Springdance verzuimt te vernieuwen

Jeremy Wade, tijdens zijn optreden in Utrecht. (ANNA VAN KOOIJ ) Beeld
Jeremy Wade, tijdens zijn optreden in Utrecht. (ANNA VAN KOOIJ )

Springdance, het festival van de voorhoede van de hedendaagse dans, was dit jaar een teleurstellende ervaring. Traditie lijkt een belangrijker uitgangspunt geworden dan vernieuwing.

Het Utrechtse Springdance heeft niet zijn beste editie beleefd. De wankele openingsavond wierp zijn schaduw vooruit: de oude maestro Hans van Manen redde met een oud werk de eer van het festival, dat zich met negentien dansvoorstellingen en een randprogramma juist op de voorhoede van de hedendaagse dans richt. In de ovatie na Van Manens videoballet ’Live’ (1979) school zelfs een zucht van verlichting, nadat menigeen voor de pauze in slaap was gevallen bij Mathilde Monniers nieuwe werk Pavlova 3’23”.

Monnier, vertegenwoordiger van de Franse eighties avant-garde, had zich met haar negen dansers gestort op Fokine’s ’Stervende Zwaan’, op verzoek van prima ballerina Anna Pavlova in 1907 gecreëerd.

De negen dansers varieerden op dat ballet met fladderende armen en een bewegingslus met vanitas-taferelen. Een monoloog in moerstaal (een cliché in danstheater) van een Taiwanese danseres, onderstreepte dat de choreografe niet bijster geïnteresseerd is in communicatie met haar publiek. Dit leek eerder een gedanst onderzoek naar persoonlijke rouwverwerking. Naar verluidt raakten de dansers gedurende het productieproces een voor een depressief, eentje dreigde zelfs met opstappen. Zo werd in één zucht hét cliché van hedendaagse dans bewaarheid: de focus ligt op de eigen navel.

Springdance’ nieuwe artistiek leider Bettina Masuch liet de in danskringen welbekende Monnier natuurlijk niet zonder reden met stervende zwaantjes het spits afbijten: zo’n beetje iedere zichzelf respecterende dansmaker reflecteert tegenwoordig op de dansgeschiedenis. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar de dans is zo’n beetje de enige kunstdiscipline waar vóór alles de blik op de toekomst werd gericht. Tot voor kort was traditie voor makers als Monnier een vies woord.

Maar door een aantal factoren – een opbloeiende wetenschappelijke interesse voor dansgeschiedenis en dansnotatie, meer cross-over-contacten met kunsten waarin historische reflectie wél is geïntegreerd – is de blikrichting veranderd. In Nederland hebben we zelfs een heus ’coverfestival’ achter de rug waarbij choreografen als Nicole Beutler en Ann Van den Broek hun licht lieten schijnen op danshistorische sleutelwerken. Ook bij het komende Holland Festival zijn de historische bespiegelingen niet van de lucht zijn: de Fransman Boris Charmatz reist dan door het oeuvre van postmoderne danspionier Merce Cunningham en de eveneens Franse Jerôme Bel presenteert het laatste deel uit zijn triptiek rond gedanste autobiografieën van en met bekende dansers.

Dan komen we weer uit bij Hans van Manen als ’redder’ van de openingsavond. Hij heeft altijd al geroepen dat er ’geen vernieuwing zonder traditie’ mogelijk is. Dat neemt niet weg dat de choreograaf in Nederland als een van de grootste dansvernieuwers mag gelden. Zijn in Springdance 2010 wederom gepresenteerde videoballet ’Live’ markeerde in 1979 een ommekeer in het kijken naar dans. We zien een danseres live dansen en tegelijkertijd manipuleert een camera hoe we naar haar moeten kijken door op verschillende delen van haar lichaam in te zoomen. Tegenwoordig worden we overspoeld met media die op alle mogelijke manieren onze perceptie beïnvloeden. De hedendaagse dansmaker, zo blijkt uit Springdance’ andere thematische lijn Live/Life, maakt zich zorgen over de consequenties daarvan. Als ’lichaamskunstenaars’ zijn ze vooral geïnteresseerd in hoe dat lijf nog authentiek gepresenteerd kan worden.

Zo nam in Springdance de Amerikaanse performanceartiest Jeremy Wade in ’There is no end to more’ de informatiemaatschappij op de korrel, vanuit het perspectief van het ’onbedorven’ kind. In een voice-over transformeert een kinderfantasietje in apocalyptische sciencefictionhorror, terwijl performer Jared Gradinger in korte broek zijn weg zoekt door Monthy Python-achtige filmcollages: van advertenties uit de Ikea-gids tot rol-ogende chihuahua’s en kirrende schoonheidskoninginnen. In dit aan hysterie grenzende 3d-universum maakt Wade het statement dat in de aangeharkte wereld van familiemoraal en gemeenschapszin geen plek resteert voor het individu.

Veel ergernis leverde Pere Faura’s nieuweling ’Coser y Cantar/Sewing and Singing’ op. Het Spaanse, in Nederland werkende kroonprinsje van de hedendaagse dans baseerde een uitgesponnen voorstelling op een gimmick: karaoke in theatersetting. Een uur lang popnummers met eendimensionale dansante aankleding (headbangen bij een rocknummer, quasigrappige gymnastiek met linten) spreidde vooral artistiek ijzertekort tentoon.

Springdance’ thematische lijnen kwamen niet goed van de grond, datzelfde gold voor een aantal afzonderlijke programmaonderdelen. De IJslandse aswolk gooide ook in Utrecht roet in het eten, waardoor het festival twee van zijn hoogtepunt verloor. Een grote zaal-voorstelling van het Amerikaanse enfant terrible Meg Stuart ging niet door en de solo ’No time to fly’ van het icoon van de postmoderne dans Deborah Hay is naar september verhuisd.

Daardoor konden de nieuwkomers scoren. De over elkaar heen – en van elkaar af – buitelende kemphaantjes Ioannis Mandafounis en Fabrice Mazliah bijvoorbeeld. Langs een vierkante arena was het publiek getuige van een subtiel, meerlagig duet over intimiteit en afstand, objectieve waarneming en collectieve perceptie. Zó kan hedendaagse dans dus zijn: een sprankelende kijkervaring.

Daarvan mag Springdance volgend jaar meer in huis halen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden