Review

,,Sstt, aardse koe, je jaagt haar weg''

Van Gerrit Komrij is bekend dat hij dol is op gedichten waarin een hondje voorkomt. Zelfs een poëtisch lor kan nog op een zekere sympathie zijnerzijds rekenen wanneer die viervoeter er met zijn staartje in kwispelt.

Zulke tics hebben we als lezer allemaal. De een hoeft maar een kerk, een ander een stadsgracht of een struik met kruisbessen in een gedicht tegen te komen en ze zijn verkocht. Zelf heb ik dit als geboren en getogen kustbewoner met zee en strand. Als de zee maar in eindeloze deining voortklotst in het vers, dan ben ik tevreden, zelfs als het verder weinig voorstelt. Het gaat hier om oerbeelden uit onze jeugd die, wanneer ze in poëzie worden opgeroepen, een gevoel van geestelijk 'thuiskomen' genereren.

Wat dat betreft word ik alleen al door de titel van Hagar Peeters tweede bundel, 'Koffers zeelucht', op mijn wenken bediend. Zeelucht immers, en dan nog zo speels in koffers opgeborgen! In een van de zeegedichten beschrijft zij een bezoek aan het strand als kind met haar moeder. Moe ligt glimlachend te zonnen en zij bouwt zandkastelen en vangt garnalen met een schepnetje. Heel gewoon eigenlijk, maar in de herinnering van de dichteres is het veel meer dan dat. In de slotstrofe haalt ze zelfs de 'ark van Noach' erbij om deze onvergankelijke herinnering dwars door de zondvloed van het latere leven heen ongeschonden naar het heden te loodsen. Het gedicht heet dan ook heel typerend: 'Herinnering aan een onvoorbij moment'.

Ik laat deze zee- en strandgedichten gezien mijn positieve vooroordelen snel voor wat ze zijn. De bundel als geheel bestaat uit vijf afdelingen, waarvan de middelste (en grootste) geheel handelt over liefde en verliefdheid. Titels als 'De eerste keer', 'Je lichaam' en 'Heb ik je lief' zeggen wat dit betreft genoeg, terwijl ook een metafoor als 'vlezen huis' een seksueel getint woordje meespreekt. Het feest der lichamelijke liefde wordt hier uitdrukkelijk bezongen: ,,In het nabijgelegen hemelrijk der zinnen / gaan wij op voordat de dood ons steelt.'' Keurig netjes gezegd overigens voor een dichteres die als een gewiekste performer bekend staat! Verder veel echec in deze afdeling, want verliefdheid en liefde duren zelden eeuwig, en ook een aardig en tragikomisch vierluik waarin de muze zich beklaagt over haar rol als de (slechts) symbolische aangever van de liefde: ,,O, wat zou ik graag de geliefde in de gedichten van de dichters zijn / aan wie zij hun ziel opdragen''. Wanneer echter de muze zich al te dicht en zinnelijk bij de dichter waagt, bitst deze: ,,Sstt, aardse koe, je jaagt haar weg.'' Aan al dan niet tragikomische humor heeft het Peeters nooit ontbroken.

Een mooi, surreëel liefdesgedicht met ingebakken echec is het volgende 'Droombeeld':

'Vanmorgen toen ik nog niet wakker was

maar al niet meer sliep sloop onzichtbaar

op gehoefde sokken het onheil binnen

in mijn bed, vlijde zich tegen mij aan

en fluisterde om mij niet te wekken mijn naam.

Terwijl ik mijn ogen niet opende zag ik

dat hij naar mij keek met ook zijn ogen dicht

het kussen streelde dat hij voor mijn lippen aanzag

en dat hem zoende zoals ik zou hebben gekust.

Wij omhelsden in de veronderstelling van elkaar.'

Een curieus vers, gezien door de gesloten ogen van de halfslaap, waarin de geliefde vrijt met 'het onheil'(!) dat 'op gehoefde sokken'(!!) met haar het bed deelt. Op zijn beurt vrijt die duivelse vrijer niet met háár, maar met het kussen, en dit alles levert dan toch een tragikomische vereniging op 'in de veronderstelling van elkaar'. Speels en treurig.

Na deze grote middenafdeling zakt het niveau van de bundel in beide slotafdelingen bedenkelijk. Met name de 'Lamento's' waarmee het geheel eindigt zijn beneden het niveau van het voorafgaande. Zo is 'Lamento van de slapeloze schone slaapster' een wel zeer uitgekauwde poëtische variatie op Doornroosje. De leidende en niet onaardige gedachte: dat alles en iedereen in en rond het paleis een eeuw slaapt behalve de aan slapeloosheid lijdende Doornroosje, is na elf regels glashelder. Maar Peeters gaat dan nog vrolijk 22 regels verder met meer van hetzelfde.

Hier wreekt zich haar ambitie om in de eerste plaats podiumdichteres te zijn. Als performing poet heeft ze met haar voordrachten al veel lof geoogst. Dit past ook bij haar credo en dat van haar bent- en generatiegenoten Ingmar Heytze, Ruben van Gogh e.a. dat de poëzie na jaren van geheimzinnigdoenerij vooral verstaanbaar en niet te hoogdravend moet zijn. Enige herhaling en overdrijving, op papier onnodig en irritant, is op de Bühne onmisbaar om aan het verstaanbaarheidscriterium te voldoen. Maar wat wil ze nou? In haar debuutbundel stond een prachtig vers van negen regels dat, met toespelingen op het wit en het zwart van de bedrukte pagina waartussen de dichteres heette schuil te gaan, een puur papieren lezing voorstond. Tijdens de voordracht zijn dat wit en zwart echter niet zichtbaar aanwezig! Het gedicht eindigde met de meesterlijke zin: 'Zoek mij zacht / op vingers van pupillen'. Het is alsof je hierin een verre naklank hoort van Vromans befaamde 'Voor wie dit leest' ('Kom, leg uw hand op dit papier: mijn huid').

Het gedicht in kwestie moet het dus hebben van het feit dat het op papier staat en gelezen kan worden. Want om nou op het toneel door het publiek met 'vingers van pupillen' te worden afgetast... Daar schuilt Peeters' dilemma. Wil zij een dichteres zijn om gelezen, of een performer om gehoord en gezien te worden? Wil zij dichten of optreden? Dat wordt nog moeilijk kiezen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden