Sprint blijkt zowaar een sterke kant

Van Nederlandse atletiekmedailles werd bijna de helft op korte afstanden geoogst

Is Nederland een sprintland? luidde na de Europese atletiekkampioenschappen van dit jaar de verbaasde vraag. De Oranje-equipe was met een opmerkelijke oogst van twee gouden en twee zilveren sprintmedailles huiswaarts gekeerd.

Laten we vooropstellen: Nederland is in olympische sferen verre van een atletiekland. Eén keer werd een zware aardschok veroorzaakt door een vrouw over wie 64 jaar na dato nog altijd wordt gesproken: Fanny Blankers-Koen. Deze veelzijdige legende won haar vier gouden medailles in Londen uitgerekend op sprintdisciplines.

Als we de rest van de schrale atletiekoogst bijeen vegen, blijkt die sprint zowaar een relatief sterke kant. Van 1908 (Londen!) tot en met 2008 won Nederland slechts vijftien olympische atletiekmedailles. Zeven daarvan werden gewonnen op de 100, 200 en 4x100 meter estafette.

Gehoopt was dat Martina op de 200 meter met een achtste prijs het sprintaandeel precies op de helft zou brengen. Vandaag is hij de belangrijke schakel in de eerste serie van de 4x100 estafette, de kersverse Europese kampioen. In die loterij worden de wildste dromen soms werkelijkheid. Dat geldt ook voor het vrouwenkwartet, dat zich gisteravond al plaatste voor de finale van vanavond.

In Helsinki 1952 kon Fanny Blankers-Koen door een steenpuist op een weinig strategische plaats haar zegereeks van Londen niet doortrekken. De enige atletiekmedaille die daar werd gewonnen was het zilver van Puck Brouwer op de 200 meter.

De eerste Nederlandse atletiekmedaille in Parijs 1924 was een verrassende. Nadat Jacob Boot, Harry Broos, Jan de Vries en Rinus van den Berghe in de series een half uur het wereldrecord op de 4x100 in bezit hadden gehad, wonnen ze matig wisselend brons. Daarvoor moesten wel de als derde gefinishte Zwitsers wegens een onreglementaire wissel worden gediskwalificeerd.

Tijdens de Hitlerspelen van Berlijn in 1936 kwam de term 'snelste blanke ter wereld' uit de Duitse propagandakoker. Het was Hitler een gruwel dat de zwarte Amerikanen de koningsnummers domineerden. Dat de Nederlander Tinus Osendarp daar een wig in dreef kwam hem goed uit.

Nederland had in die tijd een uitmuntende groep sprinters. Osendarp won achter de legendarische Jesse Owens de bronzen medailles op de 100 en 200 meter. Op de laatste afstand werd Wil van Beveren, de latere vader van Nederlands beste voetbaldoelman Jan van Beveren, zesde.

Volgens Osendarp had er op de 200 meter zelfs meer ingezeten. "Ik had de binnenbaan. Naast me zat Van Beveren aan wie ik me lekker kon optrekken. Bij het uitkomen van de bocht maakte ik een tactische fout door even naar Robinson (tweede) in baan 4 te kijken. Ik raakte daardoor uit mijn balans." De sensatie in Berlijn had samen met Chris Berger en Tjeert Boersma nog groter kunnen zijn. Op het moment dat Osendarp als slotloper van de 4x100 van plaats vier naar drie opschoof, kwam hij in botsing met de Duitser Hornberger en verloor het stokje.

Net als Berger vier jaar eerder in Torino, liet Osendarp tijdens de EK in Parijs van 1938 op de 100 en 200 meter iedereen zijn hielen zien. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij van gevierde held tot gehaat man. Hij sloot zich in 1941 aan bij de NSB en trad later toe tot de SS en Sicherheitsdienst. Als lid van het beruchte Commando Leemhuis in Den Haag was hij betrokken bij de arrestatie van tientallen verzetshelden. Na de oorlog werd Osendarp veroordeeld tot twaalf jaar gevangenis. In 1952 kwam hij vervroegd vrij en werkte vervolgens in de Limburgse mijnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden