Spr. 1

“Het boek 'Spreuken' is bij mij nooit erg in tel geweest. Ik herinner me de doffe verbazing waarmee ik in mijn jeugd aanhoorde hoe mijn vader daaruit wel eens een kapittel voorlas. Dul, dul, dul! Ongeveer even afwisselend als een lange, lange trein goederenwagons die voorbij denderde. Waarbij de grootste vreugde het boem-boem was, ten teken dat er weer zo'n dodelijk vermoeiende, bijna onveranderlijk tweeledige wijsheid achter de rug was.

door Nicolaas Matsier

Goed. Maar wat vind ik er nu van?''

Maandelijks zal de schrijver Nicolaas Matsier een van de bijbelboeken herlezen. Vandaag: spreuken.

Misschien heeft iedereen wel een paar totaal ontoonbaar geworden boeken in zijn of haar bezit, boeken van al lang geleden die met hun jeugdige en geestdriftige onderstrepingen en uitroeptekens een glimp te zien geven van de eigen persoon en het eigen intellect in opbouw, om zo te zeggen. De verhoopte eigen persoon van weleer en diens gewaande eigen intellect zie je - in die ontoonbaar geworden boeken - als het ware voor de spiegel heen en weer paraderen in allerlei intellectuele uitmonsteringen: hoe staat dit mij?

Er is een tijd geweest, ik beken het, waarin ik mij in hoofdzaak voedde met bundels aforismen. De bundel 'Le petit philosophe de poche', een dubbeldikke pocket uit de bekende reeks 'Livre de poche', was ten zeerste aan mij besteed. Dat gold onder andere ook voor het Prismaboek 'Levenswijsheid in citaten' en voor de welbekende Duitse verzamelbundel 'Geflügelte W"rte'. Naar waarheid, maar ook om geen al te armoedige indruk te maken, kan ik daaraan toevoegen dat ik druk heen en weer pendelde tussen enerzijds zulke boeken met hun bij elkaar geveegde wijsheden aller Welt en anderzijds een aantal meer gerenommeerde titels als de 'Pensées', 'de Aphorismen zur Lebensweisheit' en 'Also sprach Zarathustra'.

Het aforisme heeft korte tijd in hoge ere gestaan bij mij. Hoe oud was ik toen? Ik was een jongeling. Ik heb het over de even ontvankelijke als rücksichtslose jaren rond het eindexamen. Zowel ervoor als nog erna. Misschien is er geen leeftijd die beter aansluit op de wereld van het aforisme dan die van puber en adolescent. Het kon mij totaal niet schelen waar de brandstof vandaan kwam, als mijn kachel maar rookte. In die zin was ik volstrekt onsnobistisch. Het maakte mij niet uit of ik mijn aforismen eigenhandig uit een context plukte danwel ze op een offreerblaadje aangeleverd kreeg uit zo'n citatenboek. Voor het wereldbeeld dat ik in enorme haast trachtte te construeren waren het gewoon allemaal bouwstoffen.

Wat me nu interesseert, is de manier waarop ik die aforismen destijds in vredesnaam las. Bracht ik ze als een bloem naar mijn neus en rook ik er even aan? Liep ik als door een museumzaal en stond ik nu eens hier, dan eens daar een ogenblik stil bij wat me beviel? Voltrok ik een bliksemsnelle inspectie aan het waarheidsgehalte danwel de elegantie van de formulering? Jaja, al die dingen en nog veel meer.

Zeker is dat ik, tamelijk tot hoogst neerslachtig jongeling, er wijzer van wou worden. En daadkrachtiger. Op het blanke hout van de planken die mijn boeken droegen, had ik, met balpen, allerlei opwekkingen geschreven. Sommige daarvan waren rechtstreeks afkomstig uit de schoolbanken. Tethlati de kradie, kai kunteron allo pot' etles - “Verdraag het maar, mijn hart, gij hebt ook erger al verdragen. . .” Dat waren enkele woorden met behulp waarvan Odysseus zichzelf op zeker ogenblik opmonterde. Weer andere levenskrachtige bouillons waren afkomstig uit zeer diverse lectuur. Camus ben ik dankbaar omdat hij, bij wijze van motto voor in zijn 'Mythe van Sisyphus', een gedicht van Pindarus citeerde waaruit ik voor altijd deze regels heb onthouden: “O mijn ziel, streef niet naar onsterfelijkheid, maar put het veld der mogelijkheden uit.”

Die naar scherpte en wijsheid dorstende boekenplanken van mij - literaire tattoo's, zouden die al bestaan? in het eigen lichaam gekerfde nooit meer te vergeten teksten? - schieten mij weer te binnen terwijl ik her en der nasla wat de literatuurwetenschap zoal te melden heeft over het - onder de noemer gnomische vormen - bij elkaar geveegde genre waarvan het aforisme een late en geletterde variant is.

Tot die in alle orale en schriftelijke culturen aan te treffen gnomische vormen (gnome: inzicht) behoren - ik ben nu zo royaal mogelijk - spreuken, spreekwoorden, sententies, maximen, adagia, apophthegmata, catenen, eclogen, epigrammen en chrieën. Ik zal mijn haastig verworven kennis hier niet te lang tentoonspreiden. Diverse artikelen in de nog altijd zeer goede 'Moderne Encyclopedie van de Wereldliteratuur' (de tweede druk van 1980) zijn tot mijn verrassing van de hand van P. J. Meertens, van welke niet geringe geleerde J. J. Voskuil in zijn roman fleuve zo'n aan de karikatuur grenzende tweedimensionale gestalte heeft gemaakt.

Vooral de lemma's over spreekwoord en spreuk brengen het gebied helder in kaart. Daarin wordt de spreuk, die met zijn didactische, zedelijke of godsdienstige strekking gewoonlijk een stelregel of een vermaning inhoudt, onderscheiden van het spreekwoord en gerekend tot de 'einfache Formen' of de 'Klein-Dichtungen' van de volksliteratuur. De spreuk is plechtiger en heeft gewoonlijk ook een algemenere gelding dan het spreekwoord, dat meer situatiegebonden is.

Het aforisme is een veel later product. Daarbij denken we aan de zestiende eeuw van Bacon en Montaigne; aan de zeventiende van Gracian en Pascal en La Rochefoucauld; en aan de achttiende van Vauvenargues en Lichtenberg; en aan de negentiende van Wilde en Multatuli.

Maar dat mijn boekenplanken, als toch niet weinig opzichtige dragers van wijsheid, meer in de traditie van de spreuk dan in die van het aforisme leken te staan, stelde ik blozend vast toen ik - in het lemma spreuk van Meertens - dit las: “Vooral in het huiselijk leven namen de spreuken een niet onbelangrijke plaats in. Men vond ze tegen de balken van de zoldering, op borden, schotels, spiegels, bekers, zonnewijzers enz. en op gevelstenen.”

Je kunt je afvragen wat de plaats van de wijsheid is, als die niet een wandtegel is. Het bijbelboek 'Spreuken' wordt samen met 'Job' en 'Prediker' tot de zogenaamde wijsheidsliteratuur gerekend. Dat type literatuur was wijdverbreid in het oude Midden-Oosten. Zowel in de Babylonische als in de Egyptische literatuur zijn daarvan specimina bekend. 'Prediker' en 'Job' hebben elk zeer grote literaire verdiensten, maar 'Spreuken' is bij mij nooit erg in tel geweest.

Ik herinner me de doffe verbazing waarmee ik in mijn jeugd aanhoorde hoe mijn vader daaruit wel eens een kapittel voorlas. Dul, dul, dul! Ongeveer even afwisselend als een lange, lange trein goederenwagons die voorbij denderde. Waarbij de grootste vreugde het boem-boem was, ten teken dat er weer zo'n dodelijk vermoeiende, bijna onveranderlijk tweeledige wijsheid achter de rug was.

Goed. Maar wat vind ik er nu van?

Ik moet zeggen dat het heel moeilijk is om een leeshouding te vinden voor deze aan de ene kant al te gemakkelijk ogende, en aan de andere kant misschien toch wel tamelijk unzeitgemüsz geworden verzameling van wijsheden. En dan heb ik het niet eens zozeer over een maatschappelijke context van drieduizend jaar geleden en over een agrarische samenleving waarin de verhoudingen tussen arm en rijk en tussen vrouwen en mannen anders geregeld waren. Want van zulke afstanden hoeft grote literatuur niet al te veel last te hebben. Maar zelfs wanneer je je tempo grondig aanpast aan de dichtheid van de tekst, en deze leest als de compacte poëzie die hij vaak is, dan nog biedt de betrekkelijk grote monotonie van de tekst - er komt vaak meer van hetzelfde, in steeds ongeveer dezelfde kleine hoeveelheden, het is een kunst van de kleine variaties - heel veel gelegenheid tot knikkebollen. Ook zou het kunnen zijn dat wij een tekst die zozeer op onze doorlopende instemming uit is niet zo goed meer kunnen verdragen.

Het boek 'Spreuken' is een hoorn des overvloeds. Een stuk of wat verzen zou men niet snel missen, en omgekeerd lijken aanvullingen en uitbreidingen ad libitum denkbaar. Waar de spreuken per stuk dan misschien een hoge mate van welgevormdheid kennen, daar geldt dat zeker niet voor de structuur van het boek als geheel. De diverse perikopen dragen dan ook niet zelden titels als 'Vaderlijke waarschuwingen', 'Verschillende waarschuwingen' en 'Lessen van levenswijsheid'. De 'Waarschuwing tegen de vreemde vrouw' en 'De lof der degelijke huisvrouw' vormen in dit betrekkelijke brokkelpak bijna eilanden van samenhang.

De oud-testamenticus Beek adviseert in zijn boek 'Wegen en voetsporen van het Oude Testament' (1989, zevende druk, voor weinig geld bij De Slegte) dan ook om rustig een willekeurige bladzijde van 'Spreuken' op te slaan.

De volhardende lezer zal zijn inspanningen op onvoorspelbare momenten hoe dan ook beloond zien. Ze zijn er wel degelijk, de verrassende formuleringen, de raadselachtigheden die intact blijven, de gevallen van drastische plastiek. Ik geef voorbeelden. Juist vanwege de onmiskenbare empathie in het middengedeelte - door mij gecursiveerd - vind ik de waarschuwing aan de langslapers die in 6:9-11 staat heel mooi: “Hoelang, luiaard, zult gij neerliggen, wanneer zult gij opstaan uit uw slaap? Nog even slapen, nog even sluimeren, nog even liggen met gevouwen handen - daar komt uw armoede over u als een snelle loper en uw gebrek als een gewapend man.”

Misschien dat een hiermee verwante consideratie met het ochtendhumeur - van degene die het bed maar al te tijdig heeft verlaten - spreekt uit 27:14. “Wie zijn naaste in den vroegen morgen op luidruchtige wijze groet, het wordt hem als een vloek aangerekend.”

En een vergelijkbare tact kan men aantreffen in 25:20: “Als iemand die een kleed uittrekt op een kouden dag, als azijn op loog, is wie liedjes zingt bij een treurig hart.” Dit vind ik mooie en verrassend subtiele toonaarden, die dan natuurlijk des te sterker contrasteren met sommige plaatsen waar een oud en voor ons nauwelijks meer na te voelen vertrouwen in een harde rechtspraktijk wordt uitgesproken. “Bloedige striemen”, aldus 20:30, “zuiveren het kwaad uit, en slagen reinigen de schuilhoeken van het hart.” Als over een soort van Vim, of een ander schoonmaakmiddel, zo wordt er gesproken over geseling en stokslagen.

Gecharmeerd werd ik door de raadselverzen waarvan ik eerlijk gezegd zelfs niet wist dat 'Spreuken' ze bevatte. Zonder commentaar zou ik er vermoedelijk geen oog voor hebben gehad. Zowel M. A. Beek als James G. Williams, in het aan 'Spreuken' en 'Prediker' gewijde hoofdstuk van de onvolprezen 'Literary Guide to the Bible' van Robert Alter en Frank Kermode (laatste druk 1997) wijzen erop.

Die raadsels kunnen de lezer gemakkelijk ontgaan, doordat ze niet geformuleerd zijn in de karakteristieke vorm van een vraag (het raadsel) plus het bijbehorende antwoord (de oplossing). Neem 30:15 en 16. Die bevatten als ik het goed zie twee opeenvolgende raadsels. Maar zoals de verzen erbij staan (in de NBG-vertaling van 1951) zou je een en ander niet snel begrijpen. Ze luiden daar:

15: De bloedzuiger heeft twee dochters: geef, geef!

Deze drie zijn onverzadelijk,

vier zeggen nooit: Het is genoeg:

16: het dodenrijk en de onvruchtbare schoot,

de aarde, die nooit van water verzadigd wordt,

en het vuur, dat nooit zegt: Het is genoeg!

De erin vervatte en misschien onderling verwante raadsels lijken te zijn: Welk drietal is onverzadelijk? en: Welk viertal zegt nooit: Het is genoeg!?) En ze worden gepresenteerd als een chiasme: 'antwoord' - 'vraag', 'vraag' - 'antwoord'.

Een ander raadsel, waarbij het misschien minder om het antwoord dan om de mooie reeks vragen gaat, is 23:29.

Bij wie is ach? bij wie is wee? bij wie is twist? bij wie geklaag?

bij wie zijn wonden zonder reden? bij wie troebele ogen?

Welnu, dat is, moet men weten:

Bij hen die laat opzitten bij den wijn,

die komen om den gemengden drank te proeven.

In I Koningen 10 wordt verhaald van het bezoek dat de koningin van Scheba aan Salomo bracht. Zij kwam op de roep van diens wijsheid af en stelde die op de proef. 'En Salomo loste al haar vraagstukken op', staat er dan. Beek, in zijn al genoemde boek, spreekt als zijn overtuiging uit dat de conversatie het karakter zal hebben gehad van een vraag-en-antwoordspel zoals het boek 'Spreuken' niet zelden laat zien.

Salomo was, zoals de traditie wil, de auteur van in elk geval een deel van 'Spreuken'. Het boek bevat dan ook een dosis harmonie en een type wijsheid die eerder aan het hof van een verlicht vorst gesitueerd dienen te worden dan in een gistende maatschappij in overgang. Het scherpe en opzwepende geluid van de profeten, met hun oog ook voor sociale onrechtvaardigheid, klinkt hier niet of nauwelijks uit op. Plaats voor enige twijfel, zoals het boek 'Job' toont, laat staan voor de fundamentele scepsis die de toon van 'Prediker' bepaalt, heeft 'Spreuken' niet.

Misschien was 'Spreuken' eigenlijk slechts een boek van wijzen voor wijzen. Want hoeveel oproepen tot wijsheid er ook in staan, de overtuiging dat iemand wijs zou kunnen worden die er niet al voor in de wieg is gelegd, ontbreekt totaal. Immers (27:22):

Al stampt gij een dwaas in een vijzel,

tussen de graankorrels met een stamper,

zijn dwaasheid zal niet van hem wijken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden