Sportverenigingen huiverig voor professionele hulp

Het is 2004. In 1999 was Driehuizen een goed draaiende voetbalclub met vooral een florerende jeugdafdeling. Maar na die periode van bloei is het snel bergafwaarts gegaan.

Tijdens iedere bestuursvergadering zakt voorzitter Cuppen de moed steeds dieper in de schoenen. Hij is tegen wil en dank een schaap met vijf poten geworden. Omdat de penningmeester is opgestapt en geen enkel lid zich voor dat baantje meldde, doet Cuppen dat er uit arrenmoede bij. Hij heeft echter geen ervaring met boekhouding, financieel beheer, het innen van contributies en ingewikkelde belastingmaatregelen, zodat de rammelende jaarrekening drie maanden te laat werd ingediend bij de bond. Daar in Zeist, in die ivoren toren, wisten ze wel raad met dat dwarse provincieclubje. Cuppen mag zijn handtekening onder een acceptgiro zetten met daarop de som van een forse boete.

Ten einde raad zoekt de gekwelde voorzitter zijn heil bij de verenigingconsulent van de KNVB en haar collega van de provinciale sportraad. In beide gevallen krijgt hij nul op het rekest. De één zit al tot over de oren in het werk. Er wordt zo aan haar getrokken dat ze zich moet beperken tot het geven van telefonisch advies. De consulent van de sportraad zit overspannen thuis.

Met zoveel woorden is dit het doemscenario in het banenplan voor de sport, dat de vorige week op de najaarsvergadering van NOC-NSF 'even' onderwerp van discussie was. Er staat uiteraard ook een droomscenario in van de imaginaire gemeente Weulnerdam, waar een gemeentelijke stichting de professionele ondersteuning van sportvereningen coördineert. Was het toekomstbeeld in 1999 nog vrij somber, anno 2004 bloeit het clubleven als nooit tevoren. Het gaat eigenlijk angstig goed.

Het schetsen van een doem- en een droomscenario is in het management en de politiek een beproefd instrument bij het bepalen van strategische keuzes. Wanneer veel bestuurders zich in de situatie bij Driehuizen herkennen, is het met het verenigingsleven in Nederland snel gedaan. De manier waarop in Weulnerdam alles is geregeld, lijkt iets voor na de volgende eeuw.

Wie beide cases op de weegschaal legt, zal de balans toch al snel richting Driehuizen zien doorslaan. De sector sportontwikkeling van NOC-NSF lanceerde niet voor niets een banenplan voor de sport. ,,De nood is hoog'', zegt het voor dit onderwerp verantwoordelijke bestuurslid Ruud Vreeman. ,,Maar het tij is gunstig'', voegt de burgemeester van Zaanstad eraan toe.

Bij de sportkoepel hebben ze er een mooie term voor bedacht: Prins, professionalisering in de sport. Het uitgangspunt is de kwaliteit van de sportbeoefening te verhogen door binnen een vereniging tal van managementtaken door een beroepskracht te laten uitvoeren. Weliswaar zweert men niet, zoals bij Driehuizen, in alle clubgeledingen trouw aan de wet van Murphy, knelpunten zijn er in overvloed. Er zijn te weinig vrijwilligers die op vitale plaatsen kunnen worden ingezet, jeugdleiders zijn te beperkt of helemaal niet opgeleid, het zijn altijd dezelfde ouders die kinderen naar uitwedstrijden moeten rijden, kantinediensten rouleren nog amper, en iemand die dat alles in goede banen leidt, ontbreekt al helemaal.

Het probleem dateert niet van vandaag, maar om allerlei wonderlijke redenen heerst bij de meeste verenigingen niet de cultuur om buiten het eigen, kleine kringetje naar mensen te zoeken die het tij daadwerkelijk kunnen keren. Omdat het geld kost en dus de contributie verhoogd moet worden. Omdat zo'n verenigingsondersteuner betaald wordt en het gevaar van tweedeling dreigt. Waarom zou je als vrijwilliger alles nog voor niets doen?

Door het model Weulnerdam te hanteren is dat laatste niet aan de orde. Het banenplan van NOC-NSF voorziet in het aanstellen van een kleine 5000 voltijds werkers in de sport, ongeveer één per 900 leden. Als vereniging 'koop' je diensten. Het 'veld' reageert desondanks afwijzend: de helft van alle ondervraagde verenigingsbestuurders wijst het inschakelen van professionals - hetzij als personeelslid, hetzij als extern adviseur - af. Van de 'positivo's' plaatst ruim tien procent toch nog veel kanttekeningen. Dat is voor NOC-NSF reden het banenplan, kwantitatief althans, minder ambitieus in te vullen. Voor de verenigingen die het wel zien zitten in 'Prins', komen in totaal 2700 fte's beschikbaar.

Triester is het dat bestuurders menen dat er geen draagvlak voor het aanstellen van betaald kader is. Ze zijn huiverig voor contributieverhoging, terwijl het gros van de leden (70 tot 85 procent) daar absoluut geen moeite mee heeft. Dat wil voor kwaliteit wel degelijk betalen. Dat doet ze ook bij de commerciële sportscholen, die niet voor niets steeds meer klanten wegzuigen bij de traditionele sportclubs, waar je - alsof er geen 24 uurs-economie en flexibele werktijden bestaan - alleen maar 's avonds en in de weekeinden terecht kunt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden