Nu zijn de rijke gedecoreerde zalen met kroonluchters, gouden decoraties en antieke meubelstukken, zoals lange houten tafels met ingelegd leer uit Córdoba, iedere dag te bezoeken. Behalve op zaterdag, want dan willen alle paren uit Orléans die elkaar het ja-woord willen beloven, dat te midden van zoveel oude pracht en praal doen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden